De Utopist: J.C. Roggeveens wonderlijke dromen van het achterland - Hoofdstuk 3

18 oktober 2019 Door Leestijd: 13 minuten

Hoe ingenieur Roggeveen een wandeling maakte door Paardenvlijt en hoe hij dorpsmeester Nieland onder verdachte omstandigheden aantrof. Hoofdstuk 3 van een snoeiharde streekroman.

Afbeelding: Peter Boersma

3.1

Om ervoor te zorgen dat zijn verblijf zo aangenaam mogelijk verliep had Roggeveen voor zichzelf een routine op orde gebracht. Hij stond om zeven uur op, gooide een plens water in zijn gezicht en daalde af naar de gelagkamer om een licht ontbijt van havermout met zuidvruchten te nuttigen. Hierbij dronk hij warm water waarin hij een citroen uitperste. 

Na zijn ontbijt ging hij terug naar zijn kamer om te sporten. In zijn uitgebreide bagage van kisten en koffers had ook zijn thuisroeier gezeten. Hij noemde het zijn ontnuchteringsapparaat. ‘Wie veel in zijn hoofd bezig is, doet er goed aan zijn lichaam er zo nu en dan van langs te geven’, zei hij tegen mensen die zich afvroegen waarom hij zichzelf telkens opnieuw aan dat mechanische kruis nagelde.

Stiefbeen had hem geholpen het roeiapparaat in elkaar te zetten. Een tijdrovend klusje, omdat het bewegende mechaniek veel bouten en moeren en een hoop onderdelen bevatte. Het was van belang alles heel precies te doen. Bovendien moest de ketting van het bewegende zitvlak goed afgesteld worden. 

De waardin was op den duur naar boven gekomen om polshoogte te nemen. Stiefbeen had enthousiast plaatsgenomen op het stoeltje en zijn voeten vastgegespt om haar de werking te demonstreren. Er was iets van de oude sportman in hem ontwaakt. 

‘Dat ding verplaatst alleen lucht’, zei ze bozig.
‘Het is geen verspilde energie,’ legde Roggeveen haar uit, ‘het is energie die je investeert in jezelf.’ Ze bleef met haar armen over elkaar staan en keek nors naar haar man die fanatiek roeibewegingen maakte. 

Roggeveen voelde zich geroepen Stiefbeen te hulp te schieten. Hij las een stukje voor uit zijn manuscript voor het boek dat uiteindelijk De Vegetarische Wil zou gaan heten: ‘Ieder mens, ieder lichaam, is een begin, een instrument tot geluk. Een uitgebalanceerd dieet is daarom van belang, evenals lichamelijke oefening. Wie een land wil opbouwen moet met gymzalen beginnen.’

De waardin knikte en zei dat haar man al een eigen gymzaal had en dat zij naar boven was gekomen om hem te zeggen dat hij hout moest gaan hakken. Stiefbeens gezicht betrok en hij liet gelaten zijn armen zakken. 

Er was iets in hem veranderd sinds sinds Adriaan Fonk op zeker moment met vage excuses in zijn Hanomag gestapt was en met onbekende bestemming was vertrokken. Boukje had sinds het vertrek van Fonk het heft weer stevig in handen genomen en ze wilde niet dat haar man opnieuw zou worden ingepalmd door een praatjesmaker. Ze bekeek de ingenieur dan ook met een zekere argwaan. 

3.2

Het was een mooie ochtend, een van de eerste die Roggeveen in Paardenvlijt meemaakte zonder mist. 


Het dorp deed hem denken aan een klauw met vier kromme vingers. De Brink en herberg Het Vaandel bevonden zich in de handpalm. De loods van de vrijwillige brandweer zat min of meer op de plek waar je de duimnagel zou verwachten, het kasteel van Paardenvlijt trof je in het denkbeeldige verlengde van de ringvinger, de burgemeester woonde halverwege de wijsvinger en om bij het meer te komen moest hij de middelvinger aflopen die overging in een onverhard pad door de rand van het moerasbos, waar lage struiken groeiden. 

Roggeveen liep met Alma que Grande door de straatjes van Paardenvlijt. Om de zoveel meter kon de hond het niet meer opbrengen verder te gaan en dan moest de ingenieur op het beest inpraten, beloftes doen van lauwe thee en vlees in de pot. Roggeveen was zelf geen voorstander van vleesconsumptie, maar hij begreep dat een hond niet zonder kon.

