Gespreksstof // Aflevering 1
De diepte in met een goed boek
In de nieuwe serie Gespreksstof doet GRAS een boek cadeau aan een architectenbureau, bouwer, ontwikkelaar of iemand anders die in de ruimtelijke hoek werkt. Op voorwaarde dat we daarna, met het boek als achtergrond, een goed gesprek voeren. Voor de eerste aflevering lazen Michaël Rouwendaal en Mathijs Dijkstra van LAOS het boek Er is wél een alternatief. Janke de Vries ging met ze in gesprek over ontwerpen binnen een kapitalistisch systeem, en over hoe landschapsarchitecten kunnen bijdragen aan het realiseren van systeemverandering.
‘There is no alternative’, verklaarde Margaret Thatcher in 2008 over het kapitalisme, dat intussen niet meer uit onze samenleving weg te denken is. Toch is dat precies wat de meer dan dertig auteurs van Er is wél een alternatief proberen te doen. Het huidige neoliberale systeem, gericht op het najagen van economische groei, ligt volgens hen op zijn gat. En het heeft ons opgezadeld met verschillende crises: een ongelijkheidscrisis, een wooncrisis, een zorgcrisis, een klimaatcrisis – ga zo maar door.
In negentien hoofdstukken met elk een ander thema – van zorg en onderwijs tot handel en technologie – bundelt het boek uiteenlopende ideeën en praktijken van talloze denkers en doeners. Elk hoofdstuk bepleit het nastreven van een samenleving waarin naast economische welvaart ook andere waarden, zoals welzijn, duurzaamheid en inclusiviteit, een plek hebben. De overheid zou volgens de auteurs waardenbewust, dat wil zeggen, met het oog op het realiseren van deze waarden, moeten ingrijpen in de markt en op die manier moeten bijdragen aan de verwezenlijking van die brede welvaart.
Bovenal pleit het boek voor meer commonisme: meer zeggenschap voor kleine gemeenschappen. Op basis van deze principes verbeeldt het alternatieve, postkapitalistische toekomsten, om daarmee te laten zien dat Thatcher het bij het verkeerde eind had.
GRAS stuurde Er is wél een alternatief naar LAOS, bureau voor landschapsarchitectuur en stedenbouw. Mathijs Dijkstra, directeur, en Michaël Rouwendaal, projectleider en landschapsarchitect, lazen het boek. Ik tref hen op hun kantoor in De Biotoop. Beiden waren ietwat verrast door de keuze, laten ze weten. ‘Maar het is leuk om een thema aangereikt te krijgen dat buiten je vakgebied ligt’, stelt Rouwendaal.
Ontwerpen binnen een kapitalistisch systeem
Dat vakgebied waarin de architecten zich begeven, wordt volgens hen steeds politieker. In hoeverre heeft de ontwerppraktijk van architecten en planners te lijden onder het neoliberale kapitalisme? De landschapsarchitecten moeten er even over nadenken. ‘Op dit moment ontwerpen we binnen een neoliberaal systeem’, zegt Rouwendaal. ‘Dat beïnvloedt voor een groot deel wat je als ontwerper kunt doen.’
Door de privatisering die bij dat systeem hoort, is er meer marktwerking en is de rol van de overheid kleiner. Die heeft daardoor minder mogelijkheden om eisen te stellen aan de inrichting van de ruimte. Zo kan het voor ontwerpers lastiger worden om bij te dragen aan plekken met een goede gezondheid, goed onderwijs en een fijne leefomgeving.
‘De overheid heeft nog weinig ruimtelijke experts in huis. Daardoor kan ze geen sturing meer geven, geen beleid meer maken, en heeft ze geen idee meer van waar ze naartoe wil’
Neoliberale keuzes die in het verleden zijn gemaakt, hebben hun weerslag op de huidige ontwerppraktijk – bijvoorbeeld het besluit om in 2010 het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VROM) af te schaffen. ‘Men dacht dat Nederland af was,’ zegt Dijkstra, ‘en dat het verdere finetunen van de volkshuisvesting en ruimtelijke ordening beter aan de markt dan aan de overheid kon worden overgelaten.’
De opheffing van VROM zorgde ervoor dat haar taak versnipperd raakte over verschillende ministeries en lagere overheden, en ging gepaard met een sterke terugloop van het aantal planologen in dienst van het Rijk. Dijkstra: ‘Bij VROM zaten veel planologen bij elkaar. De overheid heeft nu weinig van dat soort experts meer in huis. Daardoor kan ze geen sturing meer geven, geen beleid meer maken, en heeft ze geen idee meer van waar ze naartoe wil.’ Het vorige kabinet leek op dat vlak weer enigszins de touwtjes in handen te nemen, getuige bijvoorbeeld de Omgevingswet die vorig jaar in werking trad. Maar intussen is er een ander kabinet, met andere ambities.
