Systeemontwerpers

‘Als gemeenschap zelf iets organiseren is geen geitenwollensokkenidee’

Noem ze geen architect meer: deze ontwerpers maken systemen

Tekst:
Beeld:
Leestijd: .

In de Groningse architectuurscene zijn Marcel van der Schuur en Yerun Karabey buitenbeentjes. Opgeleid als architect breken ze radicaal met de traditionele aanpak van overheden, ontwikkelaars en andere ontwerpers. In plaats van op gebouwen richten ze zich op grotere systemen en op lokale gemeenschappen. ‘Mensen nemen voor hun eigen omgeving integrale, holistische beslissingen. Anders hebben ze er zelf last van, zo simpel is het.’

Ruimtelijk systeemontwerpers

Tijdens hun opleiding aan de Groningse Academie van Bouwkunst waren Marcel van der Schuur en Yerun Karabey zo’n beetje de enigen die enthousiast werden van het vak over energietransitie. In plaats van in te zoomen op een gebouw of een kavel, kun je als ontwerper ook vanuit een breder perspectief naar een plek kijken, realiseerden ze zich.

Van der Schuur onderzocht als afstudeerproject een lokale waterkringloop, met als ruimtelijke uitwerking een decentrale waterzuivering bij het Oosterhamrikkanaal. Karabey deed onderzoek naar een lokale voedselketen in de stad, ruimtelijk landend in een volledige broodketen aan het Gedempte Zuiderdiep. Geen typische thema’s voor de meeste architecten in opleiding.

Uit hun breder geworden blik volgde vanzelf een grote vraag, die de basis vormt van de manier waarop Karabey en Van der Schuur sinds 2019 als duo samenwerken: waarom doen we wat we doen? En hoe kom je vanuit een stel stevige basisprincipes gezamenlijk tot een logisch, holistisch proces – en uiteindelijk tot een goed ontwerp?

Ruimtelijk systeemontwerpers is de term die ze op een bepaald moment bedachten voor wat ze wilden doen. ‘Maar eigenlijk weten we nog steeds niet helemaal hoe we onszelf moeten noemen.’ Over de invulling van hun rol hebben ze geen twijfels, en van de waarde die ze met hun werk genereren, zijn ze volledig overtuigd.

Met de kracht en de basisbehoeften van lokale gemeenschappen als uitgangspunten, gekoppeld aan onderliggende stofstromen en systemen, benaderen de twee ontwerpers opgaven op een manier die radicaal breekt met de traditionele aanpak van overheden, ontwikkelaars en andere ontwerpers. ‘Ruimtelijke bouwstenen’, zoals ze het zelf noemen (bijvoorbeeld in de vorm van een energiepark, dorpstuin, zonneveld, windturbine, biomassacentrale of warmtenet), zijn daarbij hulpmiddelen. In de processen die Van der Schuur en Karabey vormgeven, werken mensen aan de totstandkoming van langdurige, gezamenlijke basisvoorzieningen. 

OP ZOEK NAAR HET WAAROM

Met welke uitgangspunten begin je aan een proces? Het lijkt een logische vraag, maar in de praktijk wordt hij te vaak overgeslagen, merken Karabey en Van der Schuur.

‘Soms besluiten ontwerpers, of mensen in het algemeen, over te gaan tot een bepaalde oplossing, zonder echt te weten waarom’, zegt Karabey. ‘Je moet proberen bij de kern te komen: wat wil je echt bereiken? Daarvoor moet je diep graven en overzicht hebben over een systeem en hoe onderlinge relaties werken.’

Het grote verhaal is wat het duo fascineert: de onderliggende systemen en stromen van water, groen, voedsel, geld en energie die de basis vormen van elke plek en elk project. Heb je die helder in beeld, dan pas kun je gaan nadenken over een mogelijke ingreep en een passend ontwerp. Maar, benadrukken ze, wel pas nadat je in gesprek bent gegaan met de lokale gemeenschap.

