De Utopist: J.C. Roggeveens wonderlijke dromen van het achterland - Hoofdstuk 1

2 oktober 2019 Door Leestijd: 13 minuten

Hoe J.C. Roggeveen afreisde naar het dorpje Paardenvlijt en onderweg een merkwaardige ontmoeting had met een aangeklede longvis. Hoofdstuk 1 van een snoeiharde streekroman.

Afbeelding: Peter Boersma

1

Kurassiers dragen een halfgesloten stormhoed, schouderstukken, armstukken, handschoenen, korte kogelvrije borst- en rugplaten en beenplaten tot aan de knie.

Ze zijn bewapend met twee makkelijk te hanteren vuurwapens en een zwaard of lans. Het paard waarop ze rijden wordt geselecteerd op zijn kracht en omvang. De kurassiers waren cruciaal in pre-moderne oorlogsvoering en werden voor het laatst ingezet op 12 augustus 1914 tijdens de slag bij Halen, toen de Duitse cavalerie zich met blanke sabels te pletter reed op Belgische mitrailleurstellingen. 

De stadhouder van Groningen, Jan van Ligne, had op 23 mei 1568 tweehonderd van deze moordmachines tot zijn beschikking, en meer dan drieduizend man infanterie. Hij was gelegerd bij Winschoten en klaar om het leger van Lodewijk van Nassau aan te pakken. Eigenlijk had hij willen wachten op versterkingen, maar zijn mannen waren ongedurig en op krijgsbuit belust. Ze overtuigden hun veldheer tot de aanval over te gaan. 

Lodewijk van Nassau, die leiding gaf aan de opstandelingen, had al een charge uitgevoerd en maakte zich uit de voeten over een smalle weg die tussen twee heuvels door in de richting van een klooster voerde, dat ook op een heuvel lag. Daar was Lodewijks infanterie gelegerd.

De kurassiers van de stadhouder zetten de achtervolging in. Tweehonderd paarden dreunden als rollend onweer achter elkaar aan. De situatie was niet ideaal. De tankdivisie van het leger wil je het liefst breed laten uitwaaieren om zo over de vijand heen te walsen. Nu galoppeerden de pantsereenheden vruchteloos achter elkaar aan, hun harnassen zwaar als aambeelden en glanzend van de motregen in mei. Achter hen volgde meer dan drieduizend man infanterie in looppas. 

Eindelijk bereikten ze open terrein, waar kleine plukjes opstandelingen weinig ontzag inboezemden. Maar zodra ze de weg verlieten beseften de kurassiers dat ze in een hinderlaag gelokt waren. Het terrein was zompig en oneffen en de zware paarden zakten weg in het moeras. Ze struikelden, konden moeilijk keren en wierpen hun berijder af. 

Tot overmaat van ramp doken van alle kanten ineens extra vijandelijke manschappen op, met de modernste vuurwapens in de aanslag. Driehonderd Waalse scherpschutters hadden zich in turfputten verstopt, verspreid over het veld. Ze begonnen de koningsgezinde troepen nu met hun haakbussen te bestoken. De strijd werd in twee uur beslecht in het voordeel van de opstandelingen, met enorme verliezen aan Spaanse zijde. 

2

Kraaien schraapten hun kelen. Ze doken op uit de mist, scheerden langs de cabine, en verdwenen weer in diezelfde mist. Het was al middag, maar de aardse dampen waren taai en kleverig en lieten zich niet makkelijk verdrijven door het waterige zonnetje dat maar half zijn best leek te doen. Het was net alsof een vergeten ijstijd in deze uithoek rustig z’n dagen sleet. 

Er had al jaren niemand naar dit gebied omgekeken; te veel gedoe, te weinig te halen. De laatste keer dat hier echt iets gebeurde was waarschijnlijk de slag bij Heiligerlee. Ingenieur J.C. Roggeveen dacht aan die bewuste dag, terwijl hij vanuit de koets naar het landschap keek. Het moet een weinig verheffende smeerboel zijn geweest, stelde hij zich voor. Geen ridders die elkaar in spannende scènes bestrijden, maar soldaten die elkaar de modder in stampen tot de ander verzuipt. 

