De Utopist: J.C. Roggeveens wonderlijke dromen van het achterland - Hoofdstuk 4

24 oktober 2019 Door Leestijd: 14 minuten

Hoe Fred van Lier veldwachter werd in Paardenvlijt en waarom hij moeite had met het verzoek van Roggeveen iets te doen aan de stroperij. En hoe de ingenieur op zijn kamer met meester Nieland sprak. Hoofdstuk 4 van een snoeiharde streekroman.

Afbeelding: Peter Boersma

12

Fred van Lier was veldwachter geworden op voorspraak van zijn vader, die notaris was in Extergarijp. Het deed het werk nu een jaar en in die tijd had hij begrepen dat er subtiele, ongeschreven regels bestonden over wat er wel en niet van hem verwacht werd. Het betekende in de praktijk dat hij zich koest moest houden en moest wachten op instructies van de landheer. 

In militaire dienst was het niet anders geweest. Daar had Fred geleerd hoe je met verveling om moest gaan. Hij werd onderofficier technische dienst, maar er was helemaal geen techniek of materieel dat onderhoud vereiste. Hij bracht zodoende zijn dagen door met tekenen, waar hij een ongekend talent voor bleek te hebben. 

De gevechtsscènes tussen Romeinen, Kelten en Germanen die Fred tekende, vonden gretig aftrek onder de manschappen. Al snel kwamen zijn tekenkwaliteiten de wachtmeester ter ore, die het doorvertelde aan de kapelmeester. Zo kwam het dat Fred zich op een dag bij de kapitein moest melden.

De kapitein was bezig met wat papieren, toen Fred binnentrad. ‘Ga zitten’, zei hij bits, zonder op te kijken. Nadat hij zijn handtekening onder nog zeker drie ordonnanties had gezet, alleen om de soldaat te laten wachten, keek hij op en hield een vel papier omhoog. ‘Is dit van jou?’ 
Fred voelde het bloed uit zijn gezicht wegtrekken. Hij herkende zijn tekening van de slag bij het Teutoburgerwoud, en knikte aarzelend.
Het gezicht van de kapitein klaarde op. ‘Het is geweldig.’ 


Fred wist niet wat hij hoorde. De man die hij voor een ijzervreter had versleten, was enthousiast over een potloodtekening.
‘We willen dat je een schilderij maakt op de muur van de officiersmess.’
‘Een wandschildering?’
‘Ik dacht aan de held van Quatre Bras.'
‘Willem II tijdens Waterloo?’
‘Je twijfelt.’
‘Kapitein, met uw welnemen, we bevinden ons in de Adolf van Nassaukazerne, zou de slag bij Heiligerlee niet geschikter zijn?’
‘Daar zit wat in, soldaat. Ik verwacht over een week je eerste schets.’

Fred van Lier kon zijn geluk niet op. Hij vond een boek over de Tachtigjarige Oorlog in de bibliotheek van Groningen en ontdekte hoe de ijzeren werkpakken van de kurassiers in elkaar zaten. Hij maakte er technische tekeningen van en las met interesse dat er wel achthonderd klinknagels nodig waren om de honderdzevenenzeventig losse, geblauwde plaatdelen aan elkaar te zetten. 

13

Kurassiers dragen een halfgesloten stormhoed, schouderstukken, armstukken, handschoenen, korte kogelvrije borst- en rugplaten en beenplaten tot aan de knie. Ze zijn bewapend met twee makkelijk te hanteren vuurwapens en een zwaard of lans. Het paard waarop ze rijden wordt geselecteerd op zijn kracht en omvang. De kurassiers waren cruciaal in pre-moderne oorlogsvoering en werden voor het laatst ingezet op 12 augustus 1914 tijdens de slag bij Halen, toen de Duitse cavalerie zich met blanke sabels te pletter reed op Belgische mitrailleurstellingen. 

De stadhouder van Groningen, Jan van Ligne, had op 23 mei 1568 tweehonderd van deze moordmachines tot zijn beschikking, en meer dan drieduizend man infanterie. Hij was gelegerd bij Winschoten en klaar om het leger van Lodewijk van Nassau aan te pakken. Eigenlijk had hij willen wachten op versterkingen, maar zijn mannen waren ongedurig en op krijgsbuit belust. Ze overtuigden hun veldheer tot de aanval over te gaan. 

Lodewijk van Nassau, die samen met zijn broer Adolf, leiding gaf aan de opstandelingen, had al een charge uitgevoerd en maakte zich uit de voeten over een smalle weg die tussen twee heuvels door in de richting van een klooster voerde, dat ook op een heuvel lag. Daar was Lodewijks infanterie gelegerd.

