De vormgeving van de dood: een bezoek aan crematorium Hoentocht

6 mei 2021 Leestijd: 4 minuten

Bram Esser bezocht onlangs een crematorium in aanbouw. Hij zag er hoe een gebouw samengesmolten wordt met een kunstwerk en het landschap.

Foto: Peter de Kan

Evert de Niet, business developer bij uitvaartondernemer DELA, leidt me rond door een crematorium in aanbouw langs het Hoendiep. ‘Dit crematorium is klimaatneutraal’, vertelt Evert. ‘Het voldoet althans aan de BENG-norm, dat staat voor Bijna Energieneutrale Gebouwen.’
We kijken naar de buitenkant van het gebouw, die glimt van de zilverkleurige isolatiematten. Her en der piept een vrolijk kopje purschuim tussen de kieren omhoog.
‘Purschuim mag kennelijk nog wel, binnen de BENG-norm,’ vat Evert onze gedachten samen.

Verder probeert de aannemer het zo goed mogelijk te doen. De muren en plafonds bestaan voornamelijk uit hout, de oven wordt straks met groene stroom gestookt. Al voldoet veel groene stroom in Nederland natuurlijk vooral aan het zogenaamde GING-keurmerk, dat staat voor Groen Is Niet Groen.

Ik ben hier niet naartoe gekomen om het over keurmerken te hebben, maar om te bekijken hoe het gebouw is ingepast in de omgeving. Het ligt in een vreemd, heuvelachtig landschap dat onderdeel is van het Westpark. Die heuvels zijn ontstaan doordat de suikerfabriek hier het afgespoelde zand van suikerbieten deponeerde.

‘Het beeld dat nu ontstaat was aanvankelijk nooit zo bedoeld,’ zegt Evert, ‘wat we nu zien gebeuren is het initiatief van twee kunstenaars die bij de bouw betrokken zijn geraakt.’ Hij vertelt hoe Jeroen Doorenweerd en Erick de Lyon hier rondliepen en tot de conclusie kwamen dat het terrein niet deugde. Er moest grond worden opgestuwd, verplaatst en herschikt om zowel het kunstwerk dat zij hier maakten als het gebouw op hun plek te laten vallen.

We kijken vanaf het gebouw naar een brede, schuin oplopende schans. Deze geeft nabestaanden de mogelijkheid via een laantje met bomen naar een opgetilde horizon te lopen. Het kunstwerk zelf betreft een ‘zwevend’ pad dat als een langgerekte Japanse rotstuin in het groen ligt en aan de andere kant van het crematorium verder gaat.

De realisatie van het geheel was volgens Evert geen makkelijk proces, maar hij zegt het op een manier waaruit wel blijkt dat hij stiekem erg van dit soort klussen geniet. Het begon ermee dat hij bij de schenkers van het kunstwerk het idee van land art tussen de oren moest zien te krijgen. Niet dat ze tegen landschapskunst waren, maar zoals veel mensen dachten ze bij kunst toch aan een bronzen beeld op een sokkel. ‘Dat het kunstwerk ook een totaalbeeld kan zijn van gebouw en landschap, een harmonisch, elkaar versterkend geheel, drong pas geleidelijk door.’

De uitvoering ging niet van een leien dakje. De aannemer van het crematorium wilde precies weten tot waar zijn verantwoordelijkheid liep en waar die van de kunstenaars begon. Ook bleek het budget al snel bijzonder krap voor alles wat de kunstenaars wilden. ‘Maar doordat we weinig grond van buiten nodig hadden en konden herschikken en verplaatsen, is het toch gelukt.’

Foto: Peter de Kan

Terwijl we rondlopen komt een man op een fiets met fietstassen het terrein op rijden. Hij gaat rechtstreeks op Evert af, alsof hij weet dat hij hier de eindverantwoordelijke is.
‘Heeft het gebouw al een naam? Want anders weet ik er wel een’, steekt de man van wal.
‘Hoentocht,’ zegt Evert, ‘naar het watertje dat hier voorlangs loopt.’
‘Nou, dat vind ik niks. Je moet het West End noemen. Dat is een kroeg hier in de buurt. Als jongen reed ik altijd met mijn vader naar de groenteveiling, met paard en wagen. Ik moest bij het paard blijven als pa even twee jenevers achteroversloeg, hij kwam dan terug met een rolletje zoute drop. Ik ken het hier goed, hoor, dit gebied. Ik ging er altijd kievitseieren zoeken. West End, denk er maar over na, probeer de directie te overtuigen.’

De man vertelt dat hij al vijftig jaar getrouwd is en dat zijn huwelijk zo lang heeft standgehouden doordat hij regelmatig op de fiets stapt en uit huis is. Hij hoopt volgende week tachtig te worden. Maar als het zijn tijd is, gaat hij niet naar dit crematorium. ‘Ik ga gewoon in Hoogkerk liggen, daar kennen ze me, dat vind ik een prettig idee.’

Voor mij is het inmiddels ook tijd om te gaan. Ten afscheid vraag ik nog aan Evert hoe de toekomst van de duurzame uitvaart eruitziet.
‘Composteren’, zegt hij resoluut. ‘In Amerika is dat al heel groot, het zou echt een goede, duurzame stap zijn.’ Wat betreft vormgeving is er volgens hem op dat vlak nog een hoop te winnen: het composteerproces vindt in Amerika plaats in grote roestvrijstalen containers die nogal industrieel ogen. ‘En we hebben hier vandaag toch gezien hoe belangrijk vormgeving is voor de nabestaanden, om uiteindelijk vrede te hebben en op hun eigen pad door te kunnen.’

Ik stap op de fiets en kijk nog eenmaal naar het pad. Ik ben benieuwd of in de toekomst de kunstenaarsblik op gebouw en omgeving een vanzelfsprekende tandem gaan vormen. Het zou geen verkeerde ontwikkeling zijn.

***