3 juni 2021 Leestijd: 34 minuten

Als je blik gefixeerd blijft op de stad, is het platteland wat je achter je laat.

Engelbert, 1989 // Foto: Peter de Kan

Disclaimer: Deze tekst is te lang om gelezen te worden. Daarmee is hij verwant aan het grasland aan de rand van de stad; ook dat wordt door niemand gezien.

Tussenland Engelbert

Ergens halverwege Hoogezand en Groningen, aan de Engelberter plas, kom ik al mijn hele leven. Mijn grootouders hadden er een zomerhuisje dat in de familie gebleven is. Zo totaal als Hoogezand en de stad veranderd zijn, zo onveranderd is dat plekje aan die plas. Dat wil zeggen, zo zit het in mijn hoofd.

Ik herinner me hoe ik als klein kind het ‘bos’ achter de huisjes (in werkelijkheid niet meer dan een forse groenstrook met bomen) beleefde. Daarachter lag de ‘wildernis’ (een klein ruig gebiedje direct achter dat bos), waar we hutten bouwden, bramen plukten en in wespennesten stapten; een wereld die uit enkel natuur leek te bestaan.

Met oom Henk, de buurman, zwommen we de plas over of gingen we mee op jacht naar de tweede en derde plas, allebei richting Westerbroek gelegen. Op 28 augustus keken we met opa en oma vanuit het bos richting Stad en zagen daar, heel klein aan de horizon, het vuurwerk van Bommen Berend uiteenspatten. Daarna pakte oma het beddengoed en de keukenspullen in de auto en gingen we weer naar huis; de zomer was voorbij.

Op zekere zomer lag er ineens een enorme zandbak achter de wildernis. Een brede strook geel zand kwam uit het niets en ging verder richting Westerbroek, dwars door de tweede plas! We hebben met emmers nog vis uit de tweede naar de eerste plas overgezet. De rest van de vakantie speelden we veel in dat gele zand. De zomer erna niet meer: de zandbak was een snelweg geworden.

Alles went, die snelweg hoor ik alleen maar als iemand me op het constante geruis wijst. Het is een regelmatig geluid, ik kan het blijkbaar wegdrukken en denk er geen last van te hebben.

Er veranderde meer in Engelbert; de huisjes aan de plas kregen elektriciteit, de gaslampen werden van de wand en het plafond geschroefd. Nooit hoorde ik meer dat geruststellende ruisen van de gasverlichting, nooit meer het omstandig vervangen van het kwetsbare gloeikousje dat het hart van zo’n lamp was. De waterleiding was al eerder aangelegd, net als riolering.

Nu zijn er huisjes waarin ’s avonds grote tv-schermen blauw oplichten, eigenlijk zijn ze te groot voor het huisje. Ik doe daar niet aan mee, voor mij is de soberheid een van de kwaliteiten van de plek. De Tour de France is mijn hele leven al iets dat zich voornamelijk in een transistorradiootje afspeelt.

Het uitzicht over de plas is al die tijd hetzelfde gebleven – en ook weer niet; langs de weg staan lantaarnpalen, het nachtelijk duister is daarmee deels verdwenen.

 Engelbert, 2020 // Foto: Peter de Kan

In het dorp verdwenen de slager, de bakker, de kruidenier. Vanaf 1975 reed ik vaak vanuit de stad over Roodehaan naar de plas, daar heb ik Euvelgunne zien verdwijnen onder dozen op zichtlocaties (zicht op lelijkheid) langs de ringweg, op het smalle strookje van laatste boer Thies Dijkhuis na.

Ten noorden van Engelbert krijgt Meerstad na een trage start ineens veel sneller vorm. Het is nu de bedoeling dat het met de stad verbonden raakt: een nieuw stadsdeel zal Middelbert opslokken en inlijven. Als ik nu niet in actie ga komen, wanneer dan wel?

De gemeente ‘onderzoekt’ waar in het buitengebied het beste windmolens geplaatst kunnen worden. Het lijkt er sterk op dat ze in Roodehaan komen te staan, op een strook land parallel aan die snelweg naar Hoogezand. In die plannen – voorlopige plannen, er is nog niks beslist, wordt me steeds verteld – staat zo’n megamolen vlak achter de wildernis (waarvan een gedeelte inmiddels is geasfalteerd, de snelweg had een ventweg nodig). Ze schijnen een constante lage bromtoon te veroorzaken, die grote molens.

Nu denk je misschien: wat een oudemannenverhaal en vroeger was alles natuurlijk beter. En nu gaat hij zeker dwarsliggen. Maar of en hoe ik ga dwarsliggen weet ik nog niet. Ik lees me eerst in. Over Stad en Ommeland, over stedelijke gebieden en het platteland, over wat het onderscheid nog waard is.

 

 

Een beetje uitzoomen: Voorland Groningen

De auteurs van het boek Voorland Groningen willen laten zien hoe je aan het platteland van Groningen kunt aflezen dat we tegen de grenzen van ons ecosysteem aanlopen. Dat wordt letterlijk gedaan; het landschap wordt lopend onderzocht en jij kunt dat als lezer ook doen.

Bij het boek hoort een app waarin je vier verschillende wandelingen vindt. Elke wandeling hoort bij een deel van het boek, zo kun je letterlijk in de voetsporen van de schrijvers stappen. Marten Minkema (die stem! VPRO vrijdag!) beschrijft de wandelingen, Christian Ernsten schrijft hoofdstukken waarin hij in gesprek gaat met een gast, steeds een expert op een bepaald terrein.

Het boek heeft een heldere structuur, dat is een grote kwaliteit. Ik zal dit illustreren aan de hand van de inhoudsopgave. Die heb ik tot een landschap gerangschikt, waarna meteen een ritme opvalt: de wandelingen worden afgewisseld door de meer beschouwende hoofdstukken.