Marcel van der Schuur (links) en Yerun Karabey // Foto: Douwe de Boer

Na hun afstuderen, in respectievelijk 2018 en 2019, begon het tweetal na te denken over het ontwikkelen van een methodiek om hun ideeën in de praktijk te kunnen brengen. Hun doelgroep: ambtenaren, burgers, ontwerpers en ontwikkelaars. Sinds 2021 vormen ze officieel een duo onder de naam Go With the Flows: een bureau zonder medewerkers en zonder kantoor.

Hoewel ze in Groningen wonen en opgeleid werden, zijn Van der Schuur en Karabey op dit moment vooral actief in Friesland. Sinds 2018 werken ze samen met de Energiewerkplaats Fryslân, een organisatie van zelfstandige professionals die de energietransitie helpt versnellen. In die hoedanigheid ondersteunen ze onder meer de initiatiefgroep STOGEF uit Bolsward, die sinds een paar jaar de mogelijkheden van verwarming via geothermie onderzoekt. Karabey en Van der Schuur geven vorm aan het proces waarin – in dit specifieke geval – de initiatiefnemers, de gemeente Súdwest-Fryslân en lokale ondernemers aan een breed gedragen oplossing werken.

DUURZAAMHEIDSSAUSJE

Hoewel ze opgeleid zijn als architect, doet de esthetische kant van het vak er inmiddels nauwelijks nog toe. In plaats daarvan begeleiden ze het denkproces dat aan het ontwerpen vooraf gaat.

Karabey: ‘Bij traditionele ontwerpopdrachten mag je als architect vaak pas je kunstje doen als er al een plan van eisen ligt. Zo’n plan is alleen meestal ondermaats, bijvoorbeeld als het over duurzaamheid gaat. Staat het niet expliciet in de uitvraag? Dan doet een ontwikkelaar er waarschijnlijk niks mee. Hooguit mag een architect er een duurzaamheidssausje overheen gooien, maar er wordt nooit systemisch over dingen nagedacht.’

‘Ontwikkelaars zijn gewend aan een-tweetjes met ambtenaren. Maar op plekken waar mensen wat mondiger zijn, werkt het gewoon niet zo’

Om hier verandering in te brengen, gaan Karabey en Van der Schuur bij elk traject waaraan ze meewerken terug naar de basis. Ze vragen de betrokkenen steevast waarom ze voor een bepaalde aanpak kiezen.

Karabey: ‘Waar willen ze heen en welke systeemverandering past het beste bij hun gemeenschap? Want daar maken we mensen steeds bewust van: als je dingen anders gaat aanpakken, verander je een systeem. Willen ze een warmtepomp en zonnepanelen? Dat vraagt iets van het elektriciteitsnet. En dat brengt je weer terug bij de waarom-vraag.’

Door via workshops uitvoerig met alle betrokkenen in gesprek te gaan, leggen Van der Schuur en Karabey met hun methode een breed ruimtelijk kader neer. Dit vormt bij ontwikkelingen op een locatie de basis. Pas daarna wordt er ontworpen.

‘Eigenlijk proberen we het zo lang mogelijk uit te stellen, of zelfs helemaal niet te ontwerpen’, zegt Van der Schuur. ‘Dat wil niet zeggen dat we onze denkkracht als architect niet inzetten. Het belangrijkste dat wij doen is steeds weer de uitgangspunten van een plan erbij halen, en kijken wat het op andere lagen voor gevolgen heeft als je iets op een bepaalde manier organiseert.’

Karabey: ‘En iedereen die meedoet, moet erachter staan. Het doel moet helder zijn, net als het besef dat het verdere proces fluïde is: de dingen die je van plan bent te gaan doen, kunnen ook anders gaan, naarmate je meer kennis opdoet.’

‘Het ontwerpen proberen we zo lang mogelijk uit te stellen, of zelfs helemaal niet te doen. Maar dat wil niet zeggen dat we onze denkkracht als architect niet inzetten.' // Foto: Douwe de Boer

De rol van lokale gemeenschappen en het democratisch proces is de tweede pijler onder de methode van Go With the Flows. Want als je mensen dingen van bovenaf oplegt, kom je niet tot een bevredigend resultaat, is hun overtuiging. Met die manier van denken strijken ze bepaalde partijen soms tegen de haren in.