Overheid zonder expertise
Het probleem dat Dijkstra aanhaalt, komt uitvoerig aan bod in het hoofdstuk ‘Ambtenarij’, geschreven door Merijn Oudenampsen, Sam de Muijnck, Bram Mellink en Joris Tieleman. Zij beschrijven hoe de Nederlandse staat vanaf begin jaren tachtig haar kennis van zaken is kwijtgeraakt. Dat gebeurde toen Ruud Lubbers van het CDA minister-president werd; zijn beleid draaide om privatisering en het vermarkten van de publieke sector. Hij presenteerde deze plannen als neutraal en ‘no-nonsense’, aldus de auteurs, in de hoop dat zowel de rechtervleugel als centrumlinkse tak van het intern verdeelde CDA hem zouden steunen.
In feite was Lubbers’ beleid allesbehalve neutraal. Economen waren destijds verdeeld in twee kampen: aanhangers van John Maynard Keynes pleitten voor overheidsinterventie, navolgers van Milton Friedman zagen een grote rol weggelegd voor marktwerking. De laatsten hadden de overhand bij het ministerie van Economische Zaken. Hun adviezen werden gebruikt om het beleid van Lubbers te verantwoorden.
Nederland moest worden gezien als een groot bedrijf, geleid door de overheid. Terwijl de economie voorheen een middel was geweest om politieke doelen te behalen, werden de rollen nu omgedraaid. Ook de overheid werd als een bedrijf georganiseerd: ze moest zich gaan richten op haar ‘corebusiness’ en, om personeelskosten te besparen, al het andere uitbesteden aan externe partijen.
Een van de gevolgen van dit beleid was dat bij de overheid steeds minder mensen met vakkennis werkten. Dijkstra: ‘Exemplarisch is dat twee jaar geleden veertien bureaus – waaronder wij – zijn ingehuurd om het beleid van de provincies te vergelijken met het beleid van het Rijk. Dat was daarvoor al door vijf of zes bureaus, onder aansturing van het ministerie, in kaart gebracht rondom een aantal specifieke thema’s. Vroeger deed de overheid dat allemaal zelf.’
Een waardenbewuste overheid
Het gebrek aan visie of waardenbewustheid bij de overheid en opdrachtgevers zorgt volgens de landschapsarchitecten voor opmerkelijke situaties binnen hun vakgebied. Rouwendaal vertelt over een sloop-nieuwbouwproject van sociale huurwoningen waar hij een tijdje geleden mee in aanraking kwam. Een reeks portiekflats uit de jaren vijftig werd gesloopt, er werden galerijflats teruggebouwd. ‘En dat terwijl je kunt beargumenteren dat de woonkwaliteit van een portiekwoning groter is dan die van een galerijwoning.’
Een galerijflat biedt namelijk geen ruimte voor privébalkons, in tegenstelling tot een portiekflat, waarin woningen zijn geclusterd rondom verschillende overdekte trappenhuizen en vaak elk een eigen buitenruimte aan de achterkant van het gebouw hebben. Rouwendaal: ‘De portiekflats uit de jaren vijftig voldoen niet meer aan de eisen van nu. Maar het is binnen de sociale huursector te duur om zulke flats terug te bouwen. In plaats daarvan wordt zonder discussie de opdracht gegeven om iets terug te bouwen waarvan ik denk dat de woonkwaliteit misschien wel slechter is.’
Economische overwegingen bepalen zo de leefkwaliteit van huurders. ‘Mensen gaan er daardoor op een bepaalde manier op achteruit. Dat zie je liever niet gebeuren, maar als architect heb je weinig invloed op de opdracht die je krijgt. In dit soort gevallen zouden opdrachtgevers zelf moeten zeggen dat de woonkwaliteit gelijk moet blijven, of zou de overheid daar met regelgeving voor moeten zorgen.’
Aandacht voor goede schoolpleinen
Dat de overheid die rol kan vervullen, zien de landschapsarchitecten als ze in het buitenland zijn. Ze reizen veel voor hun werk. ‘Daar zie je hoe bepalend politieke keuzes voor ontwerpers zijn’, vertelt Rouwendaal. ‘In Denemarken heeft de overheid bijvoorbeeld bepaald dat projectontwikkelaars steeds een deel van hun winst moeten investeren in scholenbouw. Daardoor is er veel meer geld beschikbaar voor de bouw van goede scholen dan in Nederland. Als je als ontwerper een school gaat ontwerpen in Denemarken, kan er veel meer dan in Nederland, doordat de politiek daar anders is georganiseerd.’
Is de Deense scholenbouw een voorbeeld van waardenbewust ingrijpen door de overheid, met een maatschappelijk doel? ‘Ja’, zegt Rouwendaal. ‘Goed onderwijs – dat is een waarde die de Deense overheid heel belangrijk vindt voor de samenleving. Daarom stelt ze daar veel geld voor beschikbaar. Daar is over nagedacht. Ik vind het altijd curieus dat er bij scholenbouw in Nederland in eerste instantie geen budget is om meer dan een stoeptegelplein te ontwerpen.’
Dijkstra is het hem eens. Natuurlijk hangt de kwaliteit van een project niet alleen af van hoeveel geld erin wordt gestopt, maar bijvoorbeeld ook van de opdrachtgevers. Toch kan een klein budget het wel degelijk lastiger maken voor architecten om met hun ontwerpen bij te dragen aan brede welvaart.