Voorland Groningen: inhoudsopgave als landschap

De verschillende ritmes in het boek zijn heel goed, het zijn de ritmes van het land. Ik moet meteen denken aan de dorpen die als een parelketting op de kwelderwal liggen, de stationnetjes aan de spoorlijn naar Roodeschool, de boerenerven als eilanden in een zee van ruimte.

Die afwisseling is niet willekeurig. De wandelingen drukken je met de neus op het landschap, terwijl de hoofdstukken van Christian Ernsten juist uitzoomen. Zo wisselen we steeds van perspectief en afstand. Het is ook een afwisseling tussen het abstracte van opwarming, biodiversiteitsverlies, gaswinning, energieopwekking en dataficering, en hoe dat tijdens de wandeling door het landschap heel concreet wordt. De beelden van Dirk-Jan Visser in het hart van het boek maken het nog concreter.

En er zijn meer niveaus. Ook de satelliet kijkt mee, beelden daarvan vind je aan de binnenkant van het omslag terug. En er zijn de passanten die tijdens de wandelingen van Minkema voorbijkomen met een portret en een quote - zo komen ook wij even oog in oog te staan met hen.

Het boek heeft nog meer ritmes. Er zijn de prachtige illustraties van Senne Trip, die de vier thema’s markeren en er zijn die foto’s in het hart van het boek. Daar worden kleurrijke, aflopende beelden van het landschap afgewisseld met wit omkaderde zwart-witbeelden van de actoren in dat landschap. Het is een haast muzikaal ritme van landschap, algenboerin, vleermuis, veredelaar, landschap, boer met koe, hazen, mens, landschap, mottenteller, slak, struweelplanters, landschap, mythische koe, habitat, hertenkalf, struweel, landschap…

En o ja, dat beeld, dat uitgestelde beeld (want in het ontwerp van Erik Wong zijn beeld en tekst uit elkaar gehouden, in de teksten ‘zien’ we die passanten alleen). Het werkt heel goed, het beeldgedeelte is als een landschap waar ik doorheen wandel. Ik herken de beelden waar ik al over gelezen heb en straks in het tweede tekstgedeelte zal ik af en toe terugbladeren en blijkt dat vleermuizenhotel veel groter dan de foto deed vermoeden! Als je het boek hebt gelezen zijn alle beelden uit het hart van het boek inmiddels ook in de tekst voorbijgekomen.

Heel sterk is dat het landschap het uitgangspunt, de onderlegger is. Het ter plekke zijn is voelbaar van belang. En het is steeds in gesprek met dat landschap en haar bewoners dat onderzocht wordt wat we zien, waar we zijn, waar het heen zou kunnen gaan. Het boek verbindt zich met jou, door de toon, de schrijfstijl, door de app en de wandelingen die je daarin vindt. Oh, en er is ook nog een reeks podcasts!

Voorland Groningen is een hele goede terreinverkenning.

Hornhuizen, 2018 // Foto van Dirk-Jan Visser in Voorland Groningen

Begin aan het eind: dit boek is een landschap

Helemaal achterin het boek vind ik het hoofdstuk ‘Wandelen in het Antropoceen’: had het boek hier niet beter mee kunnen beginnen? In het hoofdstuk worden verschillende manieren van wandelen aangestipt, het voelt een beetje als mosterd na de maaltijd. Het is in het klein waar ik in het boek ook in het groot tegenaan loop: het gevoel van ‘Ja! En nu?’

Ik mis het handelingsperspectief. Wandelen is stap één – en dan? Blijven we dan samen oplopen? ‘Aanvaarding, bescheidenheid en nieuwsgierigheid, zodat we kunnen samenleven.’ Deze laatste zin vat het treffend samen, maar ik vind het ook vrijblijvend. Ik mis bovendien in de opsomming van wandelvormen het wandelen zoals in dit boek gebezigd: het wandelen als onderzoeksmethode: een mix van het verbindende, spoorzoekende, verwonderde, bevragende, ontdekkende en sfeer metende wandelen.

Natuurlijk heb ik makkelijk praten, maar ik was het boek begonnen met het eind: ‘Om te beginnen staan we stil bij de noodzaak van een nieuwe manier van wandelen.’ Dat was een goede eerste zin geweest! Maar in het boek is het een van de laatste. Vervolgens kun je uitwerken wat die nieuwe manier is. Want nu blijft dat, te midden van al het concrete, toch nog te abstract.

We wandelen door, naar het voorwoord:

‘In dit boek lezen de auteurs in woord en beeld de tekens in het land van een tijd die gaat komen. (…) Het is geen voorspellen, het is een andere manier van kijken. (…) Groningen is een voorland waar je kunt zien hoe we tegen de grenzen van ons ecosysteem aanlopen. (…) Nieuwe wensen en ideeën voor en beelden van het Groninger landschap zijn alleen beangstigend als je gelooft dat je de tijd kan stopzetten en het landschap bevriezen - terwijl je beter wat kan meegeven.’

Eh, ho eens, meegeven? Aanvaarden? Het kan toch ook zo zijn dat je een heel andere toekomst voor ogen hebt?

Wat je niet in het landschap terugziet zijn de dromen van nu. Van vannacht, van ooit, nog niet zo lang geleden, van vóór de ruilkaveling. De toekomstdromen, de idealen die ook richtinggevend zijn voor het handelen van veel van de actoren in dat landschap. Wat je wel in het landschap terugziet is de nachtmerrie van schaalvergroting, verschraling, verraaigrassing, van monoculturen als woestijnen, van zonneparken die plekken voor nieuwe bossen inpikken en zo vol worden gezet dat er niks meer wil.

