26 januari 2022 Leestijd: 38 minuten

‘Wij kennen alleen nog maar verbanden.’ – Gilles Deleuze, Felix Guattari in: Rizoom

Aalscholverlast

De stad wordt door aalscholvers geplaagd, las ik een tijdje geleden in de Gezinsbode. Die vogels schijten de hele stad onder. Of nou ja, in elk geval twee bomen in het Noorderplantsoen en enkele brievenbussen aan de Noorderhaven. Die beesten laten hun poep zomaar lopen, ongehoord! De schrijver van het stuk eindigt met de voor hem geruststellende constatering dat de vogels tijdelijk in de stad rondhangen, dus geen echte Stadjers zijn, en spoedig weer vertrekken. Pek en veren zijn hier ook niet echt een oplossing.

Toevallig zag ik in november 2020 op de site van het platform e-flux een uitstekend filmprogramma: Ecology After Nature. Daarin werd de documentaire Acid Forest van Rugilė Barzdžiukaitė vertoond, over een aalscholverkolonie in een bos vlak bij de Oostzee. De plek is een toeristische attractie; op een heuvel is een platform gebouwd dat je via een lange trap bereikt. Het geeft uitzicht op de kolonie en het bos. Je komt hier om naar die aalscholvers te kijken, de camera van Barzdžiukaitė kijkt en luistert mee.

In Acid Forest wordt gefilmd vanuit vaste cameraposities, in lange, ononderbroken shots. We zien wie naar het platform komen: toeristen van over de hele wereld. Nachtelijke opnames tonen de vogels, roerloos en stil in de bomen – de maan erachter. Sprookjesachtig, onwerelds.

De gesprekken zijn het meest interessant als mensen uit verschillende landen tegelijkertijd op het platform staan en met elkaar in gesprek gaan.

- ‘Waar komen ze vandaan, die vogels?’
- ‘Er komen er te veel van!’
- ‘Net als bij ons in Finland…’
- ‘Ik zou ze neerschieten!’
- ‘En de EEG beschermt…’
- ‘Nee hoor, de EEG bestrijdt…’
- ‘Het is de natuur…’
- ‘Ze moeten dood…’
- ‘Ze aten mijn vijver leeg…’
- ‘Het zijn vliegende ratten…’
- ‘Ze eten alle vis op!’
- ‘Mijn god, het zijn er wel een miljoen!’
- ‘Het lijkt wel post-nucleair!’
- ‘Is dit die zogenaamde biologische diversiteit?’

Steeds vormen grijze wolken en onweersbuien het decor. Langzamerhand zien we meer van de aalscholvers.

Een nachtbeeld: dode bomen en sterren, zwart/blauw, de kleuren van de aalscholver.

Terug naar het platform, zowaar een ander geluid:

- ‘Wat is dit allemaal prachtig!’
- ‘Kijk, die laat zich aan ons zien!’
- ‘Jullie hebben het hier zo goed!’
- ‘Het is hier prachtig, Tosh, ja toch?’

‘Ze zijn zo oud als de dinosauriërs’, zegt een gids tegen een groep. ‘Het is een hele oude soort en ze komen over de hele wereld voor. Dit bos ziet er dood uit, maar alles is hier in beweging. De naaldbomen gaan dood van hun poep, maar voor eiken is het mest, die doen het er juist goed op.’

Dit is de grootste aalscholverkolonie in Litouwen, vertelt hij. 3000 paren leven hier in het Nationaal Park Curonian Spit/Kursiu Nerija bij Klaipeda. De eerste aalscholvers vestigden zich twintig jaar geleden in Juodkrante. Na het broedseizoen vind je hier 12.000 dieren.

Still uit de documentaire Acid Forest van Rugilė Barzdžiukaitė

Mensen hebben negatieve associaties bij de zwarte, grote vogels, weet de gids. ‘Veel mensen zijn verontrust als ze die dode bomen zien – maar aalscholvers zijn niet de enige die dit doen. Reigers doen het bijvoorbeeld ook. En die vis? Die is niet het bezit van vissers, vissen zijn deel van de natuur…’

Close-up: een aalscholvernest, mannetje en vrouwtje wisselen elkaar af bij het broeden.

- ‘Wat een schoonheid!’
- ‘Wat een geluid!’
- ‘Kijk! Nu komen ze uit het ei!’

Het is avond, het bos donker. Het lijkt alweer te onweren, maar dan zien we auto’s tussen de bomen. Er worden vuurpijlen afgeschoten…

Het laatste shot is laag over het water met het zicht op de kust, zo begon de film ook. De vuurpijlen zijn nu te zien als kleine dotjes uiteenspattend vuur, de vogels vliegen verstoord op en komen vervolgens op ons afgevlogen. Ze vliegen de zee op en het zijn veel, heel veel vogels – ik vind het een overweldigend mooi beeld.

Ik weet niet of bij jou het kwartje al gevallen is, maar die dieren op dat platform hebben het alleen maar over de aalscholver en kijken nooit eens naar zichzelf. Want dat aalscholvers van verse vis houden ligt voor de hand. Hak hun naam maar eens in drie stukjes. Ze lusten er wel pap van! Homo sapiens daarentegen, in het bijzonder de Nederlandse variant, vist over de hele wereld met enorme fabrieksschepen systematisch de oceanen en zeeën leeg. Daar kan geen aalscholver tegenop.

Dat de vogels veel poep produceren is ook waar, maar wist je dat in de gemeente Groningen bij droog weer het rioolgemaal aan het Damsterdiep per uur ongeveer 1800 kubieke meter afvalwater (uit douche, gootsteen en toilet) verpompt? Dat zijn elk uur 45 tankwagens, of een olympisch zwembad (50 x 25 x 2 meter), vol vieze smurrie. Dat we het niet zien wil niet zeggen dat het er niet is.

Pelsterstraat, voorjaar 2021

Hoop van twee meter

Ik ben aan de Pelsterstraat foto’s aan het maken. Daar is het voormalige Wibra-pand gesloopt, ik hoorde dat er opgravingen worden gedaan. Ik kijk en zie een bruine laag aarde van wel twee meter dik, met daaronder volgens mij, verrassend genoeg, het plaveisel van een straat!  

