De Utopist: J.C. Roggeveens wonderlijke dromen van het achterland - Hoofdstuk 1

2 oktober 2019 Door Leestijd: 15 minuten

Hoe J.C. Roggeveen afreisde naar het dorpje Paardenvlijt en onderweg een merkwaardige ontmoeting had met een aangeklede longvis. Hoofdstuk 1 van een snoeiharde streekroman.

Afbeelding: Peter Boersma

1.1

Kraaien schraapten hun kelen. Ze doken op uit de mist, scheerden langs de cabine, en verdwenen weer in diezelfde mist. Het was al middag, maar de aardse dampen waren taai en kleverig en lieten zich niet makkelijk verdrijven door het waterige zonnetje dat maar half zijn best leek te doen. Het was net alsof een vergeten ijstijd in deze uithoek rustig z’n dagen sleet. 

Er had al jaren niemand naar dit gebied omgekeken; te veel gedoe, te weinig te halen. De laatste keer dat hier echt iets gebeurde was waarschijnlijk de slag bij Heiligerlee. Ingenieur J.C. Roggeveen dacht aan die bewuste dag, terwijl hij vanuit de koets naar het landschap keek. Het moet een weinig verheffende smeerboel zijn geweest, stelde hij zich voor. Geen ridders die elkaar in spannende scènes bestrijden, maar soldaten die elkaar de modder in stampen tot de ander verzuipt. 

Samen met zijn Duitse dog Alma que Grande was Roggeveen in een driekwart coupé op weg naar het dorpje Paardenvlijt. De koets was eigendom van herberg Het Vaandel, waar hij zou verblijven. Hij was liever gewoon met de bus gegaan, of per taxi, maar die reden simpelweg deze kant niet op. De ingenieur had niets tegen traditie en het reizen per paard en wagen had natuurlijk een zekere charme, maar dan moest het wel een keuze zijn. Als er niets te kiezen viel, heette het gewoon armoede. 

Roggeveen had zich voorgenomen een aantal weken, misschien maanden, in Paardenvlijt te blijven om er aan zijn boek over agrarische stedenbouw te werken. Zijn ideeën over de totale integratie van stad en platteland zouden uitstekend getest kunnen worden op het achterland van Paardenvlijt, temeer omdat daar de landbouwsector al tientallen jaren op z’n gat lag, op enkele keuterboertjes na,  en het tijd werd voor iets nieuws. Hij had met de burgemeester afgesproken dat hij een lezing zou geven in de herberg, om zo te zien hoe de bevolking op zijn ideeën zou reageren. De waard en waardin hadden laten weten hoge verwachtingen te hebben van de drankverkoop op die avond. Over de inhoud van de lezing zeiden ze niets. 

Alma que Grande was een vanillevla-gele teef met een zwarte kop als van pure chocolade. Haar treurige blik werd met de minuut melancholischer naarmate ze verder het desolate landschap in trokken. Ze leek dit zelfverkozen isolement van haar baasje maar niets te vinden. Roggeveen zag het. 

’Zie het als een studiereis. Het buitenland is leuk, de grote Europese steden hebben veel te bieden, maar ook in ons eigen land valt een hoop te ontdekken.’ Het hielp niets, Alma que Grande oogde nog altijd lusteloos.  

De koetsier maakte een geluid om de paarden tot kalmte te manen. De wagen kwam met een schok tot stilstand op de smalle weg en Alma spitste haar lange oren. ‘Wat is er loos, beste man?', riep Roggeveen door het portierraampje. De koetsier mompelde iets onverstaanbaars en de merries begonnen weer te lopen. 

De wagen had zich echter nog maar net in beweging gezet, of hij kwam weer tot stilstand. De koetsier was nu een bekende tegengekomen. Er volgde een kort gesprekje en even later klom een kleine man, gestoken in een zwart confectiekostuum, bij de ingenieur aan boord. Alma begon direct te grommen en de ingenieur moest haar tot kalmte manen. 

‘Geen kwade bedoelingen’, riep de man zenuwachtig uit. Alma legde haar gitzwarte kop op Roggeveens schoot en sloot haar ogen.

‘Wat een mooie hond’, zei het vreemde mannetje en wikkelde zich gretig in een deken die voor kouwelijke passagiers was klaargelegd. Een kettinkje aan zijn vestzak blonk als de verklikker van een kostbaar kleinood. 
‘Kennen wij elkaar?’, vroeg Roggeveen terwijl hij probeerde zijn ergernis te verhullen. De man had een opvallend breed hoofd waarin kraaloogjes onrustig heen en weer schoten.
‘Dat niet, maar uw komst was al aangekondigd natuurlijk. Nieland is de naam. Ik ben meester van de dorpsschool.’