Als klimaatmaatregelen nemen inhoudt dat we net zoveel energie blijven gebruiken als nu en dat die energie straks allemaal uit windmolens en zonneparken moet komen, dan houden we de opwarming misschien staande, maar is er van ons ecosysteem niets meer over. Dan schaffen we onder het mom van ‘het klimaat regelen’ de biodiversiteit en het landschap af. Dat lijkt me niet de bedoeling.

Lezen als een vorm van lopen

Het tweede hoofdstuk van Voorland Groningen is een wandeling langs zout en zoet – en het werkt! Minkema schrijft je nabij omdat hij schrijft vanuit nabijheid. Het verhaal ontstaat tegelijk met de wandeling, loopt met de wandelaar of lezer mee. Die manier is erg effectief, al moet ik toegeven dat ik persoonlijk het gebied ken. Maar ik denk dat het andersom ook werkt: je kijkt anders naar dit landschap na het lezen van dit boek.

Het landschap komt tot leven. Duidelijk wordt hoe alles met iets anders samenhangt, verbonden is. Het landschap wordt leesbaar. Dit hoofdstuk is heel informatief en een verademing vergeleken met de opgeklopte marketingteksten over ditzelfde gebied in de gangbare gidsjes.

Ineke Noordhoff zet het in deze wandeling op scherp: ‘Ze verbouwen hier mooi voedsel maar dat biedt geen werk voor het dorp. Er is bijna geen ruimte voor wilde dieren, het land zakt terwijl de zee stijgt, dus er zijn allemaal randvoorwaarden niet in orde. Zo zal het niet blijven. Maar hoe wordt het dan wel? Dat is het spannende en verwarrende van deze tijd.’

Het hoofdstuk ‘Nieuwe wierden’ is meer theoretisch; een introductie van en toelichting bij het Antropoceen als geologische tijdsperiode. ‘We hebben het over veranderingen die in menselijke termen heel langzaam gaan. We hebben het ook over enorme natuurkrachten die niet zijn tegen te houden, waar je je alleen maar aan kunt onderwerpen. Het idee van de term Antropoceen is dat de mens, de antropos, nu ook een dergelijke kracht is geworden. Dat is de kwinkslag in de nieuwe naam voor de huidige periode.’

Ik vind de beschrijving van het Antropoceen opvallend neutraal – onschuldig bijna. Waarom? Om het behapbaar te maken?

Het Antropoceen (Capitaloceen?! Cthulhuceen?!) wijkt af van eerdere geologische periodes doordat de (welke?) mens de allesoverheersende kracht is geworden en door de snelheid waarmee dat al het andere bedreigt. Mission accomplished, zou je kunnen zeggen, de overheersing van de natuur is compleet – wij zitten eindelijk als enige aan de knoppen!

Maar we zitten ook op ramkoers en kunnen alleen maar bijsturen als we inzien dat we niet boven maar in de natuur staan, zelf ook natuur zijn – een lockdown met intelligent handelingsperspectief, zoiets. Met Descartes zijn we de tweedeling natuur/cultuur gaan gebruiken en de tweedeling lichaam/geest. De volgende natuur tegenover de handelende mens. Daar moeten we nu aan voorbij en doorheen – maar hoe? Een stap terug zou al een begin zijn, door anderen, niet-mensen, aan het woord te laten, te luisteren, naar de zee…

Engelbert, 2003 // Foto: Peter de Kan

Verderop in het boek, bijvoorbeeld in het hoofdstuk ‘Natuur als algoritme’, wordt hier trouwens op teruggekomen. Dit is een heel prikkelend hoofdstuk dat inzoomt op de aanleg van een vleermuizenhotel op de plek waar Google zijn datacenter heeft neergezet. Het vleermuizenverblijf kostte 40 duizend euro, dat datahotel 2 miljard. Daarmee is 0,00002 procent van de bouwsom in de natuur geïnvesteerd. En wat moeten die zes vleermuizen met dat hotel?

Ook het hoofdstuk over AgTech is heel prikkelend. Precisielandbouw is landbouw waarbij je heel goed monitort, tot op het niveau van de individuele plant. Zoals Google jou en mij volgt, zeg maar. Maar de verrassing is dat hierdoor kleinschalige landbouw weer rendabel zou kunnen worden.  Ik begin meteen mee te denken. De grotere schaal zou je coöperatief kunnen regelen, volgens mij. Bovendien zouden Nederlandse boeren kennis kunnen uitwisselen met geëmigreerde boeren die dit al doen.

Je moet trouwens wel uitkijken met wie je wandelt: in de Eemshaven komt Minkema vooral pr-mensen tegen en dat bepaalt voor een deel de hosannastemming die uit deze wandeling opstijgt.

Nog een vraag van mij: Is economische groei de enig mogelijke vorm van groei en/of kan het ook zonder? En: Waar is het politieke aspect van het verhaal? Ik mis het.

Voorland Groningen roept meer vragen op dan het beantwoordt. En dat is misschien precies waar we zijn.

Al die tweedelingen: stad/platteland, cultuur/natuur, mens/al het andere, individu/omgeving, om er een paar te noemen; wat moeten we er nog mee als we uiteindelijk niet meer kunnen negeren dat alles met alles verbonden is? Bioloog en filosoof Donna Haraway zegt het beter: niets is met alles verbonden en ieder iets is met iets anders verbonden.

Het deconstructivisme heeft mij geleerd dat er in zo’n tweedeling altijd iets onderdrukt wordt. Zoals het kapitalisme de natuur ziet als een onuitputtelijke hulpbron (en daar past de ‘ontdekking’ van grote delen van de aarde naadloos in), zo ziet de stad het platteland. Daar worden de problemen van de stad opgelost: het ommeland was eerst bijna onzichtbaar de energieleverancier van Nederland, nu verandert het in rap tempo in een meer lokaal energielandschap. Daar zit immers de ruimte die de stad niet meer heeft, is de redenering.