Herberg Het Vaandel had een driekwart coupé naar het hoofdstation gestuurd om de ingenieur op te halen. Nu werd hij heen en weer geschud in een oncomfortabele cabine en maakte hij zich zorgen om de breekbare spullen bovenop de wagen. Roggeveen was niet tegen traditie en het reizen per paard en wagen had natuurlijk een zekere charme, maar dan moest het wel een keuze zijn. Als er niets te kiezen viel, heette het gewoon armoede. 

Roggeveen had zich voorgenomen een aantal weken, misschien maanden, in het dorpje Paardenvlijt te blijven om aan zijn boek over agrarische stedenbouw te werken. Zijn ideeën over de totale integratie van stad en platteland zouden uitstekend getest kunnen worden op het achterland van Paardenvlijt, temeer omdat daar de landbouwsector tientallen jaren geleden volledig was ingestort en het gebied wel een nieuwe impuls kon gebruiken. Hij had met herberg Het Vaandel afgesproken een lezing te geven, om te zien hoe de bevolking op zijn ideeën zou reageren. 

De waard en waardin hadden laten weten hoge verwachtingen te hebben van de drankverkoop op die avond. Over de inhoud van de lezing zeiden ze niets.

De koetsier maakte een geluid om de paarden tot kalmte te manen. De wagen kwam met een schok tot stilstand op de smalle weg. ‘Wat is er loos, beste man?', riep Roggeveen door het portierraampje. De koetsier mompelde iets onverstaanbaars en de merries begonnen weer te lopen. 

De wagen had zich echter nog maar net in beweging gezet, of hij kwam weer tot stilstand. De koetsier was nu een bekende tegengekomen. Er volgde een kort gesprekje en even later klom een kleine man, gestoken in een zwart confectiekostuum, bij de ingenieur aan boord. 

‘Och, professor, wat een toeval!’, riep de man uit, terwijl hij zich gretig in de paardendeken wikkelde die voor kouwelijke passagiers was klaargelegd. Een kettinkje aan zijn vestzak blonk als de verklikker van een kostbaar kleinood. 
‘Kennen wij elkaar?’ 
De man had een opvallend breed hoofd waarin kraaloogjes onrustig heen en weer schoten. ‘Dat niet, maar uw komst was al aangekondigd natuurlijk. Nieland is de naam. Ik ben meester van de dorpsschool.’

De hand van Nieland voelde koud en klam aan, net als de omgeving waaruit hij was opgedoken. Roggeveen kon zijn zangerige accent niet helemaal plaatsen, het leek een vreemde cocktail van verschillende invloeden te zijn. 

‘Wat een prachtig pak heeft u aan’, zei Nieland bewonderend. Hij maakte zijn lippen vochtig, alsof hij van plan was de ingenieur met huid en haar op te eten. Paul Meddens, van Modehuis Meddens, had met gevoel voor humor een zandkleurig reispak voorgesteld waarvan het ontwerp was geïnspireerd door het tropenuniform. 
‘Het pak is het harnas van de moderne man,’ zei Roggeveen. Even overwoog hij om het motto van het Rotterdamse familiebedrijf op te dreunen: “Confectie is een teken van lagere komaf, ja, zelfs van armoede.”

‘Trekt u in uw harnas ten strijde, meneer de professor?’ Een vleugje sarcasme krulde om de lippen van Nieland. 
Hij lijkt op een vis, dacht Roggeveen, met die lippen van hem, zo eentje die graag in de modder ligt. Een longvis, dat is het. Ze noemen zulke dieren wel levende fossielen. Nou hier zit er een hoor, dit fossiel is springlevend en heeft nog praatjes ook. ‘Ik ben geen professor, gewoon ingenieur’, reageerde hij afgemeten, ’En, zeer zeker, ik ben hierheen gekomen om de armoede te overwinnen. Ik wil samen met u zegevieren op het moeras.’ 

Goed, het klonk wat gezwollen. Technisch gezien kwam hij gewoon een lezing geven naar aanleiding van een landbouwmachinefabriek die de regering C. wilde realiseren om de werkloosheid tegen te gaan en de boerenbevolking weer voor zich te winnen. ‘We moeten het achterland opstoten in de vaart der volkeren’, had minister-president C. tegen de Kamer gezegd. 