Ze passeerden een kuiperij waar de prijs van diggelen en ringen op een bord stond. De bakker stond buiten in zijn witte schort een sigaretje te roken. Ze knikten naar elkaar. 

Er was iets vreemds in de omgang met de dorpelingen. Roggeveen probeerde geregeld een praatje aan te knopen, maar ontspannen waren die gesprekjes nooit. Net alsof ze collectief hun adem inhielden en alleen wilden spreken als ze daartoe van hogerop een teken hadden gekregen.

Roggeveen vermoedde dat dit te maken had met de invloed van de kasteelheer. Hij had de man nog niet gezien, maar al wel ontdekt dat deze als een onzichtbare, ondefinieerbare kracht overal achter zat. 

Als de ingenieur mensen vroeg hoe ze de toekomst hier zagen en wat ze ervan vonden dat er een tweede dorp of zelfs stad op het water werd gebouwd, kreeg hij van niemand een direct antwoord. Ze haalden hun schouders op, alsof ze geen verwachtingen hadden. 

In een paar gevallen had hij gezien hoe ze steelse blikken over hun schouder wierpen in de richting van de Ringvingerstraat, waar je aan het einde op een grote heuvel het kasteel zag verrijzen. Het bouwwerk leek op zichzelf te staan, maar dat was een optische illusie, wist Roggeveen. In feite maakten kasteel en dorp deel uit van hetzelfde systeem.

De kasteelheer is een dynamo, bedacht Roggeveen tijdens zijn wandeling. Hij transformeert de ene soort energie in de andere. Het werk dat de dorpsbewoners voor hem deden, op het land en in de smokkel, werd vertaald naar energie die terechtkwam in zijn bedrijven, maar ook weer terugvloeide naar het dorp zelf. 

Roggeveen had van Stiefbeen begrepen dat de kasteelheer de dorpsschool sponsorde en dat hij er zelfs voor had gezorgd dat er elektrische lantaarnpalen waren gekomen. Los van de vrijwillige brandweer hoorde je dan ook nauwelijks klachten over de kasteelheer. De sluikhandel was dan misschien door hem gemonopoliseerd, maar dat bracht ook rust en orde in het dorp. De landelijke politiek zou veel meer moeten doen dan alleen maar een fabriek bouwen, als ze hier ooit recht van spreken wilden krijgen. 

Mijmerend liep Roggeveen de Middelvingerstraat in, toen hij een vrouw druk in de weer zag met een bezem. Ze deed verwoede pogingen een stoep te schrobben die ogenschijnlijk helemaal niet vies was. Haar hoofd bleef naar de grond gericht, ook toen Roggeveen bleef staan en naar haar keek. 

‘Was u aanwezig bij mijn voordracht in de herberg?’, vroeg de ingenieur. Er kwam geen reactie. ‘Ik ben benieuwd hoe u tegen de toekomst aankijkt.’

De vrouw rechtte haar rug en hief haar hoofd op. Ze moest ooit mooi zijn geweest, maar jaren van harde huishoudelijke arbeid, en wellicht ook het harde kalkhoudende water, hadden haar trekken hoekig en scherp gemaakt. Twee lijnen sneden vanaf haar mond omlaag en op haar voorhoofd was een frons verschenen. Ze is nog steeds mooi, op een bepaalde manier, dacht Roggeveen, mooi als schoongewassen katoen.

‘Ik was niet bij uw verhaal, maar mijn man wel.’
‘Wat vond hij?’
Er verscheen een cynisch lachje om de vermoeide mond van de vrouw. ‘Hij kon zich er niets van herinneren. Hij had teveel gezopen… op uw kosten, begreep ik.’ 
‘Ach, dat is spijtig. Het verhaal was juist bedoeld om de vensters van de verbeelding open te zetten en mensen te inspireren.’  

‘Weet u hoe ze u noemen?’
‘Wie?’
De vrouw maakte een breed gebaar met haar arm. ‘De mensen. Ze noemen u de jukebox.’
‘De jukebox?’
‘Ja, gooi er een kwartje in en er komt een liedje uit.’ De vrouw gierde het uit van het lachen.
Ze is gek geworden, dacht Roggeveen en vervolgde zijn weg naar het meer. Eerst snel, toen langzamer en toen zo langzaam dat Alma zelfs voor hem uit liep. 