Nee dus! Die zonneparken kunnen veel beter op de daken van de steden. Het platteland is de weg van de minste weerstand. Daar past de schandalige afhandeling van de bevingsschade ook naadloos in.

Inzoomen doe je door op zoek te gaan naar het specifieke van de plek, de genius loci, als je wilt. Uitzoomen doe je vervolgens niet door te kijken naar algemeenheden, die doen geen recht aan de plaatselijke verschillen, daar schiet je weinig tot niks mee op. Nee, uitzoomen doe je door op zoek te gaan naar grotere verbanden, afhankelijkheden, verbindingen, mogelijke synergie, samenhang, samenwerking, samen… – op zoek naar het grotere met behoud van het specifieke, zoiets.

Engelbert, 2004 // Foto: Peter de Kan

 

 

Verder uitzoomen: De toekomst van Nederland

De toekomst van Nederland is een inspirerend, want hoopgevend, boek van rijksbouwmeester Floris Alkemade. Een scherpe analyse van de uitdagingen waar we voor staan en een gloedvol pleidooi voor het ontwerpvermogen van de architect. Vanuit de overtuiging dat het verhaal de wereld vormt in plaats van dat de wereld het verhaal dicteert. Dankzij onze verbeeldingskracht houden we altijd een keuze.

Alkemade stelt dat het onderscheid tussen stad en platteland geen hanteerbaar model meer is, daarvoor acht hij de grenzen te diffuus geworden. Met als uitgangspunt 45 minuten, de gemiddelde reisduur van woon-werkverkeer, tekent zich een nieuw Nederlands midden af, polynucleair, vergelijkbaar met Londen en Parijs maar met een lage dichtheid en niet aaneengesloten stedelijk. De kwaliteit van de nog open tussengebieden noemt hij cruciaal, daar zit de broodnodige levenskwaliteit, die moet niet weggebouwd worden.

Twee derde van het BNP wordt buiten de Grote Vier en hun ommeland verdiend. De landbouw maakt zo’n 2 procent van het BNP uit: het platteland is hard bezig als motor van innovatie op het gebied van voedselproductie en energietransitie. En dat niet alleen, het antwoord op veel van de vragen waarvoor we staan zal hier, in de buitengebieden, gevonden worden.

Het is dus zaak deze gebieden open te houden. Daarom pleit Alkemade voor de emancipatie van de (stedelijke!) periferie. Niet langer tabula rasa spelen in het buitengebied (de MEER-dorpen!) maar voortbouwen in de tabula scripta, de al bebouwde ruimte, met name de buitenwijken van de steden (Driebond!).

De toekomst van Nederland en Voorland Groningen: het is een goede tandem, ze vullen elkaar aan. Waar de een dreigt te aanvaarden, laat de ander zien dat we altijd een andere weg kunnen inslaan. Alkemade toont de onderlinge verbondenheid van de op ons afkomende rampspoed, Minkema, Ernsten en Visser maken ze concreet in het landschap zichtbaar.

De rijksbouwmeester sluit helder af, ik vat hem even samen:

1. Laat bij alles geen spoor van vervuiling, uitputting en verwoesting achter.

2. Versterk bij alles de veerkracht van ecosystemen en natuurlijke landschappen.

3. Neem afscheid van het idee dat roofbouw een aanvaardbaar verdienmodel is.

4. Verdicht de bestaande stad, blijf van het open buitengebied af.

5. Werk in alles aan solidariteit met medemens, -dier, -plant en -materie.

 

 

Vanuit drone en satelliet gezien: Countryside: a report

Rem Koolhaas noemt het platteland (of the countryside) in de ‘catalogus’  Countryside: a report (een zakboekje bij de tentoonstelling Countryside, the Future in het Guggenheim in New York) een genegeerd gebied. En dat terwijl stad en platteland de afgelopen eeuw prioriteit hadden; hun dialectiek definieerde de betekenis van beiden. Nu is die dialectiek er niet meer en ontberen we een definitie.

Ik denk zelf dat het platteland altijd al een eigen definitie ontbeert, zie de voorbeelden die ik heb opgezocht. Van Dale definieerde het 150 jaar geleden al als ‘niet-stad’, ‘buiten-de-stad’. Een definitie die geheel voorbijgaat aan de essentie van het te definiëren onderwerp kan nauwelijks een definitie genoemd worden.

Countryside: a report wil een (eerste) rode draad in het platteland ontdekken in een ‘transhistorische, interculturele aanpak’. Het is geen polemiek tegen de stad, het verzamelt wereldwijd voorbeelden uit alle (?) ideologieën en continenten, in een poging een samengesteld beeld van de huidige staat van het platteland te vormen.

Koolhaas is in het boekje op zoek naar nieuwe wegen: nieuwe manieren van herinneren, ontdekken, handelen, bezitten, verhuren, zaaien, planten, bewerken, oogsten… wars van de stad. En, eindigt de inleiding van het boekje: ‘…misschien maken die wegen uiteindelijk mogelijk dat we niet allemaal op een kluitje ongelukkig eindigen in steden, dat we een gebied kunnen blijven ervaren dat we hebben genegeerd tot ons – en haar – ongeluk, een basis om van daar uit de wereld te verbeteren.’

Engelbert, 2008 // Foto: Peter de Kan

Ook dit boek sluit aan bij Voorland Groningen. Het laatste hoofdstuk  – we gaan via de achterdeur naar binnen, dat is op het platteland heel gewoon – is een lange opsomming van vragen die bij het platteland te stellen zijn. Het onderstreept dat het daar om draait: de relevante vragen. (Het is ook een poging van de auteur het discours naar zichzelf toe te trekken, want door zo uitgebreid al die vragen op te werpen kun je later altijd zeggen dat je ze al had geagendeerd.)