Roggeveen vond dat te kort door de bocht. Een nieuwe fabriek was naar zijn mening te weinig aanleiding om over 'opstoten in de vaart der volkeren' te spreken. Daarin had hij waarschijnlijk gelijk. ‘Je moet met een totaalplan komen voor het hele gebied, er een langdurige relatie mee aan willen gaan. Anders zakt de fabriek alsnog weg in het moeras', had hij tegen de minister-president gezegd. 

Het leek alleszins redelijke taal, maar de inhoud van dat totaalplan liet doorschijnen dat Roggeveen het liefst een nieuwe maatschappij wilde beginnen.

3

Dit is misschien het moment om iets meer over Johannes Cornelis Roggeveen te vertellen, en over wat hem nou precies naar deze uithoek bracht. 

Roggeveen was afkomstig uit een welgesteld Haags milieu dat al generaties lang met Nederlands-Indië verbonden was. Hij mengde zich als vanzelfsprekend in de Haagse politiek, zoals wel meer families van stand dat deden. Je kwam elkaar gemakkelijk tegen in het theater of Sociëteit de Witte. 

Daarbij kwam dat de vader van Roggeveen met C. had gevochten in Atjeh. Aanvankelijk had de omgang tussen de ingenieur en de minister-president meer het karakter van een vader-zoonrelatie gehad, zeker omdat Roggeveens eigen vader vaker in Nederlands-Indië te vinden was dan in Den Haag. 

Later, toen C. minister-president was geworden, ontpopte Roggeveen zich tot diens persoonlijk adviseur op het gebied van sociale mobiliteit, een door hemzelf bedachte specialiteit die hij als bijzondere afdeling binnen Rijkswaterstaat van de grond probeerde te krijgen. Het kwam erop neer dat hij fysieke infrastructuur wilde inzetten om mensen sociaal-economisch vooruit te helpen. Ook stelde hij C. eens voor aan een meisje, dat later diens maîtresse werd. 

Hoewel Roggeveen een vanzelfsprekende omgang had met de macht in politiek Den Haag, was er ook iets buitengewoon naïefs aan hem. Hij was een dromer. Roggeveen kwam vaak met utopische plannen op de proppen, die weinig kans van slagen hadden, maar waar hij een oneindige hoeveelheid geld en energie in bleef stoppen. 

Het plan om een eiland op te spuiten voor de kust van Scheveningen bijvoorbeeld, waar een sanatorium moest komen en een fabriek waar ex-gedetineerden weer langzaam zouden kunnen wennen aan maatschappelijke verantwoordelijkheden. Het eiland zou ook als eerste fysieke bescherming voor de Zuid-Hollandse kust kunnen dienen. Hij bleef er maar mee rondzeulen, terwijl niemand erin wilde investeren. 

Wie zwemt in het geld en niet hoeft te werken, kan in feite permanent met het hoofd in de wolken blijven lopen zonder door de harde werkelijkheid gecorrigeerd te worden. Toch was Roggeveen nu ook zo langzamerhand door zijn reserves heen. Zijn vader had zijn toelage stopgezet en wilde dat zijn zoon naar Indië zou komen om in zijn onderneming te komen werken. 

Roggeveens reis naar het achterland was een vlucht naar voren, een laatste wanhopige poging iets van zijn plannen gerealiseerd te krijgen. Enerzijds wilde hij zijn ideeën zaaien in de hoofden van de lokale bevolking, anderzijds hoopte hij op een vruchtbare ontmoeting met de landheer van Paardenvlijt. Over hem komen we later nog te spreken, maar het is een feit dat onze held diens naam al eens aangereikt had gekregen vanuit niet heel welriekende kringen aan de onderkant van de Haagse politiek. 

4

De longvis zegt iets grappigs. Hij ziet zichzelf als iemand zoals ik, dacht Roggeveen. Wat is het toch een lachwekkend kereltje.

‘Ik ben net als u iemand die ooit van buiten is gekomen, met een tas vol idealen. Ik wilde kennis verspreiden.’ Nieland praatte als een man die wist hoe het zat en de ander graag wilde bijspijkeren. Een trekje dat leraren eigen is. Hij vertelde hoe hij zijn idealen langzaam kwijtraakte en door de weerbarstige praktijk van het boerenleven een meer gelaten, praktische instelling kreeg. Zijn leerlingen werden dikwijls weggeroepen uit de les om te assisteren in het veld, of bij het veensteken. ‘Je gaat onder in het reilen en zeilen van het platteland en komt dan boven, om vervolgens als een tonnetje te blijven drijven op het alledaagse wiegen van de tijd.’

