De Utopist: J.C. Roggeveens wonderlijke dromen van het achterland - Hoofdstuk 4

24 oktober 2019 Door Leestijd: 16 minuten

Hoe Fred van Lier veldwachter werd in Paardenvlijt en waarom hij moeite had met het verzoek van Roggeveen iets te doen aan de stroperij. En hoe de ingenieur op zijn kamer met meester Nieland sprak. Hoofdstuk 4 van een snoeiharde streekroman.

Afbeelding: Peter Boersma

4.1

Fred van Lier was veldwachter geworden op voorspraak van zijn vader, die notaris was in Extergarijp. Hij deed het werk nu een jaar en in die tijd had hij begrepen dat er subtiele, ongeschreven regels bestonden over wat er wel en niet van hem verwacht werd. Het betekende in de praktijk dat hij zich koest moest houden en moest wachten op instructies van de landheer. 

In militaire dienst was het niet anders geweest. Daar had Fred geleerd hoe je met verveling om moest gaan. Hij was onderofficier technische dienst, maar er was helemaal geen techniek of materieel dat onderhoud vereiste. Hij bracht zodoende zijn dagen door met tekenen, waar hij een ongekend talent voor bleek te hebben. 

De gevechtsscènes tussen de Romeinen tegen de Kelten en Germanen die Fred tekende, vonden gretig aftrek onder de manschappen. Al snel kwamen zijn tekenkwaliteiten de wachtmeester ter ore, die het doorvertelde aan de kapelmeester. Zo kwam het dat Fred zich op een dag bij de kapitein moest melden.

De kapitein was bezig met wat papieren, toen Fred binnentrad. Hij had een gezicht van krijt waarin met houtskool scherpe lijnen waren aangebracht. Zwarte wenkbrauwen, koolzwarte ogen. Bij zijn slapen was het haar weggeschoren, terwijl hij bovenop de langere lokken in een golf naar achteren had gekamd. Hij had brylcreem gebruikt.

‘Ga zitten’, zei de kapitein bits, zonder op te kijken. Hij zette zijn handtekening onder nog zeker drie ordonnanties voordat hij opkeek en een tekenvel omhoog hield.

‘Is dit van jou?’ 
Fred voelde het bloed uit zijn gezicht wegtrekken. Hij herkende zijn tekening van de slag bij het Teutoburgerwoud, een beroemd treffen tussen Romeinse legioenen en de Germanen, en knikte aarzelend.
Het gezicht van de kapitein klaarde op. ‘Het is geweldig.’ 

Fred wist niet wat hij hoorde. De man die hij voor een ijzervreter had versleten, was enthousiast over een potloodtekening.

‘We willen dat je een schilderij maakt op de muur van de officiersmess.’
‘Een wandschildering?’
‘Ik dacht aan de held van Quatre Bras.'
‘Willem II tijdens Waterloo?’
‘Je twijfelt.’
‘Kapitein, met uw welnemen, we bevinden ons in de Adolf van Nassaukazerne, zou de slag bij Heiligerlee niet geschikter zijn?’
‘Daar zit wat in, soldaat. Ik verwacht over een week je eerste schets.’

Van Lier kon zijn geluk niet op. Hij vond een boek over de Tachtigjarige Oorlog in de bibliotheek van Groningen en ontdekte hoe de ijzeren werkpakken van de kurassiers in elkaar zaten. Hij maakte er technische tekeningen van en las met interesse dat er wel achthonderd klinknagels nodig waren om de honderdzevenenzeventig losse, geblauwde plaatdelen aan elkaar te zetten. 

4.2

Kurassiers dragen een halfgesloten stormhoed, schouderstukken, armstukken, handschoenen, korte kogelvrije borst- en rugplaten en beenplaten tot aan de knie. Ze zijn bewapend met twee makkelijk te hanteren vuurwapens en een zwaard of lans. Het paard waarop ze rijden wordt geselecteerd op zijn kracht en omvang. 

De kurassiers speelden een cruciale rol in de pre-moderne oorlogvoering en werden voor het laatst ingezet op 12 augustus 1914 tijdens de slag bij Halen, toen de Duitse cavalerie zich met blanke sabels te pletter reed op Belgische mitrailleurstellingen. 

