Een goed plan op de verkeerde plek

15 april 2021 Leestijd: 17 minuten

Groningen moet 20.000 nieuwe woningen bouwen. Die komen allemaal in de bestaande stad. Nou ja, bijna allemaal. Drie stukjes grond blijven moedig weerstand bieden tegen het voortschrijdend inzicht van de stadsontwikkeling: De Held 3 en Polder de Verbetering aan de westkant van de stad en de Eemskanaalzone Deelgebied 4 in het oosten. Misschien is het verstandig de plannen voor deze gebieden nog eens goed tegen het licht te houden.

Euvelgunnerweg, 1983 // Foto: Douma/Boersma // Collectie Groninger Archieven

Rupsje Nooitgenoeg

Tijdens de sneeuwdagen eerder dit jaar zag ik op Facebook een set foto’s voorbijkomen van de horrorwinter van 1977. Ze waren genomen rond de buurtschappen Oude Roodehaan en Euvelgunne. Het was goed dat het erbij stond, want anders had ik het niet herkend. Niet vanwege de grote bergen sneeuw, maar omdat dit deel van de stad in de afgelopen dertig jaar een enorme transformatie heeft ondergaan.

Zelf kan ik me niet meer voor de geest halen hoe dit gebied er pakweg drie decennia geleden uitzag. Gelukkig kunnen anderen dat nog wel. Zij vertellen over een groen en op sommige plekken zeer lommerrijk landschap met Drentse invloed. Kleinschalig, karaktervol land met houtwallen en bosschages. En bovendien vruchtbaar land met een rijke geschiedenis.

De beelden uit de onvolprezen Beeldbank Groningen ondersteunen dit verhaal. De romanticus in mij wordt wakker. Het gebied was pure idylle.

Momenteel is dat wel anders. Op de plek van de oude idylle liggen nu de bedrijventerreinen Euvelgunne en Driebond: ruimte-extensief neoliberaal landschap. Slechts één strook herinnert nog aan hoe het was: het land van boer Thies Dijkhuis (1947-2019) rond de oude Hunzeloop. Strijdend voor het behoud van zijn karaktervolle land was Dijkhuis, bijgestaan door zijn broer Teun, jarenlang een pain in the ass voor de stad. In 2017 werd hij ereburger. Sinds vorig jaar staat er als eerbetoon een standbeeld voor zijn oude boerderij.

Dijkhuis’ strijd, zijn land en de omliggende bedrijventerreinen staan symbool voor veel. Voor hoe de naoorlogse stad als een Rupsje Nooitgenoeg het landschap heeft opgevreten. Voor hoe slecht we omgaan met de culturele waarden van ons landschap. Voor de ouderwetse manier waarop we onze economie nog altijd organiseren – lees: functiescheiding. Voor de zucht naar steeds weer nieuwe bedrijventerreinen. Voor de beperkte ruimtelijke kwaliteit die we onze leefomgeving gunnen. Voor het gebrek aan ambitie en visie op de langere termijn. En voor het ontkennen van andere waarden behalve economische.

Euvelgunne, 2000 // Foto: Peter de Kan

Het minst aantrekkelijke landschap

Jaren geleden werkte ik, vers van de universiteit, aan De Intense Stad: de eerste van een reeks succesvolle architectuur- en ontwikkelmanifestaties; een schitterend Gronings instrument. Om en nabij 2003 moet het zijn geweest. De manifestatie was een warm pleidooi voor het compacte stad-beleid waarmee Groningen zich graag profileert.

‘Als alternatief voor de opoffering van onnodig veel ruimte aan uitgestrekte laagbouwtapijten wil De Intense Stad door middel van intensivering en functiemening een positieve bijdrage leveren aan de kwaliteit van de stad en het behoud daarvan’, lees ik terug in het boek dat we als onderdeel van de manifestatie maakten.

Elders vallen termen als ‘ruimtevretende laagbouwmekka’s’ en ‘het respecteren van rode en groene contouren’. De ambities van De Intense Stad waren prachtig en zijn dat nog steeds. Sterker: nu misschien wel meer dan ooit. Dat gedurende de manifestatie al volop gewerkt werd aan de plannen voor Meerstad moeten we voor het gemak maar even vergeten.