‘Ontwikkelaars zijn bijvoorbeeld gewend dat een project een een-tweetje met ambtenaren is’, zegt Van der Schuur. Ze schieten beiden in de lach. ‘Maar op plekken waar mensen wat mondiger zijn, werkt het gewoon niet zo. Als zij iets niet willen, moet je met ze om tafel en samen met hen de uitgangspunten opnieuw formuleren.’ 

Waarom lachen jullie als het hierover gaat?

Karabey: ‘We ergeren ons aan de dommigheid waarmee zowel ontwerpers, ontwikkelaars als ambtenaren soms processen ingaan. Ga nou gewoon eerst met elkaar om tafel, denken we dan. En wees er niet van overtuigd dat het plan dat jij gemaakt hebt de beste oplossing is. Wij geloven in lokaal eigendom, lokale zeggenschap en het zelforganiserend vermogen van gemeenschappen. Mensen nemen voor hun eigen omgeving integrale, holistische beslissingen. Anders hebben ze er zelf last van, zo simpel is het.’ 

Als het om ontwerpers gaat, is hun grondhouding vaak aangeleerd. Karabey: ‘Als architect krijg je tijdens je opleiding te horen dat het vooral om jou gaat. Wie ben jij als architect? Er wordt je verteld dat je jezelf moet profileren. Doordat de nadruk zo op het ego ligt, leer je niet om je open te stellen. Dan wordt samenwerken een strijd.’

Van der Schuur en Karabey kiezen ervoor om belanghebbenden vanaf het begin mee te nemen, of dat nou bewoners, ondernemers, ontwikkelaars of ambtenaren zijn. ‘Daar halen we zelf ook veel uit. Je kunt nog steeds doen wat je als professional goed lijkt, en daarin de grotere context meenemen, maar als mensen er dingen in terugzien die zij je hebben aangereikt, kom je nader tot elkaar. Als je er op die manier in staat, is het veel minder belangrijk wat je zelf als ontwerper vindt.’

Van der Schuur: ‘De keuze is aan de mensen zelf, wij laten alleen de mogelijkheden en gevolgen zien. Je hoeft ze geen doemscenario’s voor te houden om ze mee te krijgen, dat kan juist weerstand opleveren. Wij geloven in het maken van lokale, positieve keuzes, die ook op een grotere schaal effect hebben.’

'Als je mensen vanaf het begin meeneemt, kom je nader tot elkaar. Dan is het veel minder belangrijk wat jij als ontwerper vindt.' // Foto: Douwe de Boer

Als je als architect opgeleid bent, is het nogal een statement om te zeggen dat de schoonheid van gebouwen bijzaak is. Wat vinden architecten van de manier waarop jullie in je vak staan?

Karabey: ‘Lang niet iedereen kan iets met onze ideeën. Met wat we doen stuiten we andere ontwerpers soms tegen de borst, maar dat is niet onze bedoeling. We doen simpelweg een stap terug. Wat heeft de ruimtelijke ingreep die je voorstelt functioneel voor impact? Je moet dingen niet voor de bühne doen, alleen omdat het mooi is.’

Van der Schuur: ‘Heel sec heeft niemand last van hoe wij werken: het is niet zo dat we iets van iemand afpakken. Uiteindelijk moet er altijd iets gebouwd worden, dus dan komen de traditionele architecten gewoon aan de beurt. En gelukkig zijn er een heleboel die zich bezighouden met het ontwerpen van gebouwen. Maar dat is niet wat wij nastreven.’

‘Als architect krijg je tijdens je opleiding te horen dat het vooral om jou gaat. Daardoor leer je niet om je open te stellen en wordt samenwerken een strijd’

Hoewel het klinkt alsof ze op een eilandje opereren en niemand nodig hebben, staan ze juist open voor samenwerkingen, benadrukt hij. Hun ideaal is om een collectief te vormen met mensen die elkaar sterker maken.

Karabey: ‘Architectenbureaus in een stad als Groningen beconcurreren elkaar. Ze houden de kaarten tegen de borst. Terwijl je, als je slim samenwerkt, sterker staat. Daar speelt misschien ook die ego-cultuur mee, waardoor mensen niet met elkaar willen of kunnen samenwerken. En dan vindt er nauwelijks kennisuitwisseling plaats.’