Vroeger, heel vroeger, deed je je behoefte gewoon op straat: kleine én grote boodschap. Toen verschilden we daarin nog niet van aalscholvers. Nadat het eeuwenlang op het eigen erf was blijven liggen (en zo de stad dus twee meter had opgehoogd, net zoals in het buitengebied op de wierden) en de gracht van de vesting van Alva ermee was volgestort, werd in de zestiende en zeventiende eeuw het zogeheten stadsafval in het vervolg per schip naar veenkoloniën als Hoogezand-Sappemeer en Zuidbroek gebracht. Daar werd het op het land als mest gebruikt.

Ik heb als kind op de akkers boven het Winschoterdiep vaak naar aardewerken pijpenkoppen gezocht en er veel gevonden, zonder me te realiseren waar die vandaan kwamen – uit dat stadsafval natuurlijk.

Engelberterplas, oktober 2021

Circulaire poepboer

Ik kom mijn hele leven al aan de Engelberter plas. Mijn grootouders hadden er een huisje, dat is in de familie gebleven. Mijn roots liggen daar, halverwege tussen Hoogezand, waar ik geboren ben, en Groningen, waar ik ging studeren en bleef wonen. Het is mijn Walden, een verblijf aan de plas kenmerkt zich door eenvoud en soberheid, dat was altijd al zo.

Vijftig jaar geleden was er geen elektriciteit, ik viel ’s avonds in slaap bij het ruisende geluid van de gasverlichting. Er was ook geen stromend water; water kwam uit de pomp en achter het huisje stond nóg een huisje met daarin een houten bank met een gat, eronder stond een ton. Eén keer per week kwam de ‘poepboer’, zoals wij kinderen hem noemden, die ton legen. Het was een boer uit het dorp, altijd een stompje bolknak in de mondhoek, met paard en wagen. Achter de wagen hing een giertank, daar werden de tonnen in geleegd. Het overige afval gooide hij op de wagen.

Ik kan me niet herinneren dat er ooit plastic tussen het afval zat. Dat was er nog niet als verpakkingsmateriaal, het lukte prima zonder. Ik vond die ton ook niet vies, het was gewoon zo. En ik kan me niet herinneren dat het stonk.

Die boer gooide al dat afval eerst op zijn mestvaalt of composthoop, daarna reed hij het uit over zijn land. Circulair was een woord dat nog uitgevonden moest worden, maar dat was het. We zijn vergeten dat alles circulair was voordat het grote verbreken begon. Nu circuleert alleen het geld, lijkt het wel.

Inmiddels hebben alle huisjes aan de plas elektriciteit, stromend water en een watercloset. De poep wordt niet meer met de hand opgehaald maar met (drink)water weggespoeld en ergens verderop in een zuiveringsinstallatie gescheiden in vaste stof en afvalwater. Dat gebeurt door een soort multispecies van micro-organismen in een biotechnologisch complex. Superinteressant. Ik ben als middelbare scholier eens een paar dagen naar TNO in Delft geweest waar ze onderzoek deden naar die afvalwaterzuivering. Het is een soort voortzetting van de vertering, met andere middelen, buiten het lichaam.

Doordat water de rol van paard en wagen heeft overgenomen is er niet alleen een veel grotere afvalstroom, de samenstelling is ook nog eens totaal veranderd. Nogal wat mensen blijken hun toilet als afvalbak te gebruiken.

In Londen, dat nog voor een groot deel het oorspronkelijke uit baksteen opgetrokken rioleringsstelsel heeft – waar je rechtop doorheen kunt lopen –, worden met enige regelmaat enorme fatbergs uit de ondergrondse knooppunten verwijderd. Ze bestaan uit gestold (frituur)vet, vochtige doekjes, luiers en meer. In februari 2020, zegt The Guardian, haalden ze er een klont uit zo groot als een kleine bungalow – wat ik een wonderlijke omschrijving vind. Alsof je erin zou willen wonen.

Volkstuinen aan de Kooiweg, oktober 2021

Je eigen boontjes dop je met een moestuin

Tot het midden van de negentiende eeuw is het heel normaal om met je eigen poep en plas je land te bemesten. Een natuurlijke kringloop. Daarna komt de riolering en verdwijnen onze uitwerpselen uit beeld.

De overtuiging dat menselijke ontlasting weer het land op moet voor de voedselproductie, om daarmee het land terug te geven dat we hebben genomen, ken ik uit de tijd van de opkomst van De Kleine Aarde. Maar al eerder is er beweging op dit front, in Duitsland bijvoorbeeld, meteen na de Eerste Wereldoorlog.

Tuinarchitect Leberecht Migge, uit de kring rond het Bauhaus, ziet de tuin als een voortzetting en een onlosmakelijk deel van het huis. Zijn ideale tuin bestaat uit een soort buitenkamer, om te ontspannen, en een moestuin. Hiermee kan ieder mens in zijn of haar eigen levensonderhoud voorzien. Je verbouwt zelf voedsel en de moestuin bemest je met je uitwerpselen, uit het composttoilet.

Dat composttoilet, een ‘droog’ toilet waarin je poep en plas gescheiden bewaart, waarna je het van tijd tot tijd naar de composthoop brengt, bestaat nog steeds. Het is onder meer populair in het ‘tiny’ wonen. Migge zou er vast enthousiast over zijn, helemaal als dat tiny house wordt gecombineerd met een moestuin.

Het lijkt verdorie wel het L.A.S.T.-house (Living Apart Sharing Together), dat ik in 2017 met Haiko Meijer van Onix en Dennis Moet van GIDZ bedacht voor de BouwEXPO Tiny Housing in Almere! L.A.S.T.-house is een kubushuis (6 x 6 x 6 meter) waar een stukje (3 x 3 x 3 meter) uitgeschoven is, en weer met het grote huis verbonden is door een kas.

De kleine eenpersoonskubus gebruikt het toilet, de douche, het warmwatervat, de wasmachine en de berging uit de grote tweepersoonskubus. Ook de technische installatie wordt gedeeld: zonnecollectoren, regenwatersysteem en afvalwaterzuivering. De kas levert voedsel en energie, en is een wintertuin en een terras; het is een ontmoetingsplaats. Het geheel zoekt naar ontmoeting, verbinding, autarkie, circulariteit.