De kurassiers van de stadhouder zetten de achtervolging in. Tweehonderd paarden dreunden als rollend onweer achter elkaar aan. De situatie was niet ideaal. De tankdivisie van het leger wil je het liefst breed laten uitwaaieren om zo over de vijand heen te walsen. Nu galoppeerden de pantsereenheden vruchteloos achter elkaar aan, hun harnassen zwart glanzend van de motregen in mei. Achter hen volgde meer dan drieduizend man infanterie in looppas. 

Eindelijk bereikten ze open terrein, waar kleine plukjes opstandelingen weinig ontzag inboezemden. Maar zodra ze de weg verlieten beseften de kurassiers dat ze in een hinderlaag gelokt waren. Het terrein was zompig en oneffen en de zware paarden zakten weg in het moeras. Ze struikelden, konden moeilijk keren en wierpen hun berijder af. 

Tot overmaat van ramp doken van alle kanten ineens extra vijandelijke manschappen op, met de modernste vuurwapens in de aanslag. Driehonderd Waalse scherpschutters hadden zich in turfputten verstopt, verspreid over het veld. Ze begonnen de koningsgezinde troepen nu met hun haakbussen te bestoken. De strijd werd in twee uur beslecht in het voordeel van de opstandelingen, met enorme verliezen aan Spaanse zijde. 

14

Het pak van de kurassier woog negenendertig kilo. Om een indruk te krijgen van dat gewicht stopte Fred stukjes ijzer in zandzakjes en hing deze om zijn schouders en rond zijn heupen. Het was zwaar – en dan moest je ook nog gevechtshandelingen verrichten en op een paard blijven zitten. Hij haalde een van zijn makkers over om de zandzakken om te doen en maakte schetsen van de verschillende houdingen die iemand kon aannemen met dat gewicht om z’n schouders. ‘Het is alsof je me een aambeeld hebt aangetrokken’, klaagde de soldaat.

De muurschildering werd onthuld met een feest waarbij alle troepen aanwezig waren. Er werd zelfs jenever geschonken – niet te veel, een glaasje per persoon.

Fred had ervoor gekozen een kurassier van Spaanse zijde centraal te stellen en te laten zien hoe man en paard wegzakten in het Groningse moeras, terwijl een scherpschutter de Spanjaard vanuit een turfput onder vuur nam. Het appelleerde aan het Nederlandse sentiment dat we in tijden van oorlog altijd nog op het landschap en de inundatie daarvan kunnen vertrouwen.

Tijdens de festiviteit stond Fred in een hoekje te praten met de mannen waarmee hij een slaapzaal deelde. ‘Het leuke is: dat harnas is van Nederlandse makelij’, zei hij terwijl hij van zijn jenever nipte.
‘Dat van die Spanjaard?’
‘Jazeker’, zei Fred. 'En weet je, eigenlijk is er niet zoveel veranderd. We produceren tegenwoordig ook wapens voor Duitsland, in de haven van Rotterdam, heb ik gehoord.’
'Dat heb ik ook gelezen,' zei een ander, ’maar Ruijs de Beerenbrouck heeft het ontkend.’
‘Dat is een aristocratische windbuil’, zei een derde soldaat. 'Die zit al zo lang in de politiek dat liegen een tweede natuur is geworden.’

‘Hoe dan ook', zei Fred met de air van een kenner, hoewel hij er alleen maar een boekje over gelezen had, 'hebben Nederlanders altijd goed verdiend aan oorlogen, zeker in de zeventiende eeuw. De Republiek in oprichting werd toen het wapenarsenaal van Europa genoemd.’
‘Wil je zeggen dat het weer oorlog wordt?’, vroeg een soldaat die half had meegeluisterd.
‘Dat zeg ik niet. Het enige dat ik zeg is dat als het weer oorlog wordt wij Nederlanders er wel van zullen profiteren. Kijk naar de Grote Oorlog, we hebben toen uitstekend verdiend.’

Kort na de feestelijke presentatie van de muurschildering kwam er een grote ontslagronde. Fred van Lier ontsprong de dans niet.
‘We moeten mensen laten gaan’, vertelde de kapitein aan zijn onderofficier technische dienst. 
‘Wegens bezuinigingen?' 
‘Wegens andere prioriteiten.’

Het leger investeerde de vrijgekomen middelen in vier nieuwe kanonnen.

15

Omdat hij toch ook een publieke functie had vond Fred dat hij op z'n minst een kantoortje moest hebben waar mensen hem konden opzoeken. Zodoende werd hem toegestaan in de centrale hal van het postkantoor in Paardenvlijt een eigen plek in te richten. Hij besloot een kantoortje op te trekken uit grove houten planken die hij van een boer had gekregen in ruil voor een tekening van zijn vrouw en koeien. 