De stadhouder van Groningen, Jan van Ligne, had op 23 mei 1568 tweehonderd van deze moordmachines tot zijn beschikking, en meer dan drieduizend man infanterie. Hij was gelegerd bij Winschoten en klaar om het leger van Lodewijk van Nassau aan te pakken. Eigenlijk had hij willen wachten op versterkingen, maar zijn mannen waren ongedurig en op krijgsbuit belust. Ze overtuigden hun veldheer tot de aanval over te gaan. 

Lodewijk van Nassau, die samen met zijn broer Adolf leiding gaf aan de opstandelingen, had al een charge uitgevoerd en maakte zich uit de voeten over een smalle weg die tussen twee heuvels door in de richting van een klooster voerde, dat ook op een heuvel lag. Daar was Lodewijks infanterie gelegerd.

De kurassiers van de stadhouder zetten de achtervolging in. Tweehonderd paarden dreunden als rollend onweer achter elkaar aan. 

De situatie was niet ideaal. De tankdivisie van je leger wil je het liefst breed laten uitwaaieren, om zo over de vijand heen te walsen. Nu galoppeerden de pantsereenheden vruchteloos achter elkaar aan, hun harnassen glanzend van de motregen in mei. Achter hen volgde meer dan drieduizend man infanterie in looppas. 

Eindelijk bereikten ze open terrein, waar kleine plukjes opstandelingen weinig ontzag inboezemden. Maar zodra ze de weg verlieten beseften de kurassiers dat ze in een hinderlaag gelokt waren. Het terrein was zompig en oneffen en de zware paarden zakten weg in het moeras. Ze struikelden, konden moeilijk keren en wierpen hun berijder af. 

Tot overmaat van ramp doken van alle kanten ineens extra vijandelijke manschappen op, met de modernste vuurwapens in de aanslag. Driehonderd Waalse scherpschutters hadden zich in turfputten verstopt, verspreid over het veld. Ze begonnen de koningsgezinde troepen nu met hun haakbussen te bestoken. De strijd werd in twee uur beslecht in het voordeel van de opstandelingen, met enorme verliezen aan Spaanse zijde. 

4.3

Het pak van de kurassier woog negenendertig kilo. Om een indruk te krijgen van dat gewicht stopte Fred stukjes ijzer in zandzakjes en hing deze om zijn schouders en rond zijn heupen. Het was zwaar – en dan moest je ook nog gevechtshandelingen verrichten en op een paard blijven zitten. 

Hij haalde een van zijn makkers over om de zandzakken om te doen en maakte schetsen van de verschillende houdingen die iemand kon aannemen met dat gewicht om z’n schouders. ‘Het is alsof je me een aambeeld hebt aangetrokken’, klaagde de soldaat.

De muurschildering werd onthuld met een feest waarbij alle troepen aanwezig waren. Er werd zelfs jenever geschonken – niet te veel, een glaasje per persoon.

Fred had ervoor gekozen een kurassier van Spaanse zijde centraal te stellen en te laten zien hoe man en paard wegzakten in het Groningse moeras, terwijl een scherpschutter de Spanjaard vanuit een turfput onder vuur nam. Het appelleerde aan het Nederlandse sentiment dat we in tijden van oorlog altijd nog op het landschap en de inundatie daarvan kunnen vertrouwen.

Tijdens de festiviteit stond Fred in een hoekje te praten met de mannen waarmee hij een slaapzaal deelde. ‘Het leuke is: dat harnas is van Nederlandse makelij’, zei hij terwijl hij van zijn jenever nipte.
‘Dat van die Spanjaard?’
‘Jazeker’,  zei Fred. 'En weet je, eigenlijk is er niet zoveel veranderd. We produceren tegenwoordig ook wapens voor Duitsland, Siderius doet het in de haven van Rotterdam, heb ik gehoord.’
'Dat heb ik ook gelezen,' zei een ander, ’maar Ruijs de Beerenbrouck heeft het ontkend.’
‘Dat is een aristocratische windbuil’, zei een derde soldaat. 'Die zit al zo lang in de politiek dat liegen een tweede natuur is geworden.’

‘Hoe dan ook,' zei Fred met de air van een kenner, hoewel hij er alleen maar een boekje over gelezen had, 'Nederlanders hebben altijd goed verdiend aan oorlogen, zeker in de zeventiende eeuw. De Republiek in oprichting werd toen het wapenarsenaal van Europa genoemd.’

‘Wil je zeggen dat het weer oorlog wordt?’, vroeg een soldaat die half had meegeluisterd.
‘Dat zeg ik niet. Het enige dat ik zeg is dat áls het weer oorlog wordt wij Nederlanders er wel van zullen profiteren. Kijk naar de Grote Oorlog, we hebben toen uitstekend verdiend.’