3.3

Bij het strandje aangekomen nam hij plaats op de aarden wal die door afslag van het meer was ontstaan en keek een tijdje naar een vreemde boom met gele bladeren die langs de waterkant stond. Gedachtes kwamen en gingen weer. Hij verzette zich niet en liet alles wat hij zag, hoorde en voelde door zich heen gaan. 

De boom intrigeerde hem. Terwijl alle andere bomen hun bladeren allang hadden laten vallen, droeg deze nog een prachtige bladertooi van felgele bladeren. Een lichtende fakkel in een dorre omgeving. 

Zijn aandacht verschoof naar de ijsvlakte voor hem. De Paardenvlijters hadden een groot wak gemaakt voor de watervogels. Deze uiting van dierenliefde verbaasde Roggeveen, aangezien hij ze had leren kennen als een behoorlijk ruw volk dat niet terugdeinsde voor stroperij. 

Hij zag hoe vogels van allerlei pluimage rond het wak waren gaan zitten. Snaterend en kwetterend. Kortpotig naast langpotig. Botte snavels om te scheppen naast scherpe snavels om te prikken. Snavels die waren ontworpen om mee in een holletje te wroeten. Snavels die aan de chemie in de grond konden voelen of er een prooi aanwezig was. 

Iedereen was gekomen voor de dorpsvergadering rond het wak. De ingenieur zag hoe tafeleenden in druk gesprek waren met smienten en hoe de pijlstaarten een onderonsje hadden met elkaar. Waterrallen liepen over het ijs, terwijl in het midden van het wak een vloot roerdompen rondjes zwom. Een knobbelzwaan, een oude aristocraat, keek van een afstandje naar het gepeupel.

Het gevoel erbij te horen en deel te nemen aan de watervogelvergadering begon de ingenieur te overspoelen. Dit was wat hij bedoelde wanneer hij zei dat de mens onderdeel van de natuur was. 

Na twintig minuten werd hij opgeschrikt door opgewonden gekakel van de eendenmensen. Een aantal van hen had de nek gestrekt en stond luid snaterend langs de oever, alsof ze boos waren op het verdorde riet. De oorzaak van de opwinding bevond zich in een bocht, net buiten zijn zichtveld. Roggeveen speurde langs de rietkraag en ontdekte een klein, moeilijk begaanbaar sluipweggetje. Hij besloot te gaan kijken wat er aan de hand was. 

Dichterbij gekomen constateerde de ingenieur dat er een slachting had plaatsgevonden. Drie tafeleenden en een roerdomp hingen aan een strik. Koudbloedig geëxecuteerd, gewurgd met de dodelijke lus van een pianosnaar. Dat is de reden van het wak, dacht de ingenieur bitter, ze hebben het gemaakt om eenden te lokken en te vermoorden.

Met tranen in zijn ogen probeerde Roggeveen de dieren los te maken. Dat lukte niet al te best. Plotseling klonken er naderende stemmen. De stropers! Roggeveen baande zich een weg terug naar het strandje en bereidde zich mentaal voor op een knokpartij.

3.4

Tot zijn stomme verbazing waren het geen stropers, maar was het de longvis. Maar wacht, had hij nou een kind bij zich? Hield ze zijn arm vast?

Bij het zien van Nieland sloeg Alma que Grande weer aan. ‘Laat dat Alma’, siste Roggeveen en keek streng naar zijn hond. 'Hier heb jij niks mee te maken.’

Roggeveen draaide zijn hoofd weer om naar de twee personen. Hun handen leken nu toch los van elkaar. De ingenieur had moeite te verwerken wat hij zag. Wat deed Nieland hier? Op dit tijdstip, met een jong meisje? 

Roggeveen voelde zijn wangen gloeien, alsof hij betrapt was. Hetzelfde gebeurde bij Nieland, die zich eerst geen houding wist te geven. Zijn handen hadden rond gefladderd tijdens het spreken. Ze hadden dingen aangewezen, haar arm gepakt, haar schouders aangeraakt. Nu stopte hij ze snel in zijn zak, alsof hij die schuldige lichaamsdelen wilde verbergen. 