En: spreken van een genegeerd gebied maakt de invalshoek meteen duidelijk. Hier is het de stedeling die zijn oog laat vallen op het platteland.

De achteringang brengt je ook snel bij een van de leukste essays uit Countryside: a report, dat van Lenora Ditzler over pixel farming. In Voorland Groningen wordt dit met 'precisielandbouw' aangeduid. Dit is Vrolijke Wetenschap in optima forma! Ze schrijft op een zeer aanstekelijke manier over haar onderzoek aan de Universiteit van Wageningen naar deze nieuwe vorm van landbouw. Die ligt ergens halverwege tussen anarchie en minutieuze planning in. Een aantal aan elkaar gewaagde gewassen wordt willekeurig door elkaar geplant in een fijnmazig grid van, in haar geval, 50 x 50 centimeter. Dat is de ruimte die het grootste gewas, een koolplant, nodig heeft.

Precisielandbouw of pixel farming is een oprechte poging de monocultuur te doorbreken. Het vraagt wel om een totaal andere manier van denken en vooral om andere apparaten. Want in plaats van onze landbouw aan te passen aan waar gewassen behoefte aan hebben, hebben we haar in verregaande mate aangepast aan wat de apparaten kunnen. De landbouwpraktijk wordt gedicteerd door de techniek die ervoor ontwikkeld is.

Ditzler laat techneuten nieuwe apparaten bedenken voor haar pixelvelden, maar ze komen steeds op de al bestaande uit. De monocultuur blijkt zich ook al in het denken te hebben vastgezet. Dat is trouwens een circulair proces: die monocultuur is ooit uit het denken voortgekomen.

Wat nodig is, volgens Ditzler, is een ecofeministische landbouwrobot. Ha! En die zal veel kleiner zijn dan het gemiddelde landbouwwerktuig nu is, want het moet zich kriskras door dat pixelgrid kunnen bewegen. Bij gebrek aan zo’n robot is Ditzler het momenteel zelf en doet ze alles nog met de hand: zaaien, wieden, bemesten en oogsten. Zo lijkt wat ze doet ineens op een moestuin 2.0.

Volgens mij kan het ook zonder robot. Daarover later meer.

Een ander boeiend hoofdstuk is ‘Rif Revisited’, van de hand van Samir Bantal. De Romeinen ontwikkelden een filosofie en praktijk die ze otium noemden – om schoonheid te ervaren diende je de stad te verlaten om je terug te trekken in de natuur. Bantal schetst hoe zijn ouders een omgekeerd otium beoefenden; zij ontvluchtten van tijd tot tijd het werken op hun boerderij door naar de stad te gaan en weer terug te komen met de nieuwste mode, muziek en literatuur. Voor mij is dat een herkenbaar fenomeen.

Als middelbare scholier ging ik al met enige regelmaat naar ‘Stad’: er draaiden ‘alternatieve’ films, bij Hemmes kon je zelf naar lp’s luisteren voordat je tot koop overging en ernaast had De Groef hele goede tweedehands. Er bestond geen betere mayonaise dan bij de patat van Brander aan de Grote Markt – dat hadden we in Hoogezand allemaal niet!

Ik herinner me een avondlijke fietstocht met een schoolkameraad naar de bioscoop om La Grande Bouffe (van Marco Ferreri) te zien. En hoe we daarna vergeefs op zoek gingen naar een cafetaria die nog open was. We waren door de film zeer hongerig geworden, we hadden het vast niet goed begrepen. Dat werd een lange tocht terug naar huis.

Wat wil het platteland? Af en toe naar de stad voor het beste van de stad.

‘Ocha: African Avant Garde’ is een gesprek tussen Linda Nkatha Gichuyia en Etta Madete over de situatie in Kenia, waarin vrijwel alle relevante vragen voorbijkomen. Ze praten bijvoorbeeld over het gegeven dat het gebruiken van het platteland als tabula rasa voor ontwikkeling voorbijgaat aan het feit dat er in deze zogenaamde witte vlekken op de kaart natuurlijk al vitale ecosystemen voor mens en dier zijn.

Wat wil de stad? Het platteland opslokken, of –

Descartes scharrelt voortdurend rond in de coulissen van dit boekje. Hij duikt op wanneer het over het Amerikaanse grid gaat, de meetkundige opdeling die hielp het pas ‘ontdekte’ land te transformeren. Ik zie hem ook terug in die pixels van 50 x 50 centimeter. Wat als je die meetkundige benadering zou loslaten? Krijg je dan een voedselbos? Ik ben er benieuwd naar.

Concrete aanknopingspunten voor mijn handelen nu, vandaag en morgen? Dat biedt dit meanderende boekje niet.

Engelbert, 2010 // Foto: Peter de Kan

 

 

Opnieuw inzoomen: een wereld

Filosoof Sébastien Marot verliet het team achter de Guggenheim-tentoonstelling omdat hij het niet eens was met de (te stedelijke) invalshoek. Voor de architectuurbiënnale in Lissabon maakte hij in 2018 de expositie Taking the Country’s Side waarin hij de agency of de kracht van het platteland als uitgangspunt neemt.

Ik ben niet naar de expositie geweest, maar nu ben ik er alsnog, want ook hierbij verscheen een publicatie. Een draagbare tentoonstelling, een prachtig boekje, zo helder gestructureerd dat de expositie eruit oprijst! Wandel je in Voorland Groningen door de provincie, hier loop je al lezend door die voormalige garage in Lissabon waar de expositie gehuisvest was.

Marot schetst een helder beeld van de paradoxale situatie, tegelijk onvermijdelijk en onmogelijk, waarin we ons bevinden; de wereldbevolking zal nog groeien en die groei zal zich in steden concentreren, terwijl dat gezien de staat van de planeet onmogelijk is.