De hand van Nieland voelde koud en klam aan, net als de omgeving waaruit hij was opgedoken. Roggeveen kon zijn zangerige accent niet helemaal plaatsen, het leek een vreemde cocktail van verschillende invloeden te zijn. 

‘Wat een prachtig pak heeft u aan’, zei Nieland bewonderend en smakte even met zijn lippen. 'Het past ook zo mooi bij de kleur van uw hond.’

Paul Meddens, van Modehuis Meddens, had met gevoel voor humor een zandkleurig reispak voorgesteld waarvan het ontwerp was geïnspireerd door het tropenuniform. Het Rotterdamse familiebedrijf hield er een duidelijke slogan op na: “Meddens clientèle heeft geen behoefte aan massakleding, dat is beneden hun stand. Confectie is een teken van lagere komaf, ja zelfs van armoede.”

‘Het maatpak is het harnas van de moderne man,’ flapte Roggeveen eruit.
‘Trekt u in uw harnas ten strijde, meneer de professor?’ Een vleugje sarcasme krulde om de lippen van Nieland. 

Hij lijkt op een vis, dacht Roggeveen, met die lippen van hem, zo eentje die graag in de modder ligt. Een longvis, dat is het. Ze noemen zulke dieren wel levende fossielen. Nou hier zit er een hoor, dit fossiel is springlevend en heeft nog praatjes ook. 

‘Ik ben geen professor, gewoon ingenieur’, reageerde hij afgemeten. 'En, zeer zeker, ik ben hierheen gekomen om de armoede te overwinnen. Ik wil samen met u zegevieren op het moeras.’ 

Goed, het klonk wat gezwollen. Technisch gezien kwam hij gewoon een lezing geven naar aanleiding van een landbouwmachinefabriek die de regering Conijn hier wilde realiseren om de werkloosheid tegen te gaan en de boerenbevolking weer voor zich te winnen. ‘We moeten het achterland opstoten in de vaart der volkeren’, had minister-president Co Conijn tegen de Kamer gezegd. 

Roggeveen vond dat te kort door de bocht. Een nieuwe fabriek was naar zijn mening te weinig aanleiding om over 'opstoten in de vaart der volkeren' te spreken. Daarin had hij waarschijnlijk gelijk. ‘Je moet met een totaalplan komen voor het hele achterland, er een langdurige relatie mee aan willen gaan. Anders zakt de fabriek alsnog weg in het moeras', had hij als vriend tegen de minister-president gezegd. 

Het leek alleszins redelijke taal, maar de inhoud van dat totaalplan liet doorschijnen dat Roggeveen het liefst een nieuwe maatschappij uit de grond wilde stampen.

‘Bent u op de hoogte van de lokale politiek?’ Nieland keek de ingenieur gespeeld afwachtend aan, met een superieur lachje om zijn lippen. Roggeveen haalde zijn schouders op, er was tenslotte geen lokale politiek. Dat moest allemaal nog komen.

Nieland begon te vertellen over het recht van overpad en allerlei lokale gebruiken en ongeschreven regels die volgens hem tot de lokale politiek gerekend moesten worden. Het waren regels die hij zelf door vallen en opstaan had moeten leren. 

‘Ik ben net als u iemand die ooit van buiten is gekomen, met een tas vol idealen. Ik wilde kennis verspreiden.’ Nieland praatte als een man die wist hoe het zat en de ander graag wilde bijspijkeren – een trekje dat leraren eigen is. Hij vertelde hoe hij zijn idealen langzaam kwijtraakte en door de weerbarstige praktijk van het boerenleven een meer gelaten, praktische instelling kreeg. ‘Je gaat onder en komt dan boven, om vervolgens als een tonnetje te blijven drijven op het alledaagse wiegen van de tijd.’

De dorpsmeester vertelde dat zijn leerlingen in maart en april aardappels poten en in mei druk waren met het leggen van boontjes. Van half juli tot half augustus trof Nieland ze aan op de brink, in de toppen van de bomen. Ze plukten er lijsterbessen, waarmee ze in de winter lijsters vingen. In september rooiden ze aardappelen en in oktober werd naar eikels gezocht. 

‘Ja, en dan komt natuurlijk het schaatsseizoen eraan, meestal in december, maar vaak genoeg ook in januari. Dan blijft dus alleen februari over. Die maand heeft maar 28 dagen en in die tijd probeer ik ze wat bij te brengen dat het boerenbestaan ontstijgt.’

Roggeveen knikte en flapte er iets algemeens uit, over dat onderwijs ook een belangrijke rol ging spelen in zijn totaalplan: ‘We willen een divers bestand van vakmannen en -vrouwen opbouwen in de regio.’ 

Nieland schudde zijn grote vissenkop en trok fel van leer: ‘U heeft niet geluisterd. We zijn hier in het noorden gewend het allemaal zelf te regelen. We worden al sinds mensenheugenis aan ons lot overgelaten. Ik ben bang dat het niet eenvoudig zal zijn om uw plannen door te voeren.’ 