Er moet natuurlijk ook geld verdiend worden. Als je mensen in dienst hebt die afhankelijk zijn van de projecten die je binnenhaalt, ben je misschien niet zo happig op het delen van kennis met andere bureaus.

Van der Schuur, lachend: ‘Daarom moet je ook geen mensen in dienst nemen. Dan hoef je ook geen opdrachten aan te nemen die je eigenlijk niet had willen doen.’ Het klinkt als een grapje, maar hij meent het. 

Karabey: ‘Denken dat je moet groeien is de fout die veel bureaus maken. Wij zijn met z’n tweeën en blijven dat ook. Als ontwerper moet je om te beginnen een sterk verhaal hebben. Je moet je profileren, kleur bekennen. Een opdrachtgever weet dan waar je voor staat. En als hij daar niet in mee wil gaan, dan neem je de opdracht niet aan. Maar die ruimte is er vaak niet, omdat een bureau geld moet verdienen. Dus dan kom je toch weer uit bij die opdracht die je misschien eigenlijk liever niet zou doen, en ontwikkel je je niet in de richting die je wilt. Wij weten heel goed waar we naartoe willen, en waarom. Als ik daar niet aan kan werken, word ik chagrijnig.’

Jullie hebben afstand genomen van het traditionele architectuurvak en ontwerpen geen gebouwen meer. Had je net zo goed een andere opleiding kunnen doen? Hoe helpt jullie achtergrond je bij wat je nu doet?

‘Architecten kunnen door verschillende niveaus heen denken en alles goed organiseren’, zegt Van der Schuur. Hij vertelt hoe ze onlangs bij het project in Bolsward een oud-strateeg van Philips ontmoetten. ‘Hij zag door onze manier van werken dat we architecten waren. Het is grappig dat iemand uit een ander vakgebied dat herkent. Ik denk dat het ‘m ook zit in de kritische manier waarop we als architect naar dingen kijken, erover nadenken, en met elementen puzzelen. Dat leer je tijdens je opleiding, en dat nemen we altijd mee.’

'Tijdens je opleiding als architect leer je op een kritische manier naar dingen kijken, erover nadenken, en met elementen puzzelen. Dat nemen we altijd mee.' // Foto: Douwe de Boer

Jullie aanpak is vernieuwend, en voor buitenstaanders misschien moeilijk te begrijpen.

Van der Schuur: ‘Het is nog altijd lastig om aan mensen uit te leggen wat we precies doen. Op een verjaardag krijg ik nog steeds vooral glazige blikken. Eigenlijk moet je het zien. Als we een workshop doen, behangen we de hele ruimte met posters. Mensen stappen haast een andere wereld binnen en zijn overdonderd. Dan vertellen we ons verhaal erbij en krijgen ze zin om aan de slag te gaan. We zien dat ze verrast zijn door het brede perspectief dat we aanreiken, door die andere manier van naar een opgave kijken.’

Karabey: ‘Er is een misverstand dat je dingen als gemeenschap niet zelf kunt organiseren. Mensen zien steeds meer in dat ze dat wel degelijk kunnen.’ En, benadrukt hij: ‘Met zo’n lokaal initiatief aan de slag gaan is geen hobby. Er zijn uiteindelijk keiharde fte’s aan projecten gekoppeld. Je werkt voor je gemeenschap, maar krijgt daar wel voor betaald. Zo levert het ook lokale werkgelegenheid en kansen op.’ 

Overheden en ontwikkelaars zijn tegenwoordig meer bezig met participatie dan voorheen, al is dat waarschijnlijk vooral omdat het moet. 

Karabey: ‘Voor mijn gevoel zijn ze angstig, bang om te veel met burgers te delen. Wij laten alles zien, we geven mensen een enorme berg informatie en vragen ze ook op welke manier ze betrokken willen zijn. Aan hun reacties merken we dat ze zich daardoor serieus genomen voelen. Misschien heerst het idee dat burgers dom zijn, of lastig. Maar lastig worden ze pas als je ze niet meeneemt in een proces. Het systeem is nu zo ingericht dat mensen naar een inloopavond kunnen en daar een plan te zien krijgen, waarna ze hooguit bezwaar kunnen maken. Dat levert alleen maar vertraging op, en er komt uiteindelijk iets waar ze niet bij betrokken zijn geweest. En dat is zonde.’