Klinkt goed toch? Helaas, het schijnt dat je beter in een goed geïsoleerd appartement kunt gaan wonen. Ook in het wonen is het individualisme een minder bruikbaar principe: we moeten elkaar juist opzoeken, samenhang bouwen. Ontmoeting is ook verbinding.

L.A.S.T.-house (2016) // Dennis Moet (GIDZ) en Onix NL 

Migge ontwerpt ook een aantal grote stadsparken, waarin hij steevast een landschappelijk, recreatief deel combineert met een volkstuinencomplex. In het groot is dat wat hij bij het woonhuis ook al deed. Het is boeiend en nog altijd relevant.

In Wilhelmshafen is zo’n park nog vrijwel intact, ik wil erheen en zal er verslag van doen, want ook in Groningen moeten we zuinig zijn op de bestaande volkstuincomplexen en er meer aanleggen; ik wil graag een volkstuin in de stad. Jij toch ook? Je eigen biologische groenten kweken! Ben je meteen van het plastic om de komkommers af.

En dan thuis een composttoilet? Daar ben ik nog niet uit. Misschien is het beter de volkstuinen ermee uit te rusten, dan is het meteen waar het wezen wil.

Het nut van de aalscholver

Guano is een inheems woord uit het Andesgebied, het duidt op elke vorm van mest die voor landbouw gebruikt wordt. Wij kennen het als een woord voor vogelmest, vooral uit Peru en Chili. Daar werden enorme mestpakketten aangetroffen aan de kust, recht onder kolonies van vogels als jan-van-genten, meeuwen en, jawel: aalscholvers.

In Europa is halverwege de negentiende eeuw grote behoefte aan meststoffen. De veestapel is nog klein en bemest vooral de eigen graslanden; dieren lopen nog gewoon buiten. Kringlopen, dat is wat ze doen. De meeste wierden, ónze mestpakketten, zijn al afgegraven: het is goede compost voor op het land. Je ziet overal in het Groninger land dat wierden alleen nog op hoogte zijn waar huizen staan. De rest is weg, verkocht.

Wetenschapper Alexander von Humboldt neemt in 1804 van zijn reis naar Zuid-Amerika enkele guanomonsters uit Peru mee naar Europa. Hij heeft er ter plekke mee geëxperimenteerd en weet al dat het een goede meststof is. Vijftig jaar later is de plundering van de guano-eilanden big business. Er worden oorlogen om gevoerd.

Guano is een natuurlijke grondstof, bijna gratis, de natuur is toch immers onuitputtelijk? Je kunt het kinderen laten wegscheppen. Het wordt een groot succes: na pakweg vijftien jaar zijn de meeste voorraden uitgeput en de meeste vogelkolonies verleden tijd. Van geen enkel nut meer. Vooruitgang. Kapitalisme. Roofbouw.

Het eind van de poep is het begin van de shit

Justus von Liebig ontdekt rond 1850 dat planten kunnen groeien zonder aarde. Ze hebben genoeg aan water als daar in voldoende mate een aantal mineralen in zijn opgelost, met nitraat als belangrijkste. Nitraten spelen dus ook een rol in de volle grond, maar hoe precies is dan nog onduidelijk. (Later wordt aangetoond dat micro-organismen, aanwezig in de bodem én in symbiose samenlevend met planten, de actoren zijn bij het vastleggen van atmosferische stikstof in aarde.)

Rond 1910 wordt een procedé gevonden om langs industriële weg ammonia (NH3), grondstof voor nitraten, te maken. Het is een energievretend proces, toepassing in de landbouw lijkt nog een brug te ver. Nitraten worden echter ook in explosieven gebruikt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog gaat Duitsland, bang voor een grondstoffenboycot, over tot de synthetische aanmaak van ammonia en nitraten. De andere oorlogvoerende partijen volgen.

Aan het eind van de oorlog is een gigantische industriële infrastructuur gebouwd die gemakkelijk overschakelt op de productie van kunstmest. De industrialisatie van de oorlogsvoering levert zo de matrix voor de industrialisatie van de voedselvoorziening en de landbouw. Daar komen de tractor, afgeleid van de eerste tanks, en de eerste pesticiden, afgeleid van gifgassen, nog bij.

De kunstmest maakt het aanvankelijk mogelijk veel hogere opbrengsten van het land te halen. Per hectare neemt de productiviteit enorm toe. Er komt zoveel graan op de markt en de prijs wordt zo laag dat het als veevoer gebruikt kan worden. Het vee komt op stal te staan en eet nu graan.

Graan als voer voor dieren dus. Voor koeien, varkens, meer koeien en varkens, voor kippen, veel te veel koeien, varkens, kippen, schapen en geiten. Ze produceren grote hoeveelheden poep en plas en de ammonia die daarbij ontstaat gaat de lucht in en valt als regen in de natuurgebieden in de buurt. In de jaren 80 heet dat zure regen, het leidt tot enorme sterfte in bossen.

Stikstof is een detail van een groter probleem

Kunstmest: nog zoiets. Daarmee maak je de aarde overbodig – degradeer je haar tot een dode drager waar alle leven en fut uit is omdat er voortdurend geploegd, gespoten en verbouwd wordt. Die aarde wordt geen rust en regeneratie meer gegund.

Normaliter zorgt het bodemleven, die micro-organismen, voor de voedingsstoffen die gewassen nodig hebben. Maar de industriële landbouw heeft geen respect en tijd voor dit soort processen: kunstmest zorgt voor goedkoop voedsel ten koste van vruchtbare grond. Die grond bevat geen organische stof meer, houdt niks meer vast. Een deel van de kunstmest (en van die grond) spoelt met (regen)water van het land af, de sloot in, en komt in grond- en oppervlaktewater terecht.

Er ontstaat een teveel aan nitraten, open water groeit dicht doordat het veel te veel voedingstoffen bevat. Nitraten komen via grond- en oppervlaktewater in ons drinkwater terecht en moeten daar weer uitgehaald worden. Een kostbaar proces.