De ruimte had wat weg van een pionierswoning in een westernstadje. Er stond een bureau met daarop een typmachine en zijn thermoskan. Verder had hij een boekenplank opgehangen en een haakje voor zijn jas. Er was een tweede stoel aanwezig, om het idee van een spreekkamer compleet te maken, maar daarop zat zelden iemand. In Paardenvlijt werden conflicten bij voorkeur onderling opgelost, daar hadden ze de veldwachter niet voor nodig. 

Dus werkte Fred van Lier in zijn kamer in alle rust aan een serie tekeningen over de Borg van Paardenvlijt. Van daaruit was menig leger vertrokken om zich te velde op de vijand te storten. Wie vanuit de borg vertrok en wie de vijand was verschilde in de loop der jaren nogal. Maar de omgeving was nagenoeg gelijk gebleven. 

Vierhonderd jaar geleden schreven de kroniekschrijvers over dit gebied: “Een eenzaam, waarlijk onbegaanbaar en dor land waar geen mens komt en geen man woont.” Fred vond het een mooie zin en zette hem boven zijn tekening. Net op dat moment betrad iemand op tamelijk bruuske wijze de houten cabine. Fred keek op. Roggeveen. De ingenieur wierp een stuk hout met een pianodraad op zijn bureau.

‘U wenst?’, zei Fred droogjes. Hij was het gewend om behandeld te worden als voetveeg. De burgemeester en de landheer deden niet anders. Ze gebruikten hem voor allerhande persoonlijke klusjes. Ook als het niet persoonlijk leek, was het dat vaak toch. Zo moest hij de misstanden van het smokkelen aanpakken, maar alleen als het smokkel was van de dorpelingen. De grootscheepse sluikhandel van de landheer, moest hij uiteraard ongemoeid laten.   

‘Ik wens?’ Roggeveen was rood aangelopen.
‘U wenst?’, herhaalde de veldwachter met een vragende blik.
‘Nou, vindt u niet dat er werk gemaakt moet worden van het stropen?’

Het stropen. Een van die ongeschreven regels. Fred wist dat hij op dit gebied beter niet kon ingrijpen. Het had ook weinig zin, want hij moest in zijn eentje een behoorlijk groot gebied handhaven en was zodoende altijd te laat. Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik ben maar alleen en ik sta dus altijd op achterstand.’
‘U kunt om versterking vragen.’

Fred van Lier zuchtte. Deze man wist kennelijk niet dat hij zelfs voor zaken als een nieuw uniformjasje moest smeken bij de burgemeester. 'Als ik autoriteit wil uitstralen, is een uniform onontbeerlijk’, had hij de laatste keer gezegd. De burgemeester had vervolgens met veel tegenzin wat fondsen vrijgemaakt, zodat de veldwachter tenminste nieuwe knopen aan zijn jasje kon laten zetten.

Het gesprek tussen Roggeveen en Fred van Lier was van korte duur. In zijn opwinding had Roggeveen nagelaten een blik op de tekeningen van de veldwachter te werpen. Op een ander moment had hij deze zeker kunnen waarderen, maar nu stond zijn hoofd er niet naar. Bovendien moest hij zich haasten om zich voor te bereiden op de komst van de longvis.

16

De ingenieur maakte zijn kamer op orde. Dat wil zeggen: hij gooide zijn ordentelijke  werktafel vol met bankbiljetten en paperassen die hij in zijn lederen werktas had opgeborgen. Op de sofa lagen nog de waardepapieren en aandelen uit de enveloppe van zijn vader. Ze waren zo goed als ongedeerd uit de sportherstelvloeistoflekkage gekomen. 

Er werd geklopt. Roggeveen liet de dorpsmeester binnen en maakte een sierlijke handbeweging richting de sofa. 'Maak het u gemakkelijk.' De ingenieur was de vriendelijkheid zelve en verliet de kamer om op de gang te schellen voor thee. 

‘U handelt in teakhout?’, vroeg Nieland, wijzend op de stapel folders naast hem. 
De ingenieur haalde zijn schouders op. ‘Het is het bedrijf van mijn vader, hij wil graag dat ik zijn aandelen verkoop. Maar ik spendeer mijn tijd liever aan andere dingen.’
De meid kwam binnen met thee en onderbrak daarmee het gesprek. Roggeveen schonk in, terwijl de longvis een van de folders bestudeerde. Hij heeft het aas geroken, dacht de ingenieur tevreden. 