Jullie doen met je werkwijze een beroep op ontwerpers, ontwikkelaars en ambtenaren, maar ook op burgers. 

Karabey: ‘Van hen allemaal vraagt onze aanpak iets nieuws. Veel mensen gedragen zich op dit moment als consument, en zo wordt er vaak ook naar ze gekeken. Terwijl je waarschijnlijk liever als burger behandeld wilt worden. Maar dat betekent misschien dat je ook iets moet doen. Dat je meedoet in een klankbordgroep, bijvoorbeeld, en er tijd voor vrijmaakt. Maar om te beginnen moet je de kans krijgen om mee te doen. Want met een overheid die alles van bovenaf oplegt, komt het niet goed. Dan maak je veel slachtoffers, in de vorm van mensen die buiten de boot vallen.’ 

Dat laatste gebeurt bijvoorbeeld als de overheid in het geval van warmtelevering kiest voor een oplossing die tot gevolg heeft dat mensen hun woning moeten aanpassen, maar dat niet kunnen betalen. ‘Je kunt beter zorgen dat er een collectieve basisvoorziening is.’

‘Je moet als burger de kans krijgen om mee te doen. Want met een overheid die alles van bovenaf oplegt, komt het niet goed’

Zo’n top-downaanpak zien ze op het moment dat een gemeente restwarmte heeft, en daar iets mee wil. Er wordt een technisch en economisch haalbaarheidsonderzoek gedaan om te kijken of het mogelijk is een wijk of buurt op die restwarmte aan te sluiten, maar de maatschappelijke of organisatorische kant wordt daarin niet meegewogen.

Van der Schuur: ‘Wij vinden dat je eerst met de bewoners van die woonwijk in gesprek zou moeten gaan, om aan hen te vragen wat zij willen. Als dan blijkt dat ze gebruik willen maken van restwarmte, kun je kijken op welke manier dat kan. Dat levert een heel andere uitvraag op, en daarmee heb je een breder ingestoken haalbaarheidsonderzoek nodig.’

Hij legt uit hoe in Denemarken 65 procent van de woningen is aangesloten op een warmtenet. Waar warmtebedrijven in Nederland commercieel zijn, zijn het daar non-profitorganisaties. Wie aangesloten is, is vaak automatisch lid en heeft zeggenschap. Als er winst gemaakt wordt, is je energierekening het jaar erop wat lager, of je investeert het geld als gemeenschap in overleg met elkaar. Het is een mooi voorbeeld voor de twee ontwerpers.

‘Mensen klagen daar nooit bij de gemeente omdat het warmtesysteem niet werkt. Ze weten hoe het werkt en snappen het, ze groeien ermee op. Zoiets krijg je niet in een paar jaar voor elkaar, maar het kan dus wel. Als gemeenschap iets collectief organiseren is geen dromerig geitenwollensokkenidee: het gebeurt al, en het kan gewoon. Maar er is wat tijd nodig om dat te laten landen.’

'Wij vinden dat je eerst met bewoners in gesprek zou moeten gaan, om aan hen te vragen wat zij willen. Dat levert een heel andere uitvraag op.' // Foto: Douwe de Boer

Jullie doel is niet om te groeien. Wat willen jullie wel bereiken? En wat heb je daarvoor nodig? 

Van der Schuur: ‘Ik denk dat we niet te veel ineens moeten willen. We ontwikkelen onszelf en onze werkwijze rustig door. Als we er uiteindelijk voor kunnen zorgen dat gemeenschappen hier in heel Nederland mee aan de slag kunnen – dat is een mooi doel. Daarvoor hebben we meer mensen nodig die begrijpen wat we doen en zich hiervoor willen inzetten.’ Grijnzend: ‘Misschien betekent het wel dat we een opleidingsinstituut moeten oprichten, dan is dat het.’ 

Karabey: ‘Het liefst zouden we willen dat gemeenten deze methode zelf zouden gaan hanteren, voor ze beginnen aan een gebiedsontwikkeling. Dan komen ze tot betere uitvragen richting architecten, stedenbouwers en ontwikkelaars.’