Boekrecensie // Het recht van de snelste

4 november 2020 Door Leestijd: 5 minuten

Hoe komt het dat de auto zo’n bepalende rol heeft in onze openbare ruimte? En op welke wijze is die ogenschijnlijk normale dominantie ontstaan? Mark Sekuur recenseerde voor GRAS het boek Het recht van de snelste.

Van wie is de straat?

Groningen Fietsstad. Het is een van de motto’s (of is het een credo?) van de gemeente Groningen. Dat Groningen een aantrekkelijke fietsstad is, daar zijn de meeste mensen het wel over eens, hoewel het gevaar dat we aan het succes ten onder gaan op de loer ligt.

Die aantrekkelijkheid is niet zomaar ontstaan. Er gaan tal van moedige besluiten uit het verleden aan vooraf. Eén daarvan is het befaamde Verkeerscirculatieplan, waarbij in 1977 de binnenstad autoluw(er) werd gemaakt. Maar ook recentere ingrepen zoals de herinrichting van de Brugstraat dragen bij aan de vooruitgang in leefbaarheid.

Hoewel de goede intenties in de binnenstad te prijzen zijn, is het contrast met de omliggende wijken groot; buiten het stadscentrum lijkt Groningen op elke andere stad. De auto bepaalt het straatbeeld.

De prachtige Oosterparkwijk wordt ontsierd door geparkeerd blik en in de omgeving van basisscholen moet het overgrote deel van de (fietsende en wandelende) mensen zich voegen naar de relatief kleine groep autorijdende ouders. Tussen het Stadsbalkon en het Verbindingskanaal vormt de vierbaans Stationsweg een ronkende barrière.

Natuurlijk kan het nog extremer. Zo lijkt Rotterdam gebouwd te zijn om doorheen te rijden.

Hoe komt het dat de auto zo’n bepalende rol heeft in onze openbare ruimte? En op welke wijze is die ogenschijnlijk normale dominantie ontstaan? Op deze vragen geeft het boek Het recht van de snelste antwoord.

Autologica

Het recht van de snelste is geschreven door Thalia Verkade, met Marco te Brömmelstroet als co-auteur. Verkade is journalist bij De Correspondent, Te Brömmelstroet hoogleraar Toekomsten van de Stedelijke Mobiliteit aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van het Urban Cycling Institute. Het boek is het resultaat van Verkade’s zoektocht naar een verklaring voor waarom de publieke ruimte is ingericht zoals ze is ingericht.

De inrichting van onze leefomgeving, met daarin een prominente rol voor de auto, is voor het gros van de mensen de gewoonste zaak van de wereld. 'Autologica heeft ons denken gemonopoliseerd', zegt Verkade. Ze stelt die belangrijke positie vervolgens flink ter discussie, onder andere door de transformatie van publieke ruimte naar verkeersruimte langs een tijdlijn te behandelen. De grote belangen van de auto-industrie (zoals die van Ford tijdens het Marshallplan, waarmee de auto vliegensvlug dominant werd in Nederland) komen daarbij ook aan bod.

Folkingestraat, 1968 en 2020 // (Foto 1968: Fotobedrijf Piet Boonstra, beeldbank Groninger Archieven)
Klik op de afbeelding om te schuiven tussen oud en nieuw

De menselijke maat uit het oog verloren

Verkade laat zich verwonderen over de vaak technocratische aanpak in de wereld van de verkeersruimten. De inrichting ervan is lange tijd het domein geweest van verkeerskundigen en ingenieurs, waarbij de menselijke maat uit het oog werd verloren. Het is één van de thema’s waartegen Verkade in dit boek flink ageert.

Met diverse levendige en beeldende voorbeelden maakt de auteur de ontwikkeling van de verkeersruimte concreet. Allerhande concepten en experimenten passeren de revue, van het fenomeen shared spaces (dat we ook in Groningen kennen) tot de Rotterdamse frietzak, waarbij de opstelstrook bij het fietsverkeerslicht wordt verbreed en voorbij het verkeerslicht weer smaller wordt. Verkade besteedt meermaals op verfrissend kritische wijze aandacht aan de onlogische ingrepen die we plegen. Ze noemt in dat kader ‘het zwarte gat van filebestrijding’, met de fundamentele filewet die stelt dat voor elke procent extra asfalt er een extra procent verkeer bij komt.

Voor wie is de ruimte?

Een onderwerp dat als rode draad door het boek loopt zijn schoolomgevingen. Op de plek waar we onze kinderen veilig naar school willen brengen, maken de ontwerprichtlijnen voor auto’s de dienst uit. Verkade stelt de terechte vraag of de schoolomgeving een ruimte moet zijn waar kinderen veilig kunnen spelen en bewegen, en waar de automobilist zich aanpast, of juist een plek waar het kind zich continu moet aanpassen aan de automobilist. Het antwoord lijkt voor de hand te liggen, maar Verkade en Te Brömmelstroet constateren dat er in het ruimtelijk domein te weinig over deze verschillende benaderingen wordt nagedacht.

Wat voor schoolomgevingen geldt, gaat ook op voor de straten waar we wonen. Onze versie van The American Dream, met een glimmende bolide voor de deur (die het gros van de tijd stilstaat) zorgt ervoor dat het overgrote deel van onze straten is ingericht als verkeersruimte. Met een aangrenzende parkeerstrook en een klein stukje verblijfsruimte.

Verkade stelt meermaals de retorische vraag of dat niet anders zou moeten, maar constateert ook dat het gesprek aangaan over hoe precies lastig is. Eén automobilist kan een hele straat domineren. De opkomst van het concept van pop-up-leefstraten, onder andere uitgevoerd in Gent, Amsterdam en Utrecht, kan helpen om de discussie op een constructievere manier te voeren.

Vismarkt, 1974 en 2020 (Foto 1974: M.A. Douma, beeldbank Groninger Archieven)
Klik op de afbeelding om te schuiven tussen oud en nieuw

Integraal denken en samenwerken

Het recht van de snelste is prettig leesbaar, ook al is meermaals sprake van een te snelle vereenvoudiging van de materie. Op een aantal punten zou het boek genuanceerder en analytischer mogen zijn, vooral in de laatste hoofstukken die gaan over het appverbod op de fiets en de berichtgeving in de media rondom verkeersongelukken.

De belangrijkste boodschap die het boek uitdraagt is het continu ter sprake blijven stellen van een vraagstuk of probleem. En steeds te kijken of het ook op een meer sociale manier opgelost kan worden dan je in eerste instantie bedacht had. Dat vergt echter integraal denken en samenwerken. En vooral op dat vlak is nog veel winst te behalen, vooral bij kleinere, weinig slagkrachtige gemeentes met een karig ambtelijk apparaat, en waar de veelal ingehuurde ingenieursbureaus die weinig belang hebben bij de sociaal meest wenselijke oplossing de dienst uitmaken.

Dit boek zou voor elke wethouder op de verplichte leeslijst moeten staan.

***