Kort na de feestelijke presentatie van de muurschildering kwam er een grote ontslagronde. Ook Fred kon zijn biezen pakken.
‘We moeten mensen laten gaan’, vertelde de kapitein aan zijn onderofficier technische dienst. 
‘Wegens bezuinigingen?' 
‘Wegens andere prioriteiten.’ 

Het leger investeerde de vrijgekomen middelen in vier nieuwe kanonnen van de firma Siderius.

4.4

Omdat hij toch ook een publieke functie had, vond Fred dat hij op z'n minst een kantoortje moest hebben waar mensen hem konden opzoeken. Zodoende werd hem toegestaan in de centrale hal van het postkantoor in Paardenvlijt een eigen plek in te richten. Hij besloot een kantoortje op te trekken uit grove houten planken die hij van een boer had gekregen, in ruil voor een tekening van zijn vrouw en koeien. 

De ruimte had wat weg van een een pionierswoning in een westernstadje. Er stond een bureau met daarop zijn typmachine en thermoskan. Verder had hij een boekenplank opgehangen en een haakje voor zijn jas. Er was een tweede stoel aanwezig, om het idee van een spreekkamer compleet te maken, maar daarop zat zelden iemand. In Paardenvlijt werden conflicten bij voorkeur onderling opgelost, daar hadden ze de veldwachter niet voor nodig. 

Vanuit zijn werkruimte zag Fred de dagelijkse stoet steuntrekkers voorbijkomen. Ze moesten een paar keer per dag stempeltjes halen om te voorkomen dat ze stiekem zouden gaan werken om wat bij te verdienen. 

Een droevig gezicht, vond Fred. Hij begon met een nieuwe serie houtskooltekeningen om zich ergens op te kunnen concentreren. In het open veld had hij tekeningen gemaakt van de borg, maar zijn handen waren op den duur te verkleumd om nog iets op papier te kunnen zetten. Nu werkte hij zijn schetsen verder uit op zijn kantoortje, gebruik makend van zijn geheugen en zijn kennis van licht en schaduw. Zo probeerde hij vooral het gevoel dat hij bij het bouwwerk had over te brengen. 

Vanuit de borg was menig leger vertrokken om zich te velde op de vijand te storten. Wie precies vanuit de borg vertrok en wie de vijand was verschilde in de loop der eeuwen nogal. Maar de omgeving was nagenoeg gelijk gebleven. 

Vierhonderd jaar geleden schreven de kroniekschrijvers over dit gebied: “Een eenzaam, waarlijk onbegaanbaar en dor land waar geen mens komt en geen man woont.” Fred vond het een mooie zin en zette hem boven zijn tekening. Op dat moment schrok hij op van een grote gitzwarte hondenkop die zijn door de deuropening stak, gevolgd door een glanzend geel lijf. Achter de hond kwam een man met gele haarlokken en een zandkleurige jas zijn cabine binnen.

De ingenieur wierp een stuk hout met een pianodraad op het bureau van de veldwachter.
‘U wenst?’, zei Fred droogjes. Hij was het gewend om behandeld te worden als voetveeg. 

De burgemeester en de landheer gebruikten hem voor allerhande persoonlijke klusjes. Ook als het niet persoonlijk leek, was het dat vaak toch. Zo moest hij de misstanden van het smokkelen aanpakken, maar alleen als het om smokkel van de dorpelingen ging. De grootscheepse sluikhandel van de landheer werd hij uiteraard geacht ongemoeid te laten.   

Ik wens?’ Roggeveen fronste zijn wenkbrauwen.
‘U wenst?’, herhaalde de veldwachter met een vragende blik.
‘Nou, vindt u niet dat er werk gemaakt moet worden van het stropen?’

Het stropen. Een van die ongeschreven regels. Fred wist dat hij op dit gebied beter niet kon ingrijpen. Het had ook weinig zin, want hij moest in zijn eentje een behoorlijk groot gebied handhaven en was zodoende altijd te laat. Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik ben maar alleen en ik sta dus altijd op achterstand.’
‘U kunt om versterking vragen.’