Ammoniak regent neer op natuurgebieden, dat zijn die postzegels in het landschap, vaak van oorsprong juist voedselarme gronden, waar nog een heel klein beetje biodiversiteit wordt toegestaan. Veel plantensoorten, die niet van nitraten houden, verdwijnen daardoor. Maar dan verdwijnen de diersoorten die met die planten opgroeien ook. En daardoor verdwijnen weer andere planten en dieren – alles is met iets anders verbonden.

Die hele industriële agromachine dreigt nu tot stilstand te komen. Want er kan op het land geen stikstof meer bij zonder dat er natuur verdwijnt (we vergeten voor het gemak even dat dit de hele tijd al aan de gang is, die landbouw is ook natuur, wij zijn natuur. Onze natuur is ook gemaakt door het kapitalisme, dat is niet op te sluiten achter een hek in een postzegel. Maar daar hebben we niet over, want dan stort het hele kaartenhuis nog eerder in elkaar – laten we het alsjeblieft alleen over stikstof hebben.).

Het leidt tot een soort van stikstof-boekhouden; als we die boer uitkopen kunnen we daar weer een paar woningen bouwen. Dweilen met de kraan open, dat is het. Het water blijft ons aan de lippen staan terwijl die stikstof natuurlijk voor iets veel groters staat, en om dat aan te pakken moet veel meer gebeuren dan het gerommel in de marge van nu. Gerommel met als nieuwste ontwikkeling de totaal belachelijke ontdekking dat kalveren zindelijk kunnen worden gemaakt, zodat ze ergens anders plassen dan poepen, waarmee de ammoniakvorming wordt verminderd.

Ik wil die zindelijke biefstuk helemaal niet. Ik wil helemaal geen biefstuk meer.

Bouwen veroorzaakt ook stikstofoverlast, in de vorm van stikstofoxides die uit de uitlaten van op diesel gestookte machines komen, en in de vorm van stikstof die vrijkomt bij het winnen, vervaardigen en storten van cement en beton. Kijk naar (het gros van) de bouw, hoe het allemaal in elkaar gelijmd en aan elkaar gekit wordt en je ziet dat het niets met duurzaamheid te maken heeft. Alles in zo’n bouwwerk zit vast, net als het systeem erachter.

Doodlopende weg, probeer om te keren <<.

Vlas

Ik ben onderweg naar Ee, bij Dokkum. Gisteren kreeg ik een gps-locatie door waar vandaag om 10 uur vlas wordt ingezaaid. Ik ga daar foto’s van maken: één op afstand, één van de mannen die vanaf de heup inzaaien en een van hun handen met daarin het vlaszaad.

De streekbus brengt je tot bij dat veld naast het dorp, maar ik ga met de trein naar Buitenpost en vandaar verder per fiets. Het is guur en het miezert af en toe wat. Bij Kollumerzwaag staat een opgeblazen Sarah in een voortuin. Daarom fiets ik dus, de bijvangst is vaak net zo leuk als het doel van de reis.

Ik ben ruim op tijd ter plekke en de zon is gaan schijnen, de akker ligt er mooi bij. Bernard Hamers loopt niet op klompen, met een zaaibak onder de arm, maar rijdt in een grote trekker. Voorop zit de zaadbak, daar ligt een verbazend kleine hoeveelheid fluweelbruin vlaszaad in. Het valt straks gedoseerd uit de bak in een luchtslang en wordt dan helemaal naar de andere kant van de trekker geblazen, waar die zaadjes door een woud van kleinere slangen de zaaimachine worden ingeloodst om stuk voor stuk op regelmatige afstanden in de vers getrokken voren te vallen, waar de machine ze ook nog eens met wat aarde toedekt.

Bernard Hamers – zijn achternaam staat op een kentekenachtig bord boven aan de cabine van zijn trekker – begint met inzaaien, dat is met een halfuurtje gepiept, denkt hij. Dit is overigens de eerste keer dat hij vlas inzaait. Meteen nadat hij begonnen is, stopt hij en stapt hij uit om in de voren te kijken of hij daar de zaadjes terugvindt. Dat is het geval. Nu gaat hij verder.

Als ik het landje verlaat, stapt bij de oprit net een oudere man de akker op: pet, zonnebril, blauwe overall. ‘Vlas?’, vraagt hij. Een kenner. Als Bernard terugkomt van de eerste twee banen stapt hij uit en beginnen ze samen in de voren naar de zaadjes te speuren. Hun handen strelen de grond. ‘De grond is mooi drachtig’, zegt de man met het petje.

Drachtig? ‘Ja, wij hebben die rijke taal, hè? Drachtig betekent dat de grond mooi vochtig is, er klaar voor is. En kijk, hier heb je het zaad ook al.’ Zwangere grond, die leven geeft.

Ik moet denken aan het boek Landmarks van Robert McFarlane, waarin hij door het Engelse platteland wandelt, op zoek naar de woorden die de gebruikers van dat land er ooit aan gaven. Hij stelt dat met het verdwijnen van de taal waarmee we over het landschap spreken ook dat landschap zelf verdwijnt. Uiteindelijk staan we met de mond vol tanden als het over de kwaliteit van dat landschap gaat. Terwijl we meer dan ooit om drachtige grond verlegen zitten.

De mannen praten zacht door over vlas en er passeren nog veel meer woorden die ik nooit eerder hoorde. Ze spreken vlas. Over een paar maanden wordt het geoogst. Het is een experiment, er wordt onderzocht of je vlas onderdeel kunt maken van een lokale circulaire keten, of een kringloop rond dat vlas ontworpen kan worden. Het lukt vast, want vroeger lukte het hier ook.

Een andere weg inslaan

Het kapitalisme predikt niet alleen oneindige groei (terwijl je toch op je klompen aanvoelt dat dat onmogelijk is), het predikt ook oneindige vooruitgang. Morgen wordt het beter dan vandaag (terwijl je toch op je klompen aanvoelt dat dat niet meer vanzelf spreekt). De keerzijde van die vooruitgangsmythe is dat terugkijken zinloos is: gisteren was alles slechter en gedane zaken nemen geen keer (terwijl je toch op je klompen aanvoelt dat het ook wel eens anders kan zijn.) En het gedraagt zich als het enig mogelijke systeem, het laat andere geluiden liever niet aan het woord. Maar als je je hier nu eens niks van aantrekt, ontdek je dat er al heel lang betere manieren zijn om landbouw te bedrijven.