In hetzelfde boek stond een kaartje waarmee Winy Maas, curator van De Intense Stad, twee scenario’s in beeld bracht: een suburbane uitbreiding ten noorden van Groningen, ter hoogte van de Koningslaagte en, als alternatief, een intensivering van de bestaande wijken en buurten, beide uitgaand van 10.000 nieuwe woningen. Het leidde tot rumoer. Veel mensen namen het Koningslaagte-kaartje letterlijk. Hoe haalde de gemeente het in haar hoofd om hier, in dit cultuurhistorisch rijke gebied te gaan bouwen!

Gelukkig was dat niet het geval. Meerstad, ons laagbouwmekka, zou een plek krijgen aan de oostkant: ‘het minst aantrekkelijke landschap rond de stad’. Het kan goed zijn dat ik die duiding als naïeve jongeling destijds helemaal verkeerd begreep. Toch heb ik het altijd onthouden: het minst aantrekkelijke landschap.

Inmiddels weet ik wel beter, al moet ik bekennen dat we met de bedrijventerreinen Euvelgunne en Driebond en ook met Meerstad aardig op weg zijn die betiteling eer aan te doen – hoezeer we in dat laatste gebied ook ons best doen er echt iets van te maken.

Je zou denken dat we met de redding van de Hunzezone en de omarming van Thies Dijkhuis als ereburger ons lesje wel geleerd hebben

Wie overtuigd wil raken van de waarde van dit minst aantrekkelijke landschap raad ik aan de cultuurhistorische analyse Eemskanaalzone en MEER-dorpen er eens bij te pakken. Daarin nemen Marinke Steenhuis en Vita Teunissen je mee door de rijke geschiedenis van het gebied. Van de vroege ontginningen en de kloosters en kastelen tot de industrialisatie en de laatste boer van Euvelgunne.

Steenhuis en Teunissen maken een onderscheid tussen het snelle en langzame landschap. Het eerste is onder invloed van industrie en bedrijvigheid erg veranderlijk en vrij karakterloos. Dit in tegenstelling tot het langzame landschap, waar historische dorp- en polderstructuren nog relatief onveranderd zijn gebleven: landschap om zuinig op te zijn.

Binnen dat langzame landschap benoemt de analyse de grote waarde van het lint van de dorpen Engelbert en Middelbert, maar ook het voorheen zo sprookjesachtige Oude Roodehaan: het andere buurtschap dat samen met Euvelgunne werd opgesnoept door een bedrijventerrein. Minstens zo inspirerend is het verhaal over de hechte gemeenschap van de lintdorpen en hun liefde voor de omgeving.

Illustratief is de introductietekst uit een promotieboekje voor Engelbert uit 1930, een initiatief van de Vereeniging voor Vreemdelingenverkeer en Dorpsbelangen van Engelbert: ‘Waarom is deze gids geschreven? Om vrienden te trekken en bekendheid te geven. Om ’t ideale levensgenot en levensblijheid van onze dorpsgenoten en vreemdelingen te vermeerderen en waarderen. Wij streven naar een gemeenschappelijke natuurschoonheid. Wij hebben begeerte aan vriendschap en rein, eenvoudig natuurgenot.’

Euvelgunne, 2000 // Foto: Peter de Kan

De verkeerde plek

Je zou toch denken dat we met de redding van de Hunzezone en de omarming van Thies Dijkhuis als ereburger ons lesje wel geleerd hebben. Maar helaas. In het minst aantrekkelijke landschap dient zich alweer een plan aan, al is het niet nieuw. Al in 2003 staat Eemskanaalzone Deelgebied 4 op de tekeningen van Meerstad. Het plan zelf gaat zelfs nog verder terug, naar halverwege jaren negentig. 2100 woningen moeten er komen, is nu de bedoeling.