Roggeveen flapte er iets algemeens uit, onderwijs ging ook een belangrijke rol spelen in zijn totaalplan voor het achterland. ‘We willen een divers bestand van vakmannen en -vrouwen opbouwen in de regio.’ 
Nieland schudde zijn grote vissenkop en trok fel van leer: ‘U heeft niet geluisterd. We zijn hier in het noorden gewend het allemaal zelf te regelen. We worden al sinds mensenheugenis aan ons lot overgelaten. Ik ben bang dat het niet eenvoudig zal zijn om uw plannen door te voeren.’ 

Interessant hoe de longvis zich eerst aan mijn kant schaart, als een idealist, dacht Roggeveen, en dan snel oversteekt naar het perspectief van de plattelander die zijn eigen zaakjes regelt. Hij begon hem steeds weerzinwekkender te vinden. Zijn tong leek wat te groot voor zijn mond, waardoor hij sliste en wat dommig overkwam. Maar dom was deze Nieland allerminst. Zoveel was wel duidelijk. 

‘We klagen over vocht in onze huizen, over onze vrouwen die sterven van de jicht en astma, over de boeren die zich kapot werken op schamele stukjes grond. We klagen en klagen, maar we houden er ook van. Snapt u? Dat is wat ik hier geleerd heb.’

Tussen de bomen van het moerasbos was een man bezig met een touw en een stok. Hij leek iets op spanning te zetten. De ingenieur begreep niet wat er gaande was en wees zijn metgezel erop. 
‘Dat is een stroper’, zei deze zonder op of om te kijken.
‘Maar dat is toch verboden?’
Nieland begon onbedaarlijk te lachen, waarbij zijn paarse tong helemaal naar buiten stak. Roggeveen voelde een gevoel van misselijkheid omhoog kruipen.

5

Roggeveens vermoeden dat er wel eens iets zou kunnen breken, bleek correct. Enkele van zijn potten met zelfgekweekte en ingemaakte groenten waren stuk gegaan, evenals – en dat was echt zorgelijk – bijna al zijn ampullen met sportherstelvloeistof. Een grote enveloppe met waardepapieren, door zijn vader vanuit Indië verstuurd, was ermee besmeurd geraakt.

De herbergier was een pezige, gespierde man die Wouter Stiefbeen heette. Hij hielp Roggeveen met het afladen van zijn bagage.
‘Kent u meester Nieland?’, vroeg Stiefbeen terloops, terwijl hij een van de kisten optilde. 
‘We hebben zojuist tijdens de rit kennisgemaakt.’
Stiefbeen schudde zijn hoofd. ‘Dat dacht ik al. Ik heb hem in alle vroegte zien vertrekken. Hij wilde zo nodig de eerste zijn om u te ontmoeten. Pas maar op voor hem. Die smoest met iedereen.’ 

Roggeveen knikte. Nieland was er een om rekening mee te houden. Maar het is uitstekend dat hij met iedereen smoest, dacht de ingenieur, dan weet tenminste ook iedereen dat ik er ben. Inclusief de landheer.

Stiefbeen had de zware eikenhouten deur geblokkeerd met een klosje, zodat de doorgang vrij bleef. De heerlijke geur van een knapperend haardvuur waaide naar buiten. Terwijl de herbergier met grote stukken bagage de trap op en neer liep, schreef de ingenieur zich in bij de waardin, een stevige dame met dun kortgeknipt haar en een volkomen uitgestreken gezicht. 

Roggeveen kreeg de sleutel met kamernummer 215 en keek de vrouw vragend aan.
Ze slaakte een zucht. ‘Ja, dat is een grapje van mijn man. We hebben maar tien kamers natuurlijk, het is tenslotte een herberg. Wouter vindt dit soort dingen leuk.’

De ingenieur vroeg om een formulier, het leek hem goed om een telegram naar zijn moeder te sturen. Ze vond de tocht naar Oost-Groningen doodeng en gevaarlijker dan de reizen die zijn vader geregeld naar Oost-Indië ondernam. De waardin vroeg of hij nog iets wilde eten. Omdat Roggeveen nog steeds misselijk was hield hij het bij een kommetje bouillon.

***