Biologisch-dynamisch boeren is zo’n voorbeeld van gisteren dat de toekomst heeft. Regeneratieve landbouw neemt de aarde als uitgangspunt. De regeneratieve boer weet dat je zonder gezonde grond en bodemleven niet kunt blijven boeren, dat het bij die grond begint en je daar altijd weer op uitkomt.

Permacultuur, ecolandbouw, voedselbossen, strokenbouw – er zijn en komen steeds meer alternatieven voor de monoculturen, de grootschaligheid, de kunstmest, de bestrijdingsmiddelen. Wat al die alternatieven gemeen hebben is dat ze onderkennen dat grond een levend iets is, een assemblage zo je wilt, van zand, verschillende planten(resten), bacteriën, schimmels, torren, kevers, aaltjes, spinnetjes, water, zuren, gassen, sporenelementen – de lijst is nooit af. Tegelijkertijd moeten we juist van die lijsten af, omdat ze geen recht doen aan wat er gaande is.

De bodem is geen klok die je uit elkaar kunt halen om alle onderdelen te beschrijven en daarna weer in elkaar kunt zetten. Zoiets veronderstelt dat het een statische toestand is in die bodem, dat het mechanisch is. Niets is minder waar, dat bodemleven lijkt meer op het fenomeen tijd dan op een klok. Diversiteit aan soorten zorgt voor een diversiteit en overvloed aan functies binnen het systeem dat zo’n bodem(ecologie) is. Diversiteit zorgt ervoor dat alle basisfuncties vervuld worden – voedselproductie, bodemkwaliteit, plaag- en ziektebestrijding en -beheersing, en meer – en overvloed verzekert tegen tegenvallers. Veel soorten kennen verschillende samenwerkingsverbanden, waardoor het geheel tegen een stootje kan. Het kan meebewegen.

Een voorbeeld? De Three Sisters: mais, bonen en pompoen. Ze worden al meer dan vijfduizend jaar met succes gezamenlijk geteeld in Zuid-Amerika. Het is een stapje in de richting van het samenspel dat het leven typeert. Trek je het uit elkaar, dan gaat het spel verloren; als het Amazonebos straks geveld is krijgen we het niet meer terug. Vooruitgang, groot schip gaat voor klein schip, kijk niet om.

Ik realiseerde me pas onlangs dat veel van onze zogenaamde ‘kamerplanten’ uit het tropisch regenwoud afkomstig zijn. Dáár zijn ze een schakeltje in een complex geheel van elkaar wederzijds mogelijk maken, hier komen ze als individu, als eenling in een pot op de vensterbank te staan. Absurd.

Ik heb mijn werkplek vorig jaar vol gezet met een twintigtal van die planten, elk in hun eigen pot; kunnen ze niet veel beter bij elkaar in een grote bak? Gezellig voor die planten en vast beter voor de aarde waarin ze staan. Buiten, in de berm bijvoorbeeld, staan planten toch ook niet soort bij soort? Ze staan in gemengde groepen, verschillende soorten die samenleven, samenwerken; plantengemeenschappen. Net als in het regenwoud, al is het systeem nergens zo complex als daar.

Ondergronds speelt zich iets vergelijkbaars af; ook hier vind je een complex geheel van elkaar mogelijk makende organismen en processen, die stuk voor stuk zonder elkaar minder voor elkaar krijgen. Misschien moeten we het idee van survival of the fittest en onderlinge concurrentie wel vervangen voor een denken dat veel meer uitgaat van het overleven van die complexiteit, van dat samenwerken en samenleven. Daarbij gaat het helemaal niet meer om het individuele organisme, maar om systemen waarin wederzijdse zorg en opoffering een belangrijke rol spelen. Waarin organismen elkáár mogelijk maken.

Misschien was Darwin in zijn tijd veel te veel beïnvloed door het economisch denken dat toen opgeld deed en was wat hij meende te zien in de ‘natuur’ juist cultureel bepaald. Wij hebben sterk de neiging onze waarden op de natuur te projecteren en ze er vervolgens weer uit te lezen, en dat dan als de ultieme rechtvaardiging van die waarden te presenteren: kijk, in de natuur gaat het net zoals bij ons mensen. Ook circulair, maar dan anders: een cirkelredenering.

De aandacht begint te verschuiven van de individuele soort naar het ecosysteem waarin die soort een schakeltje is, van de spelers naar het spel, naar de processen die ze mogelijk maken en die, omgekeerd, een voorwaarde zijn voor hun bestaan. Het gaat niet om de dingen, maar om hun onderlinge relaties en dat door die relaties de dingen worden wat ze zijn. Het een gaat niet aan het ander vooraf, het is een simultaan wórden, een in de wisselwerking ontstaan van ‘ding’ en ‘proces’ (we verzinnen er nog wel nieuwe woorden voor). Een ‘worden’ zonder eindpunt.

Deze zienswijze levert nieuwe en relevante kennis op. Zoals het inzicht of de hypothese dat het in de evolutie wellicht eerder om het overleven van succesvolle samenwerkingsverbanden – relaties dus – gaat, dan om individuele soorten.

Aan het eind van de wereld een paddestoel

Voordat Anna Tsing in het boek The Mushroom at the End of the World haar beschrijving van de wereld rond de matsutake-paddestoel begint, schetst ze het grotere plaatje: de wereld waarbinnen haar analyse geen plaats heeft of krijgt. Om te overleven hebben wij mensen hulp nodig, stelt ze terecht, hulp van niet-mensen. Terwijl de belangrijkste wetenschappen van nu, economie en populatiegenetica, uitgaan van survival als het nastreven van individueel belang. Beide framen ze de mens als een onafhankelijke individuele actor, eropuit om persoonlijke belangen te maximaliseren.

Onafhankelijke individuen ‘verliezen’ zichzelf niet in ontmoetingen (met niet-mensen). Ze gebruiken die niet-mensen, maar blijven er zelf onveranderd onder. Alleen met die redenatie is het idee van onafhankelijkheid immers vol te houden. En het gaat nog verder: een ‘standaard’ individu staat voor allen als een eenheid van analyse, zo wordt het mogelijk kennis te organiseren via logica alleen; wiskundige operaties (met data als uitkomst) nemen de plek van natuurlijke historie en etnografie in. Een zeer aantrekkelijke maar dodelijke simplificatie, die zelf vaak buiten beeld blijft.