Het Stedenbouwkundig Programma van Eisen Eemskanaalzone (PvE EKZ) neemt alvast een voorschot op wat het kan worden: ‘Een stadsdeel tussen stad en natuur. Waar fijn betaalbaar wonen en gezond buitenleven samengaan. Met een levendig hart met voorzieningen voor de omgeving en volop ruimte voor ondernemerschap aan huis. Voortbouwend op bestaande kwaliteiten en geschiedenis willen we van de Eemskanaalzone een levendig en groen stadsdeel maken voor iedereen.’

Qua opzet krijgt het PvE EKZ van mij een dikke plus. De referenties zijn goed, de gekozen typologie is interessant, het beoogde woonmilieu aimabel. Het PvE doet bovendien enorm z’n best om de cultuurhistorie en het landschap zo veel mogelijk mee te nemen. Bijna iets té veel, alsof de opstellers zelf ook wat wroeging voelden bij het bouwen in dit nog open gebied.

Hoe dan ook: de nieuwe wijk – de beoogde schakel tussen de stad en Meerstad, waarvoor die dan ook maar nodig is – moet een op het landschap geïnspireerde logica krijgen. Respect voor het lint, dus, en een verkaveling die het historische slotenpatroon volgt. Verder wordt gesproken over een gemengd stedelijk gebied vol groene kwaliteit, waar het landschap op elk niveau voelbaar is.

Toch is er een probleem. De beoogde wijk ligt op de verkeerde plek. Iets meer dan een kilometer te ver naar het oosten, welteverstaan. Daar, op het inmiddels zieltogende bedrijventerrein Driebond, zou de wijk een logisch vervolg zijn op de ambitieuze en goed doortimmerde plannen voor Stadshavens.

Hier, geprojecteerd bovenop het lint van Middelbert en in een nog groene zone, is het toch weer Rupsje Nooitgenoeg: een plan dat open landschap opsnoept.

Euvelgunne, 2001 // Foto: Peter de Kan

Zelfgebouwde gevangenis

Natuurlijk begrijp ik het allemaal wel. Jaren geleden zijn de grondposities ingenomen. Er zijn afspraken gemaakt, procedures ingezet en juridische kaders opgesteld. Bovendien hebben we keihard nieuwe en vooral ook betaalbare woningen nodig. De Groninger woningmarkt kookt over en de grondopbrengsten zijn vast al ingecalculeerd. Er moet wat gebeuren. En snel.

Toch vraag ik me af of al die redenen genoeg gewicht in de schaal leggen om dit ook echt te gaan doen. Dat heeft te maken met de waarde van het landschap, maar misschien wel vooral met de koers die de stad nu en in de komende jaren moet gaan varen: bouwen doen we in de bestaande stad. En dan niet toch nog een beetje (of best wel veel) daarbuiten, maar écht binnen de stad.

Als we die koers echt willen volgen, moeten we de achterdeur dichtdoen en stoppen met het eten van twee walletjes.

Het doet me allemaal wat denken aan een uitspraak die ik ooit optekende voor een advies van het College van Rijksadviseurs over het nieuwe Rijksarchitectuurbeleid, A2008+ genaamd: ‘We hebben in onze cultuurpessimistische tijd onze eigen conceptuele gevangenis gebouwd’.

Voormalig Rijksadviseur Fons Asselbergs gebruikte het regelmatig als metafoor voor de manier waarop we ons in Nederland laten gijzelen door ingesleten ideeën, door regels, spreadsheets en procedures, hetgeen fnuikend is voor goed ontwerp en onze bouwcultuur.

Het Programma van Eisen probeert de cultuurhistorie en het landschap zo nadrukkelijk mee te nemen dat het lijkt alsof de opstellers zelf ook wat wroeging voelden bij het bouwen in dit open gebied

Moet een plan zich voegen naar die kaders en processen? Of is dat de omgekeerde wereld? Het is toch onze zelfgebouwde gevangenis, geen natuurwet? Die gevangenis kunnen we dus ook weer afbreken, als we willen. We kunnen tenminste de sleutel zoeken of een list verzinnen om ons te bevrijden uit de kramp. Zeker als we merken dat de uitgangspunten van een plan niet meer passen bij de opgaven en inzichten van vandaag. 