Marot verwijst naar een onderscheid dat Charles Mann maakt tussen wizards en prophets, waarbij wizards het als de taak van wetenschap, technologie en politiek zien om de planetaire grenzen aan onze ontwikkeling te overwinnen of naar de toekomst door te schuiven en prophets juist benadrukken dat we ons leven zo moeten inrichten dat het die grenzen respecteert. Zelf kiest hij expliciet de kant van de prophets.

Architectuur en landbouw ontstonden beide in het Neolithicum, toen onze voorouders genoeg kregen van het jagen en verzamelen en op één plek bleven hangen. Ik zeg het even kort door de bocht, ook dit is natuurlijk weer een wisselwerking, waarbij niet is aan te geven wat eerder kwam: dat op één plek blijven of die landbouw. Hoe dan ook, ze zijn vervolgens hopeloos uit elkaar gegroeid, een scheiding die begon met de wetenschappelijke revolutie (met z’n heerschappij over de natuur), tot uitdrukking kwam door de verspreiding van de markteconomie en heilig werd verklaard in de industriële tijd. Twee parallelle ontwikkelingen, de een richting stedelijke verstopping, de ander richting monoculturele verwoestijning.

Marot stelt dat, totdat deze twee gebieden van zorg en hun ermee samenhangende manier van leven opnieuw met elkaar verbonden worden (en in die verbinding fundamenteel worden her-dacht), er geen goede ideeën over de toekomst van architectuur en landbouw kunnen ontstaan. Hij gaat op zoek naar alternatieven voor de verwoestende mechanismen van industriële landbouw en markteconomie die onder namen als permacultuur, sociale ecologie, agrobosbouw of voedselbos vaak al lang bestaan. Deze ‘praktische wijsheid’ brengt hij als een poëzie van de rede voor het voetlicht.

Het boekje van Marot is een schatkist en een omgevallen boekenkast tegelijk. Het is niet voor niets dat ik ervoor val – ik leer al mijn hele leven vooral door op zoek te gaan in boeken (en dat af te wisselen met wandelingen, beide als een vorm van terrein verkennen). Ook Marot is een boekenwurm. In hele korte hoofdstukjes komen de historisch verweven ontwikkeling van architectuur en landbouw voorbij en elk hoofdstuk wijst op een aantal relevante boeken om in verder te wandelen. Het is allemaal studiemateriaal, ter voorbereiding op het laatste deel van de expositie. Daar worden vier mogelijke richtingen geschetst waarin de dialectiek tussen architectuur en landbouw zich kan ontwikkelen, die dialectiek waarvan RK beweert dat ze er niet meer is.

World = City, zei RK in 2000. Globalisatie heeft de term ‘wereld’ tot een exclusief enkelvoud gemaakt: DÉ wereld. Globalisatie is het proces waarlangs gebieden in toenemende mate investeren in hun ‘relatieve voordelen’ en zich specialiseren in specifieke skills, diensten, bronnen. Ze worden meer en meer afhankelijk van alle anderen voor de rest, en worden zelf meer en meer wereldloos. In deze toestand heb je een wereld, ben je een wereldburger, in de mate waarin je de middelen en macht hebt om tussen die zeer gespecialiseerde enclaves te navigeren. (En je ziet het pas als het niet meer werkt: het vastgelopen containerschip in het Suezkanaal maakte duidelijk dat globalisatie op dieselolie werkt.)

In de situatie waarin we nu zitten, waarin de (olie)bronnen die globalisatie mogelijk gemaakt hebben opraken, staat het bevragen van de huidige scheiding tussen landbouw en architectuur, cityside en countryside, gelijk aan het stellen van de politieke vraag: wat is een wereld?

Het beste antwoord waar Marot c.s. mee komen is zo’n beetje dit:

Een wereld is een gebied, streek of regio, zowel fysiek als cultureel, waarvan je je kunt voorstellen dat je je hele leven er doorbrengt, dat je bestaan zich er afspeelt. Een relatief autonome regio die zichzelf kan handhaven, een levensvatbaar, duurzaam gebied, in staat een minimum aan ‘basale functies’ te bieden. Functies die de industriële tijd en moderne planning in toenemende mate hebben gescheiden.

Het is duidelijk dat heel weinig gebieden ook maar in de buurt van deze omschrijving komen. Dat, zegt Marot, zou een zaak van grote zorg moeten zijn en een enorme aansporing voor jonge architecten en ontwerpers om de kant van het platteland te kiezen en te leren van hen die daar leefbare eilanden van samenleven opbouwen, in stand houden, beginnen. Hij pleit voor het verkennen van de vierde dimensie, de aarde is te klein geworden om het niet te doen. En ik realiseer me: in Engelbert beleef ík die vierde dimensie. Een plek om te blijven. Die vierde dimensie is tijd. En niet de tijd uit ‘tijd = geld’.

Engelbert, 2018 // Foto: Peter de Kan

In zijn betoog, waarin inderdaad een schat aan opbouwend materiaal wordt aangeboord, komt Marot uit op vier verschillende scenario’s voor de toekomende relatie tussen stad en platteland. Hij nodigt de lezer uit zich af te vragen welke hij of zij zou willen onderschrijven.

1. Incorporatie

In dit scenario leidt de industrialisatie van de landbouw, haar onderwerping aan het kapitalisme, logischerwijs naar verstedelijking. De landbouw maakt zich los van haar voetafdruk buiten de stad en concentreert zich in biologische reactoren, agri-gebouwen in agri-steden waar synanthropische plant- en diersoorten medebewoners van de metropool worden. De metropool is niet alleen de bestemming van de mensheid, ze wordt de conditie van de hele biosfeer.