‘Luister, meester Nieland’, begon Roggeveen nadat de meid de kamer had verlaten. 'Ik moet me ergens voor verontschuldigen.’ 
Nieland keek wat verstrooid op, hij was duidelijk verdiept geweest in de folder. Zijn gezicht was kalm en ontspannen, bijna onschuldig. Roggeveen zag de gesloten mond met de volle lippen en besefte dat daarachter de tong schuil ging waarover hij de afgelopen nachten zo afschuwelijk had gedroomd. 

De ingenieur slikte, schudde de herinneringen van de droom van zich af en stak van wal: ‘Ik ben tot het inzicht gekomen dat u laatst in de koets toch gelijk had. De lokale politiek is hier wel degelijk van groot belang.’
Nieland knikte en schoof wat naar voren op de sofa. Hij was blij om bevestigd te worden in zijn gelijk. 

‘Ik dacht aanvankelijk dat u de burgemeester bedoelde,' vervolgde Roggeveen, 'maar inmiddels besef ik dat de term lokale politiek hier verwijst naar de landheer.’
‘Dat klopt,’ knikte Nieland, ’oude structuren zijn nog van groot belang in deze omgeving.’
‘Hmm, ja. Maar ooit had de moderniteit ook hier voeten aan de grond.’ 
‘Wat bedoelt u?’
‘Ik refereer aan de herenboeren die hier grote percelen tarwe hadden. Is het waar wat ze zeggen?’
‘Waar doelt u op, Roggeveen?’ Nieland keek de ingenieur met gefronste wenkbrauwen aan. 
‘Op het feit dat de landheer heeft gezorgd voor de serie misoogsten van dertig jaar terug.’ Roggeveen sprak de woorden rustig uit, alsof het een vaststaand gegeven was waarover geen discussie meer bestond.

Er volgde een stilte. 

Nieland schudde zijn hoofd. ‘U vergist zich. Het gaat niet om vergiftiging, maar...’ De dorpsmeester aarzelde.
‘Zegt u het maar, u kunt hier vrijuit praten.’
‘Volgens mij heeft het weinig zin wat ik zeg, u bent toch allang vergiftigd door de roddel en achterklap van het dorp.’
‘De zonen van de herenboeren die ik na afloop van mijn lezing sprak, zijn nog steeds woest, na al die jaren. Dat moet toch ergens vandaan komen?’ 
Nieland schudde zijn grote vissenkop. ‘Een misoogst is moeilijk te verkroppen, zeker als het jaar in jaar uit gebeurt. Geloof me, dan ga je vanzelf op zoek naar een zondebok.’

Roggeveen bood zijn gast een zelfgebakken koekje aan dat hij even daarvoor uit zijn bagage tevoorschijn gehaald had. Het paste bij zijn overtuiging dat hij de harten en de geesten van de mensen kon winnen via de maag. De longvis snuffelde er even aan, maar vertrouwde de groene kleur uiteindelijk niet en legde het koekje terug op het schoteltje zonder er verder nog naar om te kijken. 

‘Vertelt u mij eens, meester Nieland, nu de landbouwgronden liggen te verpieteren en er nauwelijks nog pachtland is, waar haalt de landheer momenteel zijn inkomsten uit?’
‘U noemt hem steevast de landheer,’ zei Nieland met een meewarige blik, ’maar in feite is hij een moderne zakenman, met allerlei bedrijven. Hij heeft een bouwbedrijf, een bloemenhandel en zelfs een begrafenisonderneming.’
‘Ah, verdraaid handig.’
‘Pardon?’
‘Bij een begrafenis komen doorgaans veel bloemen kijken. En trouwens ook graafwerkzaamheden. Die bedrijven sluiten mooi op elkaar aan.’
De longvis deed zijn best, maar kon een glimlach niet onderdrukken. 'Zo had ik het nog nooit bekeken, maar u heeft gelijk.’

Roggeveen was inmiddels tot de conclusie gekomen dat meester Nieland niet toevallig bij hem aan boord was geklommen in de koets. Hij was door de landheer gestuurd om alvast te weten te komen wat voor vlees hij in de kuip had. Zonder omhaal vroeg hij Nieland daarom of deze voor hem een onderhoud met de borgbewoner kon regelen. 

De meester knikte, om vervolgens op te staan en naar de deur te lopen. ‘U kunt morgen een antwoord verwachten.’ Zijn hand ging al naar de deurknop toen hij zich omdraaide. ‘Wat kosten die aandelen eigenlijk?’

Roggeveen glimlachte en spreidde zijn armen. ‘Stelt u zich een weelderig bos voor. Het groeit gestaag richting de hemel, hoog en sterk. Duizenden bomen met hoge, ranke stammen en ruisende bladeren. De kosten? Die zijn niet interessant. Het rendement wel, dat zal u op termijn een rustige oude dag opleveren.’

***

Begin gemist? Lees de voorgaande hoofdstukken van De Utopist.