Sta dus open voor alternatieven. Stop met het voortborduren op het ouderwetse Masterplan Meerstad, een plan waarvan de uitgangspunten volgens velen in 2005 al twijfelachtig waren. Wees zuinig op de groene randen die we nog hebben. Durf hardop te dromen. Durf het anders te doen – en vooral beter.

Dat we hard toe zijn aan een totaal andere benadering van de stad en de stadsontwikkeling is niets nieuws. ‘De grote steden gaan drastisch veranderen: minder auto’s, meer hoogbouw en radicale vergroening’, kopte de Volkskrant een paar weken geleden. ‘De tijd van bouwen in de weilanden is voorbij’, stelt de Amsterdamse wethouder Marieke van Doorninck in het stuk. De kersverse Rijksadviseur voor de Fysieke Leefomgeving Wouter Veldhuis vult aan en heeft het over een definitief afscheid van de Vinex. ‘Als je dertig jaar vooruitkijkt, zie je dat er juist veel behoefte is aan stedelijke woonmilieus voor eenpersoonshuishoudens, senioren en jonge professionals.’

Waar we die woningen dan moeten bouwen? In de bestaande stad natuurlijk. Dat is bovendien helemaal in lijn met de uitgangspunten van de nieuwe gemeentelijke Woonvisie Een thuis voor iedereen, die los van de genoemde uitleglocaties overigens een pluim verdient.

En geloof me: voor die geplande 2100 woningen in de Eemskanaalzone vinden we echt een nieuwe plek, zelfs met twee vingers in de neus. Dat dat kan, bewijst bijvoorbeeld de lezenswaardige studie Ruimte Zat in de Stad van KAW. Het is een sterk en vooral goed onderbouwd pleidooi om de stad van binnenuit te ontwikkelen. Dat is niet alleen goed voor de stad zelf, maar ook voor het schaarser wordende open landschap dat we hard nodig hebben voor natuur, ecologie, klimaatadaptatie en nieuwe vormen van landbouw.

Euvelgunne, 2000 // Foto: Peter de Kan

Hardop dromen

Stel, we geven onszelf de ruimte om het plan voor de Eemskanaalzone nog eens goed tegen het licht te houden. En stel dat we binnen de bestaande stad – en onze dorpen – nog eens goed op zoek gaan naar alternatieven voor de beoogde 2100 woningen. Stel dat we van alle beoogde locaties waar het totale aantal van 20.000 woningen moet komen de Eemskanaalzone qua planning even helemaal achteraan zetten. Dan winnen we tijd om met iets beters te komen. En mocht dat allemaal echt niet lukken, dan kunnen we altijd nog besluiten om het toch te doen.

Door nog een keer goed te kijken dient zich een gigantische kans aan om een fout uit het verleden te herstellen. Hardop dromend zouden we hier, aan de oostkant van de stad, de groene rand kunnen herstellen. Driebond en Euvelgunne nemen we daarin natuurlijk mee. Uitzoomen dus.

Voor wat betreft Driebond is hardop dromen overigens niet nieuw. De afgelopen jaren werd al naar de kansen van dit gebied gekeken. In de ontwikkelstrategie Stad aan het water bijvoorbeeld, en heel recent binnen het plan dat het Deense bureau Tredje Natur maakte voor de manifestatie Sponsland, een initiatief van de gemeente en de provincie Groningen.

Als we de koers van ‘bouwen binnen de bestaande stad’ echt willen volgen, moeten we de achterdeur dichtdoen en stoppen met het eten van twee walletjes

Wat als we het nu zieltogende Driebond omvormen tot de groene stadswijk die nu geprojecteerd is in Deelgebied 4? We zouden de oude structuren kunnen terugbrengen, waaronder de oorspronkelijke Hunzeloop: wonen aan een oude levensader van de stad. Misschien kunnen we het gros van die 2100 woningen daar al kwijt. Sterker, waarschijnlijk vinden we hier zelfs ruimte voor een heel stuk meer. Zo kan zeker de zone langs het kanaal bij Driebond best een stevige dichtheid aan. De schaal langs het water is er al naar.