Tsing stelt dat overleven altijd de hulp of assistentie van anderen, menselijk en niet-menselijk, impliceert en dat die samenwerking ons en die anderen verandert. Dáár, in die verandering, vindt plaats wat van belang is. Je vindt het niet in de beslissingen van onafhankelijk opererende individuen. Haar onderzoek ondersteunt dat op overtuigende wijze.

Ook Tsing speelt de taal parten, en ze worstelt ermee om onder woorden te brengen waar het haar om gaat. Neem een soortnaam; handig als je een bepaald organisme wilt introduceren, maar die naam omvat niet het specifieke van juist dit organisme hier voor mijn neus, of z’n plek binnen vaak zeer snelle veranderingen. Een matsutake in Oregon is niet hetzelfde als een matsutake in Japan. Hetzelfde bezwaar kleeft voor haar aan het hanteren van etnische namen; ze verhullen vaak meer dan dat ze duidelijk maken wat de rol van déze groep mensen (uit Cambodja, Vietnam) op déze plek in dít proces is.

Dat opdelen van de natuur in soorten en de suggestie dat soorten ‘op zichzelf staan’, ‘onafhankelijk’ zijn, dat ze hun ‘eigen’ niche hebben, slaat de plank behoorlijk mis. Het veronachtzaamt dat soort en niche eigenlijk helemaal niet zo scherp van elkaar zijn te onderscheiden, eerder coproducent van elkaar zijn; er ligt niet een ‘niche’ klaar, te wachten om door een ‘soort’ ingenomen te worden, er is ook geen ‘soort’ klaar, zoekend naar de juiste context. Nee, ze veroorzaken of maken elkaar gelijktijdig!

En dan nog is het ingewikkelder, die soort, als eiland, als te isoleren iets – zo werkt het niet! Eerder nog zijn er alle verbanden, alle onderlinge relaties. We zetten de tijd stil om de klok uit elkaar te kunnen halen, terwijl het niet om die klok gaat! In de wereld gaat het niet om de dingen, het gaat om de beweging, het gaat om het spel en niet om de knikkers.

Dit geldt ook voor ons, de mens. Waar we ons maar al te graag boven de rest plaatsen, is dat definitief niet vol te houden – we zijn altijd onderdeel van een groter geheel, we bestaan uit relaties met andere organismen (sterker nog, we bestaan voor 80 procent uit andere organismen). Er is geen boven of onder, er is alleen naast, door, in, met

Ik schreef het al eerder, aan de ene kant voel ik ‘me’ oplossen richting ‘natuur’. Ik zie me oplossen in dat web van onderlinge relaties, afhankelijkheden, samenwerkingen, symbiose – en aan de andere kant zie ik me oplossen richting ‘cultuur’, in de technische protheses waaraan we steeds meer uitbesteden.

In de eerste ontwikkeling past het verhaal over bomen die met elkaar communiceren via de ondergrondse schimmelnetwerken, waardoor ze onderling verbonden zijn. Vreemd? Het zou pas echt vreemd zijn als ze niet met elkaar in contact zouden staan. Maar we zijn zo gewend in geïsoleerde individuen te denken dat zo’n verbinding vreemd lijkt. We hebben ze te lang monddood gemaakt.

(Het is overigens vreemd hoe we steeds maar weer onze menselijke categorieën op andere organismen plakken. In de trailer van de film Hidden Life of Trees hoor ik dat jonge boompjes door hun moederboom ‘gezoogd’ worden. En al is het beeldspraak, mij lopen de rillingen over de rug. Naast het zoogdier nu ook de zoogplánt? Kunnen we dan een niet-menselijk wezen alleen begrijpen in menselijke termen?)

Inmiddels is duidelijk geworden dat het schimmels zijn geweest die het mogelijk hebben gemaakt dat planten op een gegeven moment in de evolutie het land op zijn gegaan. In hun eentje konden die planten dat niet; er was domweg nog geen grond waar ze in zouden kunnen wortelen, de aarde was een steenvlakte. Het zijn schimmels die in staat zijn een rots te splijten. Ze scheiden zuren en andere stoffen uit die de steen eroderen, zo komen de mineralen in oplosbare vorm vrij, ook de mineralen die planten nodig hebben en zelf niet kunnen maken. Aangenomen wordt dat planten en schimmels vanaf dit prille begin samen optrekken, en dat doen ze nog steeds.

De schimmel ís het netwerk

Veel planten kunnen best zonder schimmels leven, maar dan doen ze het veel minder goed dan mét. De haarwortels van de meeste bomen worden omhuld door een laagje schimmelweefsel, zo groeien ze samen op door de ondergrond. Een schimmel is vaak verbonden met meerdere bomen; er zijn schimmels bekend die zich in en over de bodem van een enorm bos uitstrekken – en dan heb ik het over één organisme!

Stel je voor dat je lichaam daar is waar jij ooit geweest bent, zo is het voor die schimmel. Hij/zij/het is de materialisatie van verbinding, het is een levend netwerk, een verbin-ding. Wat zich tussen de spelers bevindt is zelf een van de spelers. Het spel speelt ook tussen de gewassen op het veld, de schimmels en de andere bodemorganismen. Samen zorgen ze voor een humusrijke bodem met samenhang, die in staat is vocht langere tijd vast te houden. Maar niet als kunstmest en zware landbouwmachines de dienst uitmaken.

Korstmos is een menigte

Toen de inwoners van Canada in maart 2020 de vraag kregen hun nationale korstmos te kiezen (het werd het rendiermos), noemde de verslaggever in Trouw het een ‘heel vreemd organisme dat niet goed in de bestaande ecologische hokjes past’.