Roggeveen had zijn conclusies allang getrokken. Maar was het waar? Ze was mooi, het meisje dat bij Nieland was. Maar ze kon hooguit twaalf zijn. De ingenieur werd misselijk van die verschrikkelijke gedachte.

‘Nieland!’, kraaide hij nerveus, met overdreven verbazing. 'In alle vroegte aan de wandel?’
‘Er gaat niets boven onderwijs in de natuur’, zei deze vlug. 'Wij leren van de school die de wereld is.’
‘U heeft gelijk, waarom zou je lesgeven in een lokaal als de echte kennis zich buiten bevindt.’ Hij glimlachte naar het meisje, ze sloeg verlegen haar ogen neer. 

‘Maar waar is de rest van uw klasje gebleven?’
‘Zoals ik 's anderendaags al uitlegde, de kinderen worden nogal eens naar het land geroepen. Miriam hier is mijn trouwste leerling.’ Nieland liet een zenuwachtige, schelle lach ontsnappen. Het meisje aaide Alma, die het zich gelukkig liet welgevallen. 

Roggeveen had een vreemde droom gehad over Nieland, die op dit moment weer in alle hevigheid terugkwam. Tijdens de droom zat hij weer in de koets met de schoolmeester die een eindeloos betoog hield over de lokale politiek. Zijn tong, die hij natuurlijk opgerold in zijn buik had bewaard, kwam steeds verder naar buiten. Het had iets verontrustend seksueels. Het puntje van de tong ging voorzichtig Roggeveens mond binnen en drong daarna steeds dieper in zijn keelgat. 

Roggeveen was kokhalzend wakker geworden. Alleen met ademhalingsoefeningen kon hij zichzelf kalmeren. De ingenieur besloot dat het tijd werd om de longvis op zijn hotelkamer uit te nodigen. 

‘Zeg Nieland, zou ik u even onder vier ogen kunnen spreken?’
‘Uiteraard. Miriam, ik zie jou vanmiddag weer op school.’
Het meisje zei snel gedag en haastte zich het pad op dat naar het dorp voerde. Beide mannen keken haar zwijgend na. De ingenieur dacht koortsachtig na over wat hij nu moest zeggen.

‘Wat kan ik voor u doen?’, vroeg Nieland.
‘Het is hier prachtig, zo sereen, vindt u niet?’
Nieland knikte en vertelde Roggeveen over de groeiende heuvels die twee miljoen jaar geleden in het moerasbos te vinden waren. ‘Dat waren ijsklompen bedekt met aarde, en die heuvels werden omhooggedrukt door het aangroeiende pakijs onderop. Toen dat smolt raakten deze poelen gevuld met organisch materiaal, dat hebben wij er recent allemaal weer uitgeschept om te verstoken in onze kachels.’
‘Turf!’
‘Zeker.’

‘Interessant zeg. Bent u dat met, eh… Miriam gaan bekijken?’
Nieland knikte wat afwezig. ‘Ze wil een werkstuk schrijven over de groeiende heuvels die nog steeds bestaan op Groenland.’
De ingenieur was ervan overtuigd dat Nieland loog. Hij vroeg hem of hij later die dag naar de herberg wilde komen. De dorpsmeester ging akkoord en spoedde zich vervolgens terug naar het dorp.

Roggeveen besloot nog even aan de rand van het meer te blijven. Hij voelde woede opkomen in zijn lijf. Wat dacht die Nieland wel? Dat hij weggedoken in de modder rustig een klein visje kon verschalken? Met de hak van zijn schoen maakte hij gaten in het strandje. 

Plotseling dacht hij weer aan de omgebrachte vogels. De ingenieur verdween in het riet om even later terug te komen met de vier lijken van zijn gevleugelde broeders. Hij begroef ze en bleef een tijdje stil bij de graven staan. Daarna liep hij terug naar het dorp. Alma draafde als een dressuurpaard met sierlijke passen voor hem uit, haar hoofd al bij de open haard.

Roggeveen liep langzaam en dacht na. Hij bewoog zo traag dat hij er koud van werd. Voordat hij terugkeerde naar de herberg besloot de ingenieur eerst een bezoek te brengen aan het postkantoor, waar naar hij begreep de veldwachter, Fred van Lier, te vinden was.

***

Begin gemist? Lees hier hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 van De Utopist.