Interessant hoe de longvis zich eerst aan mijn kant schaart, als een idealist, dacht Roggeveen, en dan snel oversteekt naar het perspectief van de plattelander die zijn eigen zaakjes regelt. Nieland had een tong die wat te groot was voor zijn mond, waardoor hij sliste en wat dommig overkwam. Maar dom, realiseerde de ingenieur zich, was hij allerminst. 

‘We klagen over vocht in onze huizen,' vervolgde de meester, 'over onze vrouwen die sterven van de jicht en astma, over hoe de boeren zich kapot moeten werken op schamele stukjes grond. We klagen en klagen, maar we houden er ook van. Snapt u? Dat is wat ik hier geleerd heb.’

Tussen de bomen van het moerasbos ontdekte de ingenieur een man die bezig was een touw op spanning te zetten met een stok. Hij wees zijn metgezel erop.
‘Dat is een stroper’, zei deze zonder op of om te kijken.
‘Maar dat is toch verboden?’
Nieland begon onbedaarlijk hard te lachen, waarbij zijn paarse tong helemaal naar buiten stak. Roggeveen voelde een gevoel van misselijkheid omhoog kruipen. 

Na een hobbelende helletocht van tweeënhalf uur kwamen ze aan bij herberg Het Vaandel. De ingenieur voelde zich moe en uitgeput en had het gevoel dat de pratende longvis daar mede debet aan was. 

1.2

Alma que Grande sprong als eerste naar buiten en strekte loom haar achterpoten. Ze ging rechtop zitten en stak haar neus in de lucht, om vervolgens regelrecht op de herberg af te lopen. De deur was al opengezet en geblokkeerd met een klosje. De heerlijke geur van een knapperend haardvuur waaide naar buiten.

Nieland nam afscheid door zijn hoed te lichten. ‘We zullen elkaar spoedig weerzien’, lispelde hij en verdween.
Roggeveen vroeg zich even af wat hij bedoelde, maar haalde uiteindelijk z’n schouders op. Waarschijnlijk doelde de longvis op het feit dat men elkaar in een klein dorp snel tegen het lijf loopt.

De herbergier kwam op de koets af. Hij was een pezige, gespierde man die Wouter Stiefbeen heette. Hij maakte een praatje met de koetsier en hielp toen Roggeveen met het afladen van zijn bagage.

‘Kent u meester Nieland?’, vroeg Stiefbeen terloops, terwijl hij een van de kisten optilde. 
Roggeveen keek op. ‘We hebben zojuist tijdens de rit kennisgemaakt.’
Stiefbeen schudde zijn hoofd. ‘Dat dacht ik al. Ik heb hem in alle vroegte zien vertrekken. Hij wilde zo nodig de eerste zijn om u te ontmoeten. Hij zei dat u een ontvangstcomité verdiende. Pas maar op voor hem. Die smoest met iedereen.’ 
Roggeveen knikte. Nieland was er een om rekening mee te houden. 

Terwijl de herbergier met grote stukken bagage de trap op en neer liep, schreef de ingenieur zich in bij de waardin, een stevige dame met dun kortgeknipt haar en een uitgestreken gezicht. Roggeveen kreeg de sleutel met kamernummer 215 en keek de vrouw vragend aan.

Ze slaakte een zucht. ‘Ja, dat is een grapje van mijn man. We hebben maar tien kamers natuurlijk, het is tenslotte een herberg. Wouter vindt dit soort dingen leuk.’

De waardin vroeg of hij nog iets wilde eten. Omdat de ingenieur nog steeds misselijk was hield hij het bij een kommetje bouillon. ‘Kunt u misschien ook wat lauwe earl grey naar boven brengen?’
‘Natuurlijk, u houdt niet van hete thee? 
‘Het is niet voor mij, maar voor mijn hond.’
De herbergierster schudde haar hoofd om de rare gewoonten van mensen uit de grote stad en verdween naar achteren.

Roggeveen had een ruime kamer, met hoge vensters aan twee kanten. Vanuit een van de ramen keek hij uit op de brink met bomen en het dorp. De andere zijde gaf zicht op het het moerasbos en het kasteel van Paardenvlijt.

Veel tijd om uit het raam te kijken had Roggeveen niet, want bij het uitpakken van zijn spullen werd zijn bange vermoeden dat er wel eens wat zou kunnen breken tijdens de rit, bewaarheid. Enkele van zijn potten met zelfgekweekte en ingemaakte groenten waren stuk gegaan, evenals – en dat was echt zorgelijk – al zijn reis-ampullen met medium. Een grote enveloppe met waardepapieren, door zijn vader vanuit Indië verstuurd, was ermee besmeurd geraakt. Daar moest hij op korte termijn een oplossing voor zien te vinden.