2. Onderhandeling

Steden en metropolen nemen open ruimte en landbouw op als integraal onderdeel van hun marges en uitbreiding. De latente capaciteit van landbouw, rentmeesterschap, tuinbouw en bosbouw om gebied van verbroedering te worden, wordt gebruikt in een evolutie van stedelijke vormen, syntaxen en productiewijzen: park-boomgaarden, park-kwekerijen, volkstuinen, groene gordels en corridors – hybride soorten die het beste van stad en platteland combineren.

Dit scenario staat nog in de kinderschoenen, maar heeft al een lange geschiedenis. Zie daarvoor bijvoorbeeld Frederick Law Olmsted’s parksystemen, Ebenezer Howards garden cities, Leberecht Migges Siedlungen, Patrick Geddes’ biopolis, Frank Lloyd Wrights Broadacre City; allemaal de moeite van het hernemen waard!

3. Infiltratie

Land- en tuinbouw vallen de stad binnen, maken gebruik van de veronachtzaamde oppervlakte in steden zoals daken, lege kavels, verlaten bedrijventerreinen, bermen en stoepen. Van tussengebieden, niches, om tuinieren en voedselverbouw te herintroduceren in het stedelijk landschap en zo collectieven op te bouwen. Of ze nu verlopen door directe integratie in het weefsel van de stad of bijvoorbeeld via coöperaties van stedelingen en boeren in het achterland, deze strategieën neigen allemaal naar het in meer of mindere mate stimuleren van een hogere mate van lokale interactie in stedelijke gebieden. Deze kunnen zich ontwikkelen tot commons.

Infiltratie geschiedt per definitie van onderop, als onkruid in de scheuren van urbane gebieden. Het kan heel groot worden, zoals in Detroit, na de ineenstorting van haar auto-industrie. Omdat een groeiend aantal steden hetzelfde lot kan treffen, kan dit scenario zich over grotere gebieden gaan manifesteren.

4. Afscheiding

Dit scenario betwijfelt of stedelijkheid wel in staat is een wereld, in de zin zoals hierboven geschetst, te organiseren en in stand te houden. Uit overvloedig bewijs rond de verpletterende milieu-, energie-, klimaat- en sociale gevolgen van de consumentenmaatschappij en kapitalistische concentratie - waar metropolen en hun toeristische satellieten de magneet en het product van zijn - moet geconcludeerd worden dat stedelijke gebieden fundamenteel niet duurzaam zijn. Stedenbouw dient vervangen te worden door samenleven met aandacht voor een levend landschap, een veerkrachtige gemeenschap van onderling afhankelijke mensen, planten, dieren, aarde, water en meer. Permacultuur is een van de meest overtuigende uitdrukkingen van deze agenda die gebieden omzet in confederaties van zelfbeheerde communes of werelden.

Dit als afscheiding betitelen lijkt een beetje overdreven, is er niet een compromis mogelijk? Of enclaves in de bestaande stad? Nee, zegt Marot, en wel hierom:

1. Dit soort initiatieven distantieert zich met steeds meer overtuiging van het narratief waarin verstedelijking de manifeste bestemming van de mensheid is.

2. Deze initiatieven kenmerken zich door de bereidheid van elkaar te leren – dat verandert ze in de meest actieve en stimulerende onderzoekscentra.

3. Deelnemers aan deze initiatieven halen intelligentie en energie uit de overtuiging dat andere natuurlijke verbanden zeer wenselijk, mogelijk bereikbaar en absoluut noodzakelijk zijn.

Om het idee van burgerschap in veiligheid te brengen en het een nieuwe betekenis te geven is het tijd de stad achter ons te laten.

Welke van deze scenario’s heeft jouw voorkeur?

Middelbert, 2021, nieuwe weg in aanleg // Foto: Peter de Kan

Terug naar de MEER-dorpen

Even over de verschraling van het platteland en hoe dat de stad in de kaart speelt: want wat is er erg aan saai en kaal grasland dat verdwijnt? Een ruimte die je nooit enige aandacht hebt geschonken, waar ik al die jaren achteloos aan voorbijging op weg naar Engelbert vanuit de stad. Totdat ik me realiseer dat juist die niet-opgemerkte ruimte er niet meer is, dat de zone die me voorheen tot rust bracht, leeg maakte en werkte als een oogwassing, me nu opfokt.

Het gebied is versteend, terwijl het ook had kunnen verwilderen, een voedselbos had kunnen worden, of een volkstuinencomplex, een collectief beheerde biologische boerderij. Het had ook zichzelf kunnen blijven, of wat de bewoners (mensen en reeën, om er een paar te noemen) ervan zouden maken.

Kiezen voor een ontwikkeling (een scenario) zonder de alternatieven te kennen is geen keuze. Waarom begint het altijd met een plan uit de stad waarover dan inspraak (rode lampen!) mogelijk is? Waarom begint het niet met een werkelijk gezamenlijk nadenken over mogelijke ontwikkelingen?

Waarom begint het niet met een vraag: wat wil het platteland? Rekening houdend met alle betrokken partijen, waaronder het landschap zelf? Rekening houdend met die zes reeën die ik er zag lopen? Rekening houdend met de plas die er ligt?

Waarom is praktisch altijd de keuze niets te doen al een gepasseerd station zodra een gebied op de agenda wordt gezet? Waarom ligt het zwaartepunt bij besluitvorming over de toekomst van een gebied niet per definitie bij de gebruikers van dat gebied? Waarom organiseert het platteland zich niet op andere dan alleen het boerenfront? Waarom ondersteunt de provincie niet veel explicieter de overgang naar duurzame en circulaire landbouw?

Wat blijft er van de MEER-dorpen over? Zijn het straks Minderdorpen? Had Meerstad niet veel beter Meerdorp kunnen heten? Was het vervolg dan anders geweest? Omdat de naamgeving, de taal, al het verhaal bepaalt? Wat is het prijzen van de compacte stad na Meerstad nog waard?