De nieuwe wijk kan zeker ook een plek voor werken worden. Bij een moderne stadswijk hoort immers niet meer de strikte scheiding tussen wonen, werken en recreëren. Menging zorgt voor levendigheid, voor veel interessantere stedelijke woonwerkmilieus.

Ook Euvelgunne verdient een transformatie. Waar de stad hier in de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw het landschap wegdrukte, kunnen we het tij nu keren. Een omgekeerde occupatie, waarbij Euvelgunne verkleurt naar een woonwerklandschap in het groen met in het hart een park: het Thies Dijkhuispark.

Versterk groen en ecologie. Breng waar mogelijk de oude houtwallen terug. Zet vol in op bosschages en bomenrijen, geïnspireerd op het ooit zo sprookjesachtige landschap rond Oude Roodehaan. Behalve voor wonen zou het een perfecte plek kunnen zijn voor een nieuwe, duurzame economie.

Vruchtbaar land

En wat te doen met Deelgebied 4? Ik zou zeggen: wees er zuinig op, laat het open, laat het groen. Zet in op het versterken van het karakter van het gehele lint van Engelbert en Middelbert. Ook hier kan de rijke geschiedenis van het gebied een inspiratie zijn. Hoe mooi is het wel niet als we Meerstad juist verbinden via het groen en niet met alweer een stuk bebouwd gebied? Hoe mooi is het als je hier een groene long bewaart vol andere waarden?

Het land is vruchtbaar. Waar vroeger de kleigronden rond de Hunze gebruikt werden als wei- en hooiland, was dit de plek voor akkerbouw. Een perfecte locatie voor korteketen(stads)landbouw, tuinderijen en kleinschalige voedselcoöperaties. Voorbeelden zijn er genoeg in Groningen. Neem de Eemstuin in Uithuizermeeden, de tuinderijen bij Kiel Windeweer of innovatieve en duurzame boerenbedrijven als Landgoud en Waddenmax aan de Waddenkust. Dergelijke initiatieven laten zich prachtig combineren met ontspannen woningbouw, met natuurontwikkeling, recreatie en het versterken van de biodiversiteit. Ja, inderdaad, ook woningbouw. Dat kan namelijk best wel maar dan wel in hele andere aantallen en passend bij het karakter van nu.

‘Wij streven naar een gemeenschappelijke natuurschoonheid. Wij hebben begeerte aan vriendschap en rein, eenvoudig natuurgenot’, schreven de leden van de Vereeniging voor Vreemdelingenverkeer en Dorpsbelangen in 1930 in hun promotieboekje. Laten we daarin investeren. Wellicht kunnen we dan meteen ook het charmante maar nog ietwat onrijpe idee voor het MEER-bos meenemen. Sterk vergroenen in elk geval, daar kan niemand tegen zijn.


Euvelgunne, ontwikkeling bedrijventerrein 1985-2015 // Bron: Topotijdreis.nl // GIF via Giphy.com

Dat kan toch helemaal niet

Vanuit de diepste kelders van de zelfgebouwde gevangenis hoor ik al het nodige gemor en gepiep opstijgen. ‘Dat kan toch allemaal niet? Dat is veel te duur. De afspraken zijn al gemaakt. We kunnen niet meer terug. Het past niet in onze modellen. Dit is solliciteren naar planschade. En die bedrijven die nu op Euvelgunne en Driebond zitten? Dat is toch hartstikke belangrijk voor onze economie? Waar moeten die dan heen?’

Tja, die bedrijven… en vooral de terreinen waarop ze staan. Dat verdient haast een apart essay, misschien zelfs een heel boek. Want die bedrijventerreinen, en de hele (grond)politiek erachter, zijn nogal een ding.

Zeker is dat ze behoren tot de meest onaantrekkelijke delen van de stad. Ze zijn stenig, monofunctioneel, ruimtevretend en puur ingericht op de auto. Ruimtelijke kwaliteit is afwezig. Het zijn relicten van een economie die we niet meer moeten willen. Bovendien herbergen ze steeds meer bedrijvigheid die we vroeger gewoon in en om de binnenstad aantroffen: bedrijven die zich zonder problemen laten mengen met andere functies.