Het werd vroeg donker. Roggeveen ging met zijn kommetje bouillon voor het raam staan en keek naar de grillige wolkenpartijen boven het moerasbos, waarvan de onderkanten roze kleurden. Hij werd getroffen door de donkere vlek die het kasteel van Paardenvlijt vormde, en als een boos oog aan de horizon hing. Kijk aan, dacht de ingenieur, het epicentrum van de lokale politiek. Toen trok hij de gordijnen dicht en ging in bed liggen.

1.3

Roggeveen was afkomstig uit een welgesteld Haags milieu dat al generaties lang met Nederlands-Indië verbonden was. Via zijn ouders kwam hij als vanzelfsprekend in contact met de hogere kringen en met de besturende klasse op het Binnenhof.

De jonge Roggeveen was een gevoelige ziel die werd geraakt door de armoede die hij zag. Met name de armzalige, smerige hofjeswoningen van de vissersgezinnen in Scheveningen troffen hem diep. Hij was zeventien toen hij begon met zijn lobby voor het graven van een echte vissershaven met een heuse visafslag, zodat er meer verdiend kon worden. 

De vissers, die kleine zelfstandigen waren geweest, landden tot dan toe altijd met hun platte bomschuiten op het strand, in een natuurlijke baai nabij de naald. Zijn pleidooi voor een grotere haven vond veel weerklank in de politiek, maar de vissers zelf waren er niet blij mee. Het speelde grote reders in de kaart. 

De oudere generatie vissers had het liever zo gelaten als het altijd was, ook al verdienden ze nu meer. Vroeger werd per bomschuit de vis verdeeld over verschillende gezinnen en liepen de vrouwen met manden vol vis op hun hoofd door de duinen naar de Haagse markt. Later gingen ze over de Scheveningseweg.

Zo ging het, en natuurlijk was er armoede, maar ook dat hoorde er bij. In de badkapel ging je op de knieën voor de Almachtige en dat was het dan, je lot diende je te dragen. Toch was Roggeveen altijd blijven geloven in de juistheid van zijn handelingen. Soms moet je het volk losweken uit hun zelfverkozen lethargie.

Nadat de haven er was gekomen, werkten de vissers niet meer voor zichzelf, maar voor een visfabriek. Er was een enorme slag gemaakt op het gebied van efficiency en Roggeveen was er gemakshalve van uitgegaan dat welvaart begint met een hoger inkomen. Hij vergat daarbij dat zelfstandigheid net zo belangrijk is voor het gevoel van eigenwaarde, en daarmee voor de welvaart.

Als de bedrading van het menselijke binnenwerk eenmaal is gelegd, veranderen mensen niet meer. Ze maken altijd weer dezelfde fouten. Roggeveen zag zich als een sociaal hervormer, een revolutionair die voor de troepen uit ging. Het was in de loop der jaren steeds meer een wanhopig geloof geworden, hij hield eraan vast omdat hij zijn leven ernaar had ingericht, maar het had nog niet de resultaten opgeleverd waarop hij hoopte.

Na het havenproject had de ingenieur zich jarenlang sterk gemaakt voor het idee een eiland op te spuiten voor de kust van Scheveningen. In de eerste plaats was zo’n eiland nuttig om de kust van Zuid-Holland te beschermen tegen afkalving door de golfslag van de Noordzee, maar daarnaast kon het ingezet worden om maatschappelijk kwetsbare groepen te helpen met hun reïntegratietraject. 

Op het kunstmatige eiland zou een sanatorium moeten komen met werkplaatsen en een fabriek waar ex-gedetineerden en voormalig psychiatrisch patiënten weer langzaam zouden kunnen wennen aan maatschappelijke verantwoordelijkheden. Roggeveen geloofde dat architectuur mensen beter kon maken, het beste in ze naar boven kon halen. Hij bleef er maar mee rondzeulen, er geld en tijd in investeren, maar uiteindelijk flopte het plan.  

Volgens Roggeveen was het falen te wijten aan het uitbreken van de Grote Oorlog, maar de waarheid is dat Nederland geen plek is voor grote revolutionaire projecten. Je kunt een klein beetje draaien aan de knoppen en schijfjes van het maatschappelijk bestel, maar meer zit er niet in.

De idealistische ingenieur had zich nu dus gestort op de ontwikkeling van het achterland, door dit niet louter te beschouwen als achtergesteld, maar als een plek met potentie. Het probleem was dat zijn reserves inmiddels begonnen op te drogen. 

Zijn vader drong er stellig op aan dat hij naar Indië zou komen om in zijn onderneming te komen werken. Roggeveen had dit voorlopig weten af te houden, maar veel langer kon hij het niet meer rekken. Zijn reis naar het noorden was in die zin een vlucht naar voren, hij moest uitzoeken welke kansen er waren. 

***