Van Lier zuchtte. Deze man wist kennelijk niet dat hij zelfs voor zaken als een nieuw uniformjasje moest smeken bij de burgemeester. 'Als ik autoriteit wil uitstralen, is een uniform onontbeerlijk’, had hij de laatste keer gezegd. De burgemeester had vervolgens met veel tegenzin wat fondsen vrijgemaakt, zodat de veldwachter tenminste nieuwe knopen aan zijn jasje kon laten zetten.

Het gesprek tussen Roggeveen en Van Lier was van korte duur. In zijn verontwaardiging had Roggeveen nagelaten een blik op de tekeningen van de veldwachter te werpen. Op een ander moment had hij deze zeker kunnen waarderen, maar nu stond zijn hoofd er niet naar. Bovendien moest hij zich haasten om zich voor te bereiden op de komst van de longvis.

4.5

De ingenieur maakte zijn kamer op orde. Dat wil zeggen: hij gooide zijn ordentelijke  werktafel vol met bankbiljetten en paperassen die hij in zijn lederen werktas had opgeborgen. Op de sofa lagen nog de waardepapieren en aandelen uit de enveloppe van zijn vader. Ze waren zo goed als ongedeerd uit de mediumlekkage gekomen. 

Er werd geklopt. Roggeveen liet de dorpsmeester binnen en Alma begon tot groot chagrijn van de ingenieur weer te blaffen. Het is een vervelende bijkomstigheid van een hond, dacht Roggeveen, ze voelen mensen feilloos aan en kunnen het dan niet helpen om te reageren. 

Hij sleepte het grote, onwillige dier de koude gang op en verontschuldigde zich tegenover zijn gast. ‘Neem me niet kwalijk, ze is wat onrustig.’
Nieland knikte. Hij was duidelijk geïntimideerd door de Duitse dog.

'Maak het u gemakkelijk', zei de ingenieur, die de vriendelijkheid zelve speelde. Hij schoot terug de gang op om te schellen voor thee en om te zien wat Alma deed. De hond had zich met de voorpoten over elkaar op de overloop uitgestrekt en nam niet eens de moeite haar kop op te tillen toen haar baas riep. Roggeveen sloot de deur achter zich en draaide zich richting de longvis, die op de sofa was gaan zitten. 

‘U handelt in teakhout?’, vroeg Nieland, wijzend op de stapel folders. 
De ingenieur jubelde van binnen, maar haalde alleen zijn schouders op. ‘Het is het bedrijf van mijn vader, hij wil graag dat ik zijn aandelen verkoop. Maar ik spendeer mijn tijd liever aan andere dingen.’

De meid kwam binnen met thee en onderbrak daarmee het gesprek. Roggeveen schonk in, terwijl de longvis een van de folders bestudeerde. Hij heeft het aas geroken, dacht de ingenieur tevreden. Alma was ongemerkt de kamer binnengelopen en ging uit protest tegen het bezoek onder het bureau van Roggeveen liggen. 

‘Luister, meester Nieland’, begon Roggeveen, niet wetende hoe hij precies moest beginnen. Nieland keek wat verstrooid op, hij was duidelijk verdiept geweest in de folder. Zijn gezicht was kalm en ontspannen, bijna onschuldig. Roggeveen zag de gesloten mond met de volle lippen en besefte dat daarachter de tong schuil ging waarover hij de afgelopen nachten zo afschuwelijk had gedroomd. 

De ingenieur slikte, schudde de herinnering van de droom van zich af en richtte zich tot zijn gast: ’Die lokale politiek waar u over sprak, ik denk dat ik het begin te begrijpen. In eerste instantie dacht ik aan de burgemeester, maar die heeft niets met de lokale politiek te maken, toch? Niet zoals u die bedoelt?’

Nieland schudde zijn grote hoofd. ‘Nee, ook de burgemeester moet zich aanpassen aan structuren die veel dieper gaan.’
‘Toch merkwaardig dat die oude gebruiken hier zo lang hebben weten te overleven.’
‘Dat komt door het landschap,’ zei Nieland ernstig, ’dat zorgt ervoor dat de lokale politiek ook echt lokaal is. De nationale politiek weet hier de weg niet.’ 
‘Maar ooit vertelde het landschap toch een ander verhaal.’
‘Wat bedoelt u?’
‘Ooit was het landschap modern en rationeel en had je hier herenboeren die scheepsladingen tarwe afvoerden.’