Fiets er maar eens rond en aanschouw de talloze dienstverlenende bedrijven, showrooms, winkels en kantoren. Waarom ze daar zitten? Nou, vooral omdat het goedkoop is, veel vierkante meters voor weinig. En zo ziet het er ook uit.

Er valt weinig te dromen als we in grondopbrengsten blijven denken, vergeten uit te zoomen en geen lessen trekken uit de onbezonnen manier waarop we de laatste decennia met onze omgeving zijn omgegaan

Dit gegeven zegt wat over de bedrijventerreinen zelf, maar ook over de rest van de stad – waar het klaarblijkelijk te duur is. En de tijden waarin een ondernemer nog met trots z’n eigen bedrijfspand of fabriek liet ontwerpen liggen helaas ver achter ons.

Zijn dit soort bedrijventerreinen nog wel van deze tijd? Moeten we blij zijn dat op Driebond ­– waar de auto-gerelateerde bedrijvigheid onder invloed van de innovatie in de auto-industrie langzaam wegtrekt – twee bouwmarkten en een wereldrestaurant de deuren openen? Hoeveel bouwmarkten en wereldrestaurants hebben we nodig in Groningen? Wie wordt er nou echt gelukkig van de aanhoudende verdozing van ons landschap?

Ik zeg niet dat de bedrijventerreinen weg moeten. Maar kan het niet groener, minder ruimte-extensief en meer gemengd? Kunnen de bedrijven onderdeel worden van het landschap? En waar echt geen andere optie is, kunnen ze dan verhuizen naar Westpoort, dat al jaren ligt te wachten op vulling? Dan zit alles wat we echt niet kunnen mengen – of gewoon te groot is – tenminste bij elkaar.

Aanhelen van stad en landschap

Is het realistisch, deze droom? Misschien niet. En het realisme neemt zeker niet toe wanneer we in korte termijn grondopbrengsten blijven denken, vergeten uit te zoomen en geen lessen trekken uit de onbezonnen manier waarop we de laatste decennia met onze leefomgeving zijn omgegaan. Het heeft vooral een lelijk, waardeloos en ronduit arm landschap opgeleverd.

Maar wat gebeurt er als we de droom plaatsten in de context van het veranderend klimaat, het koesteren van bestaand groen en broodnodige herstel van natuur en biodiversiteit? Wat gebeurt er als we, naast de puur economische, ook andere waarden mee laten spelen? Ontstaat dan niet een heel ander beeld? En zou juist dat niet aan de basis moeten liggen van de leefomgeving van de 21ste eeuw?

Hoeveel is een groene, biodiverse stadsrand ons waard? Wat is de waarde van het Driebondsbos, waar nu tientallen vogelsoorten broeden? Wat is de cultuurhistorie van het lint van Engelbert en Middelbert ons waard? Wat is de waarde van schoonheid en natuurgenot?

Ik hoop dat we onszelf de kans geven om verleid te worden. Romanticus of niet – ik draag het als een geuzennaam: laten we de Thies Dijkhuis in onszelf wakker schudden. Laten we om vijf voor twaalf een nieuw, integraal en verleidelijk plan maken voor de gehele oostflank van de stad, dus inclusief Driebond, Euvelgunne en het gehele plangebied van Meerstad, waaronder ook de Lagelandpolder. Een 21ste-eeuws plan dat aandacht heeft voor alle waarden: van cultuurhistorie tot natuur, ecologie, landbouw en stadsontwikkeling.

Het team dat hieraan kan werken dient zich als vanzelf aan: West 8 (de nieuwe supervisor voor Meerstad), Tredje Natur, Atelier Stadsbouwmeester en natuurlijk de opstellers van het Stedenbouwkundig Programma van Eisen voor de Eemskanaalzone en de visie Stad aan het Water: LAOS en de Zwarte Hond. Zoveel talent, zoveel kennis en kunde samen: dat kan alleen maar goed gaan.

En vergeet niet: Rupsje Nooitgenoeg werd uiteindelijk een prachtige vlinder. Zo’n transitie gun ik de oostzijde van Groningen ook: ‘het minst aantrekkelijke landschap rond de stad’ mag eindelijk uit haar cocon kruipen.

***