2 juli 2021 Leestijd: 6 minuten

Zomertip: ga niet naar Ibiza, maar herontdek de wereld die je al dacht te kennen.

Foto's: Peter de Kan

Iedere week duik ik samen met de dolfijnman in de gracht aan het Hoge der A. Eerlijkheidshalve duiken we alleen als zijn vrouw niet toekijkt, ze is bang dat we een fietswrak raken. Maar fietswrakken zijn er niet, het water is hartstikke schoon.

In het populaire gedachtegoed over grachten zijn het vieze riolen. Tik de woorden ‘grachten’, ‘afval’ en ‘jaren 70’ in Google en de plastic rivieren trekken aan je voorbij. Sinds die tijd is de waterkwaliteit echter sterk verbeterd. Vooral omdat de woonboten tegenwoordig gewoon op het riool zijn aangesloten.

Afgelopen zaterdag stond ik druipend op de kade toen er een man op ons afkwam die vroeg wat we in hemelsnaam aan het doen waren. We haalden onze schouders op, het was toch volkomen duidelijk wat we deden? De vraag kwam niet voort uit oprechte interesse, hij wilde ons gewoon de les lezen. ’Dit hoort niet, hier is een gracht niet voor bedoeld.’ Voordat ik kon antwoorden liep de man hoofdschuddend weg, zijn keffende hondje achter zich aan trekkend. Tot voor kort sprak hij anderen aan op het niet dragen van mondkapjes, nu zijn de coronamaatregelen versoepeld en heeft hij godzijdank iets nieuws gevonden om mensen terecht te kunnen wijzen.

Toch bleef zijn opmerking rondzingen in mijn hoofd. De gracht is niet bedoeld om in te zwemmen. Maar waarom eigenlijk niet? Omdat het niet zo hoort. Maar wat wel en niet zo hoort verandert nogal eens, door de jaren heen. Kijk naar de jongens en meisjes die tegenwoordig suppend aan de kade voorbijtrekken. Dat was vast ook niet voorzien toen de Drentsche Aa honderden jaren geleden in z’n stenen korset werd gehesen.

De gracht is van ons allemaal, en zeker niet alleen van de booteigenaren met wie ik weleens ruzie heb gehad over de kleur van mijn badmuts. Maar om antwoord te geven op de vraag waarom ik in de gracht zwem, kan ik in ieder geval zeggen dat het voor ons geen sport is. Toch trainen we ergens voor, en ik zal proberen uit te leggen wat dat dan is.

Meer dan driehonderd jaar geleden formuleerde René Descartes zijn beroemde stelling ‘ik denk, dus ik ben’. Met denken bedoelde hij twijfelen, hij was in zijn hoofd vrij om aan alles te twijfelen, ook aan het geloof. Hoewel hij in eerste instantie als baanbrekend en radicaal werd gezien, sloot Descartes met zijn ideeën in feite uitstekend aan op de dogma’s van religie. Net als Descartes stelt het christendom namelijk de geest boven het lichaam. De geest, daar draait het om, de geest kan het lichaam knechten. Descartes zag in dat lichaam slechts een voorgeprogrammeerde machine en zo redeneerde hij ook over de natuur.

Die tweedeling tussen lichaam en geest wordt in de filosofie, het zal je niet verbazen, dualisme genoemd. En dat dualisme is extreem belangrijk geweest in het westerse denken. Het heeft de denkende mens ook vanuit wetenschappelijk oogpunt boven de natuur geplaatst. Die natuur kon immers niet denken en daarmee was ze meedogenloos uit te buiten.

Ik denk dat ik met het zwemmen in de gracht een andere levenshouding wil uitstralen, eentje die tegen het rationalisme en dualisme van Descartes ingaat. Het is misschien niet helemaal rationeel om in de gracht te springen, maar aan de andere kant levert het wel een interessant perspectief op. Als je de trapjes langs de kade gaat zien als zwembadtrapjes wordt de gracht een groot zwembad met verschillende zijvleugels. En we sporten dus niet, maar trainen ons lichaam, om zodoende in gesprek te raken met de Drentsche Aa. Door te zwemmen staan we niet langer boven het water, maar benaderen we de Aa op haar eigen terrein.

Nu hoor ik je denken: dit valt in de categorie bomen knuffelen. En dat is misschien ook wel zo, maar ik heb tegenwoordig een stuk minder problemen met dat soort zaken dan pakweg twintig jaar geleden. Ik lach er weliswaar nog steeds om, zoals ik ook om het zwemmen in de gracht lach – dat lijkt me ook een gezonde houding, want zonder zelfrelativering zijn we nergens. Maar onder de lach zit wel degelijk een serieus aspect.

Bomen knuffelen is misschien helemaal niet zo gek, als je bedenkt dat bomen natuurlijk een hoop voor ons doen. Zuurstof maken en schaduw geven, om maar eens wat te noemen. Daar mag je een boom af en toe best een knuffel voor geven. En of dat nou wel of niet zo hoort, daar zou ik me weinig van aantrekken.

Misschien is het zelfs heel gezond om bij tijd en wijle van de gebaande paden af te gaan en iets te doen wat niet zo hoort. Het is in elk geval een goede manier om andere verbindingen in je hersenen te kweken, sluipweggetjes en zijpaden, die leiden tot nieuwe inzichten over de wereld waarin we leven.

Je creatief misdragen is ook goed om allerlei andere redenen. We moeten voorkomen dat het publiek domein alleen nog draait om regelgeving, iets wat je tijdens de coronapandemie zag gebeuren. Nu is de tijd aangebroken om weer te gaan experimenteren en opnieuw uit te zoeken waar openbare ruimte om draait. En dat betekent ook dat we weer de grenzen op gaan zoeken.

Als zomertip wil ik iedereen dan ook oproepen om niet alleen uit de ban te springen qua drugs- en drankgebruik, maar ook qua ruimtegebruik. Word bermtoerist en ga te voet op ontdekkingsreis naar het Prins Clausplein bij Den Haag, op die manier snap je beter wat een snelweg is: een wereld gedomineerd door de auto. Beklim gebouwen, zodat je met je lichaam voelt wat architectuur is, in plaats van het alleen te bekijken met je ogen of je te analyseren met je verstand. Zoek een boom uit in het Stadspark en blijf er minstens een uur in zitten.

Waarom? Omdat het kan, en omdat je dan wellicht op nieuwe gedachten komt. We staan niet boven de dingen, zoals Descartes stelt, maar we leven ermee samen.

Bovenal wil ik iedereen van harte uitnodigen om mee te doen met zwembeweging Ode aan de Aa. Kom dus zaterdagochtend naar het Hoge der A en duik met de dolfijnman en mijzelf in de gracht – natuurlijk alleen als zijn vrouw niet toekijkt. Anders gebruiken we een van de zwemtrappetjes. Die zijn weliswaar vaak ingepikt door booteigenaren, maar daar trekken wij ons niets van aan. Tot dan!

***

Van deze column sprak Bram een verkorte versie uit in de talkshow Talk of the Town.