Aan de nieuwe stadsbouwmeester

25 november 2020 Door Leestijd: 5 minuten

Vandaag maakte de gemeente Groningen bekend dat Nathalie de Vries de nieuwe stadsbouwmeester wordt. Scheidend stadsbouwmeester Jeroen de Willigen schrijft haar een open brief.

Foto's: German Villafane

Beste stadsbouwmeester,

Allereerst feliciteer ik u, met zo ongeveer de mooiste baan die men zich kan voorstellen. Verantwoordelijk zijn voor goede architectuur en stedenbouw, waar met enig geduld het resultaat van te zien is, blijft iets magisch. Tegelijkertijd wil ik u waarschuwen: hoed u voor overmoed. Deze waarschuwing is wat mij betreft tweeledig.

Ten eerste werkt u aan een stad met een geschiedenis, en zoals elke geschiedenis is ook die van deze stad bijzonder. Het heeft haar gemaakt tot de stad die ze is. Die identiteit is niet te ontkennen noch radicaal te veranderen, op zijn hoogst te interpreteren. Ik heb om u te helpen een verzameling gemaakt van mijn eigen interpretaties, reflecties, en perspectieven. Niet om u te beïnvloeden, maar om u te helpen met het formuleren van uw eigen perspectief. Begin volgend jaar zal dit in de vorm van een boekwerkje verschijnen, ik hoop dat u er wat aan heeft.

Ten tweede kent de stad vanuit haar verleden een manier van doen, een bepaalde cultuur van samenwerken en initiatief. Deze is voor mensen uit ons vak veel moeilijker te doorgronden dan de fysieke werking van de stad. Persoonlijk pretendeer ik niet dat ik na zes jaar precies begrijp hoe de hazen lopen, laat staan hoe een koe een haas vangt in deze stad. Door veel te proberen, fouten te maken en te reflecteren weet ik ongeveer wat te doen om bepaalde zaken te bereiken. Ik kan u daarvoor helaas geen recept geven. U zult dat zelf moeten uitvinden en uw eigen methode moeten ontwikkelen, afhankelijk van uw doelen en, belangrijker nog, uw vrienden.

Wel geef ik u mee dat het helpt om het gedrag van de stad te beschouwen als dat van een puber. Op dit moment is ze bezig in een versneld tempo volwassen te worden, ze groeit snel in grootte en kwaliteit. Net als een puber denkt de stad Groningen overigens allang volwassen te zijn en het allemaal zelf te kunnen. Ze eigent zich een grote mate van zelfstandigheid toe. Vaak is dat onterecht, maar minstens zo vaak kan ze verrassend goed op eigen benen staan. Deze jeugdige overmoed gaat overigens gepaard met een latent minderwaardigheidscomplex – ook hier gaat de vergelijking met een adolescent op. De stad weet dit vaak goed te verbergen, maar het uit zich in exclamaties over onbegrip door de rest van het land en in het bijzonder door Den Haag. Daarbij heeft ze natuurlijk een punt, al doet ze niet erg hard haar best om begrepen te kunnen worden.

Het is, met andere woorden, niet makkelijk om de goede modus te vinden om met en aan de stad te werken. Wanneer u te lief en begripvol bent, zal snel sprake zijn van zelfoverschatting en zelfgenoegzaamheid. En wanneer u de stad te streng toespreekt zal zij antwoorden met: ‘Maar jij begrijpt mij niet, je begrijpt er helemaal niets van’. Vervolgens verzandt ze in lethargie. Ze zal zichzelf overigens niet in bovenstaande beschrijving herkennen, dat lijkt me evident.

U zult een modus moeten vinden, want er is haast en er moet veel gebeuren. De grootste opgaven zijn overigens vergelijkbaar met die van veel andere Nederlandse en Europese steden.

Allereerst moet u de stad met haar buitengebied natuurlijk klimaatneutraal maken, en tegelijkertijd robuust genoeg om de al ingezette klimaatveranderingen te kunnen weerstaan. Een opgave die voor eigenlijk alle gemeentes geldt. De urgentie van deze opgave voor Groningen hoeft niet benadrukt te worden. Iedereen is het daarmee eens. Er is daarbij veel kennis aanwezig over energievraagstukken (elk nadeel heb z’n voordeel). De stad is fietsstad nummer één, op wereldniveau, niet alleen door een goede fietsinfrastructuur, maar ook omdat er altijd is ingezet op een compacte stad. Met de laatste architectuurmanifestatie, over klimaatadaptatie, is bovendien al een begin gemaakt met onderzoek naar en oplossingen voor het vergroenen van de stad, het tegengaan van hittestress en het verbeteren van de waterhuishouding.

De tweede opgave is, en dat lijkt ook evident, het zorgen voor woningen in goede leefmilieus voor iedereen. De afgelopen jaren is daarvoor door de stad hard gewerkt aan het opzetten van grote gebiedsontwikkelingen. Daarbij gaat het vooral om in onbruik geraakte industrielocaties langs de belangrijkste waterwegen, zoals de Suikerzijde, de stadshavens en het stationsgebied. Nu wordt het tijd dat we daar echt gaan bouwen. Daarbij moeten we ons niet gek laten maken door bouwprijzen en marktwensen, maar leefmilieus maken die duurzaam en inclusief zijn. Plekken waar nabijheid een ontwerpuitgangspunt blijft en innovatie de oplossing. De gemeente Groningen heeft veel aandacht besteed aan het ophalen en inhuren van voldoende kennis, maar de nieuwe stadsbouwmeester zal als een capo dei capi moeten zorgen voor inspiratie, kennisuitwisseling en samenhang.

De laatste opgave die ik wil benoemen, is de moeilijkste. Groningen wil architectuurstad zijn, en is dat van oudsher ook. Maar het debat over wat een architect vermag of wat architectuur moet doen is sinds de jaren negentig met een aflopende intensiteit gevoerd. Het dieptepunt werd bereikt met de stellingen over ons vak in de vroege jaren 10. Er werden destijds slechts twee opvattingen gebezigd, zonder nuance: alles mocht, of niets. Ieder gesprek werd daarop platgeslagen, elke bouwcultuur ontbrak. En dat was niet zonder gevolgen. Opdrachtgevers, onderwijsinstellingen, corporaties en overheden veroorloofden het zich, met de financiële crisis en de aardbevingsproblematiek als legitimatie, puur pragmatisch plannen te maken en bouwwerken op te richten. De afgelopen jaren zijn we onszelf aan de haren uit het moeras aan het trekken, maar we zitten nog steeds tot onze enkels in de drek. Het is aan u om Groningen het laatste zetje te geven, haar ver boven het maaiveld uit te tillen en er een echte architectuurstad van te maken.

Ik heb in mijn binnenkort te verschijnen essaybundel de stand van zaken in een drietal hoofdstukken voor u geprobeerd te beschrijven, weliswaar vanuit mijn eigen perspectief, maar dat moet u me kunnen vergeven. In een apart hoofdstuk bespreek ik de bouwstenen van mijn eigen paradigma en handelingsperspectief, dat laatste meer ter lering ende vermaak, aangezien ik u niet hoef uit te leggen hoe u te werk moet gaan.

Rest mij u een vruchtbare en plezierige tijd als stadsbouwmeester toe te wensen. Pas een beetje op onze stad en houd ervan zoals u nog nooit van iets heeft gehouden. Het maakt uw werk niet makkelijker, maar wel beter.

 

Jeroen de Willigen

***