Zo vreemd is dit organisme nou ook weer niet, tenzij je alleen in termen van afzonderlijke soorten denkt. Een korstmos is een verregaande vorm van samenleven tussen een schimmel en een bacterie of alg, een symbiose tussen die twee. Uit recent onderzoek blijkt dat het vaak uit nog meer spelers bestaat, meer organismen, leidend tot een nieuwe ‘soort’. Ik vond het juist een uitstekende keuze, omdat het duidelijk maakt dat de wereld heel anders in elkaar steekt dan we op het eerste gezicht geneigd zijn te denken. Die ecologische hokjesgeest heeft ons tot nu toe niet veel zinvol handelingsperspectief gebracht. ‘Samen’ kunnen korstmossen leven op plekken waar ze het zonder de ander niet zouden redden.

150 jaar geleden beschreef hun ontdekker korstmos als een combinatie van een parasitaire schimmel met een slaaf-alg. Dat veroorzaakte minder opschudding dan de gevolgen die zijn ontdekking voor taxonomisten had, maar het leidde ook tot een nieuw woord om deze levensvorm te beschrijven: het woord symbiose, vrij van bovenstaande vooroordelen ten aanzien van de relatie tussen beide organismen.

Korstmos zette een knop om. Sindsdien worden steeds meer voorbeelden van symbiose gevonden, met aan het ene uiterste van de schaal de parasiet in een gastheer en aan het andere uiterste organismen die allebei evenveel van het samenleven genieten.

Doosjes van Pandora

Toen wetenschappers jaren geleden een vlindersoort op een Fins eilandje uitzetten omdat ze wilden bestuderen hoe die zich op dat eiland zou verspreiden, wisten ze niet dat ze niet één maar minstens vier nieuwe soorten op het eiland introduceerden. In sommige exemplaren van de rups van deze vlinder leefden namelijk larven van een parasitaire wesp.

Als zo’n geïnfecteerde rups zich verpopt komen na verloop van tijd, in plaats van die vlinder, wespen uit de pop. Om het nog complexer te maken kunnen in de larven van die wesp weer larven van nog een ander soort wesp leven. Dit is een nog kleinere en zeldzamere parasiet, een zogenaamde ‘hyperparasiet’. Deze doodt zijn gastheer zo ongeveer op het moment dat die op zijn beurt de pop van de vlinder doodt.

En dan is er nog die vierde soort, een bacterie die in die eerste wesp voorkomt en haar gevoeliger maakt voor die tweede wesp. Er is vast ook nog een doosje niet opengemaakt…

Geïnspireerd door het artikel over het Canadese korstmos ben ik eens beter gaan kijken naar de korstmossen in mijn omgeving. Zo stond ik op een zondagmiddag in Beijum met mijn neus op de schors van een aantal lindebomen.

Eenmaal gefotografeerd kon ik ze nog beter bekijken en zo ontdekte ik dat naast die korstmossen, die er een beetje als buitenaardse nederzettingen uitzien, ook nog eens minuscuul kleine paddestoelen op de stam van sommige bomen zaten. Niet groter dan een paar millimeter en toch helemaal compleet. Dat ik dit nog nooit eerder had gezien verbaasde me nog wel het meest. (Wat is er nog meer aan mijn aandacht ontsnapt? Mij overviel het gevoel dat ik niks van mijn eigen omgeving weet omdat ik niet kijk, en dat is een pijnlijke constatering voor iemand die zich fotograaf noemt en ooit ook nog eens biologie heeft gestudeerd.)

Ik ging meteen overal op zoek naar andere exemplaren, maar je vindt ze niet zo gemakkelijk. Sterker, een paar weken later vind ik ze op die eerste vindplaats ook niet meer. Ik heb alleen nog een fotootje…

Terug naar Anna Tsing. Zij begint haar verhaal in de bossen van Oregon. Bosbeheerders en -eigenaars zijn daar veertig of vijftig jaar geleden gezamenlijk uitgekomen op een vorm van bosbeheer met als voornaamste doel het tegen elke prijs voorkomen van bosbranden. Naar later bleek betekende dat het uitsterven van de Ponderosa-dennen, die zeer gewild waren om hun hout en op grote schaal uit deze bossen werden geoogst.

De zaadkegels van deze dennen barsten open bij… inderdaad, zeer hoge temperaturen. Temperaturen die ontstaan bij een bosbrand. En omdat precies dat werd tegengegaan kwam de soort nauwelijks terug op de kapvlaktes.

Van de inheemse bevolking is bekend (en vergeten) dat zij de bossen heel regelmatig gecontroleerd afbrandden. Zo hielden ze niet alleen een parkachtig bos in stand (wat de kolonisten in Yosemite voor natuur aanzagen, was in feite door de inheemse bevolking in cultuur gebracht bos), maar bleven ze ook de Ponderosa-den de ruimte geven. Het parkachtige bos bood voldoende ruimte voor herten, waarop gejaagd werd, en voor bessenstruiken, waarvan geoogst werd.

Door de bomen het bos weer zien

In Oregon veranderde het bos blijvend door dit brandpreventie-beheer. Wat er nu groeit is een gemengd bos met hier en daar wat Ponderosa, sparren en andere dennen. Het is niet meer de moeite waard er hout uit te halen, de bossen worden aan hun lot overgelaten. Het zijn ecologische postkapitalistische ruïnes. De roof heeft plaatsgevonden en nu heeft het bos geen nut meer voor ons.

Of toch? In dit soort bos groeit een paddestoel: matsutake. Zeer geliefd in Japan, waar hij ook in dit soort bosruïnes voorkomt. Tsing ontmoet in Oregon mensen uit Laos, Vietnam, Cambodja. Oorlogsveteranen en hippies, allemaal houden ze zich bezig met het zoeken van matsutake. Ze brengt minutieus in kaart waar al die verschillende mensen, al die etnisch verschillende groepen, vandaan komen en wat ze hier brengt. En hoe ze allemaal op eigen wijze in het bos in ‘vrijheid’ naar matsutake zoeken. En, belangrijk, ze kijkt voorbij elke ‘eerste’ typering: zo vormen bijvoorbeeld de uit Vietnam afkomstige mensen geen homogene groep en blijkt het om mensen met heel verschillende achtergronden te gaan.