Waarom plant de stad zonnevelden in haar buitengebied? Waarom niet binnen de stad? Waarom staan er geen windmolens in de stad? Waarom zie ik in die stad voornamelijk betonnen nieuwbouw, terwijl toch duidelijk is dat we houtbouw moeten plegen? Dat we daar gisteren al mee hadden moeten beginnen door de aanplant van nieuwe bossen?

Waarom ziet niemand dat met het ‘wonen-in-het-Reitdiepverhaal’ dat hele dal inmiddels is verdwenen? Een steentuin van de stad? Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Waarom gebeurt het dan toch?

Waarom dreigt het MEER-dorpengebied nu te verdwijnen onder 2100 woningen, terwijl die veel beter in het Driebondgebied kunnen worden ondergebracht? Of in de bestaande stad?

Van wie is de aarde? Van wie is de grond? Waarom is de gemeente zo afhankelijk van haar grondpolitiek? Waarom verdwijnt onze gemeenschappelijke ruimte, de ruimte die van niemand en van iedereen is, steeds meer in private handen?

Waarom is wonen een consumptieartikel geworden? Is er daarom schaarste en woningnood? Omdat daar het meeste aan wordt verdiend? Waarom laten we gebeuren dat de stad onbetaalbaar wordt voor de meeste mensen?

Waarom laten we toe dat de woningmarkt de voedselmarkt gijzelt? Waarom gaat al ons geld naar het wonen en hebben we voor ons eten niks meer over? Zodat de boer geen eerlijke prijs krijgt voor zijn product?

Waarom laten we toe dat de stad haar randen opslokt? Wie heeft bedacht het groene land tussen Groningen en Haren vol te bouwen met afzichtelijk grote villa’s op afzichtelijk kleine kavels waardoor er geen ruimte en landelijkheid meer is?

Waarom regeert het geld? Wie worden hier rijk van?

In het zomerhuisje in Engelbert is deze winter ingebroken. Het gebeurde tijdens die schaatsweek, er lag ijs op de plas en op dat ijs was rotzooi gegooid. Jongelui, corona, verveling, jointje, biertje. Ze hadden een puinzooi van het huisje gemaakt en de sleutels meegenomen. Ik probeer te begrijpen, is het maar kattekwaad? Het is bij mijn weten nooit eerder gebeurd.

Opzij, de stad komt eraan.

Rotations: Moore Estates, Arizona, 2006 // © Lisa Sette Gallery

Matthew Moore is vierdegeneratieboer én kunstenaar. Toen zijn grootvader een deel van hun land in Arizona aan de stad verkocht, voerde Matthew er in het laatste jaar (2004) een project uit. Het heette Rotations: Moore Estates. Met behulp van GPS zette hij de contouren van de toekomstige nieuwe stadswijk verkleind uit op hun land. Met de tractor werd de plattegrond in 3D uitgevoerd en ingezaaid. Die groene stads-/landswijk kwam één groeiseizoen lang tot ontwikkeling. Het gaf het verlies een plek. Wat rest is herinnering, en een paar foto’s.

Weg uit de stad

Tot slot een oefening: probeer de stad te verlaten.

Benodigdheden: papier en pen, proviand en water voor één dag. Zoek van tevoren uit hoe je naar Middelbert kunt wandelen.

1. Wordt het een mooie dag? Zo ja, door naar stap 2.

2. Laat je telefoon thuis

3. Verlaat te voet je huis

4. Loop op gevoel en probeer de stad in oostelijke richting te verlaten, richting Middelbert

5. Gebruik je zintuigen; wat zie je, hoor je, ruik je, voel je?

6. Als het gelukt is: waar ben je nu? Probeer er woorden aan te geven en schrijf ze op. Je kunt ook een tekening maken.

7. Wat wil het platteland? Probeer er woorden aan te geven en schrijf ze op. Je kunt ook met een voorbijganger in gesprek gaan.

8. Waarom zou je blijven/waarom zou je teruggaan?

9. Welke vragen heb je nu?

 

 

(Wordt vervolgd)

Middelberterplas, 2021 // Foto: Peter de Kan

PS.

Ik weet waarom ik denk dat in Engelbert de tijd stilstaat. Het is dat uitzicht over de plas. Dat is al zestig jaar hetzelfde gebleven. Net als de sterrenhemel die erboven staat.

Onlangs ben ik er op een heldere avond heen gegaan, naar de Middelberterplas, om te checken of je daar die sterren ook ziet. Vlak na zonsondergang, zo tegen negenen, nam ik mijn plaats in tussen de bomen aan de oever van de plas en wachtte tot de eerste ster zou verschijnen. Stilte, alleen het geruis van de snelweg naar Hoogezand achter mij. Voor me het ruisen van riet, een meerkoet die ineens opschrikt, mij ontdekt. Vleermuizen, het rustgevende gekabbel van de golven en – ja! De Avondster wordt zichtbaar, ik probeer een eerste foto.

Het is behoorlijk koud geworden, ik ben blij dat ik handschoenen aan heb. Ik hou het tot een uur of kwart voor tien vol en draai me om voor de terugtocht door de weilanden. Plotseling word ik verblind, er komt zoveel licht uit de stad op me af dat ik een hand voor mijn ogen moet houden om beneden, vóór me, het oneffen grasland te kunnen zien.

Halverwege, als ik middenin het veld sta, besluit ik toch nog een drieluik te maken, Die avondklok betekent ineens niks meer, van het licht van de stad in twee stappen bij het duister van Middelbert. De stad waarvan John Berger zegt: ‘Hier is het duister gestolen/in een zak gestopt/met een steen verzwaard/en verzopen.’

Ik rijd door een spookstad naar huis.

***