Nieland knikte langzaam, zich afvragend waar de ingenieur naartoe wilde. 
‘Is het waar wat ze zeggen?’, zei Roggeveen plotseling. Hij had een idee gekregen.
‘Wat is waar?’ Nieland keek de ingenieur niet-begrijpend aan. 
‘Die vergiftiging van de oogst, waardoor de boeren failliet gingen?’
Roggeveen sprak de woorden rustig uit, alsof het een vaststaand gegeven was waarover eigenlijk geen discussie meer bestond.

Er viel een stilte. 

Nieland schudde zijn hoofd. ‘U vergist zich. Het gaat niet om vergiftiging, maar...’ De dorpsmeester aarzelde.
‘Zegt u het maar, u kunt hier vrijuit praten.’
Nieland streek over zijn jasje. ‘Volgens mij heeft het weinig zin wat ik zeg, u bent toch allang vergiftigd door de roddel en achterklap van het dorp.’

Roggeveen liet zich niet zomaar afschepen. ‘De voormalige herenboeren die ik na afloop van mijn lezing sprak, zijn nog steeds woest, na al die jaren. Dat moet toch ergens vandaan komen?’ 
Nieland schudde langzaam zijn grote vissenkop. ‘Een misoogst is moeilijk te verkroppen, zeker als het jaar in jaar uit gebeurt. Geloof me, dan ga je vanzelf op zoek naar een zondebok.’

Roggeveen bood zijn gast een zelfgebakken koekje aan dat hij even daarvoor uit zijn bagage tevoorschijn gehaald had. Ook het hart en de geest van deze man kon hij winnen via de maag. De longvis snuffelde even aan het koekje, maar vertrouwde de groene kleur uiteindelijk niet en legde het terug op het schoteltje zonder er verder nog naar om te kijken. 

Roggeveen glimlachte, haast ongemerkt. ‘Vertelt u mij eens, meester Nieland, nu de landbouwgronden liggen te verpieteren en er nauwelijks nog pachtland is, waar haalt de kasteelheer momenteel zijn inkomsten uit?’
‘U noemt hem steevast de kasteelheer,’ zei Nieland met een meewarige blik, ’maar in feite is hij een moderne zakenman, met allerlei bedrijven. Hij heeft een houthandel, een begrafenisonderneming, een bouwbedrijf, er zijn boeren die vlas verbouwen voor zijn touwslagerij, en – o ja, hij heeft ook een kleine scheepswerf waar luxe motorjachten worden gebouwd. Ben ik nog iets vergeten?’ Nieland stak een vinger in de lucht alsof hij aanvoelde dat er nog iets kwam. ‘Ja, hij is een van de eersten in het noorden die experimenteert met de bollenteelt.’

‘Ah, verdraaid handig’, merkte Roggeveen op.
‘Pardon?’
‘Bij een begrafenis komen doorgaans veel bloemen kijken. En trouwens ook graafwerkzaamheden. Die bedrijven sluiten mooi op elkaar aan.’
De longvis deed zijn best, maar kon een glimlach niet onderdrukken. 'Zo had ik het nog nooit bekeken, maar u heeft gelijk.’

De ingenieur was inmiddels tot de conclusie gekomen dat meester Nieland niet toevallig bij hem aan boord was geklommen in de koets. Hij was door de kasteelheer gestuurd om alvast te weten te komen wat voor vlees hij in de kuip had. En nu begon Roggeveen op zijn beurt nieuwsgierig te worden naar de man die zich verscholen hield in middeleeuwse vestingwerken. 

Het schrijven van een boek hielp om je gedachten te ordenen en het zou goed dienst kunnen doen als pamflet om zijn nieuwe kolonie te promoten. Maar nog beter was het om zo snel mogelijk een begin te maken met die kolonie. Dan moesten er wel stappen gezet worden. 

Zonder omhaal vroeg hij Nieland of deze voor hem een onderhoud met de kasteelheer kon regelen. 
De meester knikte, om vervolgens op te staan en naar de deur te lopen. ‘U kunt morgen een antwoord verwachten.’ Zijn hand ging al naar de deurknop toen hij zich omdraaide. ‘Wat kosten die aandelen eigenlijk?’

Roggeveen glimlachte en spreidde zijn armen. ‘Stelt u zich een weelderig bos voor. Het groeit gestaag richting de hemel, hoog en sterk. Duizenden bomen met hoge, ranke stammen en ruisende bladeren. De kosten? Die zijn niet interessant. Het rendement wel, dat zal u op termijn een rustige oude dag opleveren.’

***

Begin gemist? Lees de voorgaande hoofdstukken van De Utopist.