Vervolgens onderzoekt ze hoe de oogst via ‘kopers’, ‘bulkers’ en ‘exporteurs’ verandert van de trofee die het is voor de plukker in de koopwaar die het wordt voor de tussenhandel. En uiteindelijk in de kostbare ‘gift’ die het voor de afnemer in Japan is: een zorgvuldig gesorteerde en verpakte kostbaarheid die vriendschapsrelaties sterker maakt. Maar ze onderzoekt ook hoe deze bossen verworden zijn tot wat ze nu zijn, en hoe de matsutake juist in dit soort bossen kan gedijen.

De manier waarop Tsing, wars van welke hokjesgeest dan ook, op onderzoek uitgaat is heel verfrissend. In haar manier van onderzoeken ligt de nadruk juist op het zoeken; het is die zoekende kwaliteit in alles wat ze ontdekt wat dit boek zo fascinerend maakt.

Nog even terug naar dat brandpreventie-beheer: dit heeft niet eens het gewenste resultaat gehad. De opwarming van de aarde haalt het genadeloos onderuit, alleen zijn de zomertemperaturen in bijvoorbeeld Californië nu zo hoog en de bossen zo droog, dat het vuur van de bosbranden allesverzengend heet is. Ook de Ponderosa-zaadkegels overleven zo’n brand niet.

Een vriend uit Colorado stuurde me onlangs foto’s van een bos waar zeven jaar geleden een enorme brand heeft gewoed; het ziet eruit alsof die brand gísteren plaatsvond. Er is helemaal geen sprake van herstel, daarvoor was het te droog in de zomers die volgden. Vorig jaar is bij de grote branden in Californië 10 procent van de eeuwenoude reuzensequoia’s verloren gegaan. In dit tempo zijn ze over tien, twintig jaar uitgestorven.

Black Forest, Colorado, sectie 16 // 17 augustus 2020, zeven jaar na de brand

Plaatsgebonden kennis

Als uit het onderzoek van Tsing iets duidelijk wordt, is het dat generalisaties dodelijk zijn en nooit recht kunnen doen aan wat er werkelijk gaande is. Je moet juist heel gedetailleerd kijken en doorvragen, boven tafel halen wat specifiek is aan elke situatie waar je tegenaan loopt. Bij Tsing is de rode draad dat het altijd ter plekke begint en dat de verschillende plekken zich niet gemakkelijk onder één noemer laten brengen zonder dat iets essentieels verloren gaat. Het algemene kan helpen om het specifieke beter te begrijpen, maar het kan daar nooit volledig recht aan doen.

Het begrip assemblage keert steeds terug in Tsings betoog. Een multispecies, zoals een bos, is zo’n assemblage. Alles bestaat uit meer spelers dan je op het eerste gezicht meent te zien, en het is het spel dat je duidelijk scherp moet zien te krijgen. Het is voorbij de spelers leren kijken.

Wetenschappelijke kennis is óók lokaal bepaald. Wetenschap tracht misschien algemeen geldige uitspraken te doen, maar doet daarbij geen recht aan het superspecifieke, het superlokale – het algemene moet altijd terugvertaald worden naar dat lokale. Dat blijft de basis van de kennis over deze plek hier. Wetenschappelijke kennis ontsluit het lokale voor verder kennen, zoiets. Tsing laat dat overtuigend zien. Het matsutake onderzoek in Japan bijvoorbeeld leidt tot heel andere kennis dan onderzoek op andere plekken in de wereld.

Tsing beoefent het hele boek lang het zoeken als methode. Het goed kijken, het onder het oppervlak turen, het je zintuigen goed de kost geven; haar onderzoeksmethode sluit zo naadloos aan op die van de paddestoelenzoekers. Ook zij zijn zeer alert op het plaatselijke in hun zoeken naar matsutake.

Eerder schreef ik over Voorland Groningen, en hoe in dat boek de grote, abstracte kwesties van nu, zoals de klimaatcrisis en het verlies van biodiversiteit, concreet aanwijsbaar worden in het Groninger landschap. Tsing bewandelt de omgekeerde weg; uitgaand van zeer landschapsgebonden ontdekkingen komt ze tot verrassende inzichten op het gebied van grote kwesties.

Ik vind het heel aangenaam en verhelderend dat Tsing de rol van het kapitaal in alles wat ze onderzoekt beslist niet buiten beschouwing laat: als die niet wordt meegenomen in het aanpakken van diezelfde grote kwesties, hoeven we er niet aan te beginnen. Haar onderzoek licht een tipje van de sluier op als het gaat om hoe het leven er na het kapitalisme uit zou kunnen zien.

Het kan ook zijn dat ik het zo lees, bedenk ik me nu.

Afsluitende oefening 1: boomstamonderzoek

Neem bij voorkeur mee: een loep (10x)

1. Is het een heldere dag? Zo ja, door naar stap 2

2. Maak een wandeling en neem iemand mee. Een blokje om, maar dan wel een flink blokje, van pak ‘m beet een half uur

3. Bekijk de stam van elke boom die je onderweg tegenkomt goed. (Gebruik hierbij de loep)

4. Wat zie je? Kijk, voel, ruik. Vergelijk ook de noordkant van de stam met de zuidkant; wat valt je op?

5. Doe dit voor meerdere bomen: zie je verschillen tussen bomen? Welke?

6. Welke boom is je favoriet? Waarom?(Onthoud waar deze zich bevindt, voor een volgende oefening)

7.Herhaal de wandeling een paar keer, telkens met een ander als metgezel

Afsluitende oefening 2: een dag als schimmel

1. Aan het eind van de dag: neem de tijd en stel je voor dat je lichaam alle plekken omvat waar je vandaag bent geweest

2. Schets of omschrijf je lichaam

3. Wat deed je op al die verschillende plekken? Heb je er mensen of niet-mensen ontmoet? Ben je met hen verbonden? In welke zin, op welke manier?

***

Het boek van Anna Tsing verscheen inmiddels ook in Nederlandse vertaling bij uitgeverij Octavo: De paddenstoel aan het einde van de wereld.

Meer over korstmos en veel meer over de schimmel in Entangled World van Merlin Sheldrake, in Nederlandse vertaling: Verweven leven.

When Modern was Green – Life and Work of Landscape Architect Leberecht Migge, door David H. Haney, verscheen in 2010 bij Rizzoli. Ik las het uit de Universiteitsbieb.