‘Ergens is een zak geld; je moet erachter komen wat de belangen zijn van degene die het uitdeelt. Die kan andere keuzes maken’
Om tot die brede welvaart te komen, is het aan de ene kant nodig dat er vanuit de politiek of opdrachtgevers regels of richtlijnen worden opgesteld, en er geld beschikbaar wordt gesteld. Maar zolang dat niet gebeurt, zien de landschapsarchitecten het als hun verantwoordelijkheid om ook zelf tijd en moeite te investeren in het vergroten van hun financiële speelruimte. Zo kunnen waarden als woonkwaliteit, biodiversiteit en schoonheid een plaats in de ruimte krijgen. Tijdens een cursus onderhandelen leerde Rouwendaal: ‘Ergens is een zak geld; je moet erachter komen wat de belangen zijn van degene die het uitdeelt. Die kan andere keuzes maken.’
Met behulp van verbeelding en door mensen te enthousiasmeren, proberen de landschapsarchitecten het belang van hun plannen over te brengen. Ze maken regelmatig mee dat voor projecten met een aanvankelijk klein budget dan opeens een veelvoud van het geld beschikbaar is. Park Meerstad, ontworpen door LAOS en gelegen aan het Woldmeer, is een voorbeeld van zo’n project. Met zijn 10 hectare is het park het grootste openbare landschapskunstwerk van Nederland.
‘In het begin was het budget klein en was er niet zoveel mogelijk’, licht Dijkstra toe. De architecten zagen echter potentie in het park. Park Meerstad bood volgens hen een kans om niet alleen een groene plek toe te voegen aan de woonkern, maar ook een beeldmerk van het park te maken. Samen met kunstenaar Jeroen Doorenweerd gaven ze het park de vorm van een geplooid laken en werd het een beeldbepalend kunstwerk. Daarmee zijn zowel de esthetische als de natuurwaarden in het woongebied vergroot.
Hun prikkelende concept was overtuigend. En het leverde een fraai park op. Twee typen paden doorsnijden er het landschap en maken de heuvels ervaarbaar – het ene leidt over de plooien, het andere snijdt er dwars doorheen. De heuvels zorgen bovendien voor schaduw en voor landschappelijke diversiteit. Daardoor groeien er in het park zowel soorten die graag in de schaduw vertoeven, als planten die het goed doen in de zon. Door het park minimaal te beheren, is er bovendien ruimte voor successie – het ecologische proces waarin soorten elkaar opvolgen en ecosystemen steeds complexer worden.
Ontwerpend onderzoek
Zo bezien lijkt wat de landschapsarchitecten doen op waar de schrijvers van Er is wél een alternatief mee bezig zijn: door middel van verbeelding mensen laten nadenken over welke kant ze op willen, en over wat ze daarvoor over hebben. Hun ontwerpend onderzoek speelt hierin een nog grotere rol.
Op de vraag op welke manier landschapsarchitecten kunnen bijdragen aan de systeemverandering die het boek beoogt, antwoordt Dijkstra resoluut: ‘Met ontwerpend onderzoek. We kunnen een enorme rol spelen in het testen van alternatieven en het aantonen van de logica ervan. Elke ingreep heeft gevolgen. Wat die precies zijn, kun je van tevoren nooit helemaal weten, maar met ontwerpend onderzoek kun je verschillende scenario’s doordenken en laten zien.’
Misschien is er voor landschapsarchitecten nog wel een directere rol in het realiseren van een alternatief systeem. Hans Rodenburg en Senna Maatoug beschrijven in navolging van filosoof Thijs Lijster in het eerste hoofdstuk van Er is wél een alternatief de oorsprong van het kapitalisme. Die verbinden zij aan de onteigening en verdeling van de commons, of meenten, die vanaf de 16de eeuw in heel Europa plaatsvindt. De onteigening zorgde ervoor dat niet de gebruikswaarde maar de marktwaarde van de grond centraal kwam te staan, en legde daarmee de basis voor het kapitalistisch systeem. Dit proces zou deels teruggedraaid moeten worden, is kort door de bocht het pleidooi van Rodenburg en Maatoug.
Dijkstra is een voorstander van de terugkeer van het concept van meenten, of commons. ‘De problemen die zich in veenweiden afspelen, bijvoorbeeld, raken ons allemaal. We moeten ze gaan zien als meenten en er gezamenlijk een oplossing voor verzinnen.’ Die oorzaak van die problemen is de bodemdaling, die weer veroorzaakt wordt door de kunstmatig laag gehouden grondwaterstand in veenweidegebieden. Droge grond is begaanbaar voor zware agrarische machines, maar resulteert in inklinking. Ook zorgt de lage grondwaterstand ervoor dat het veen in contact komt met zuurstof, waardoor het verteert, een proces waarbij ook CO2 vrijkomt. ‘De conclusie is dat de bodem uiteindelijk zo laag komt te liggen, dat de grond al zijn waarde verliest.’
Verborgen visie
Toch ziet Dijkstra als landschapsarchitect het stimuleren van commons niet als zijn primaire taak. ‘Dat is echt een politiek vraagstuk. Er zijn wel architecten die erg bezig zijn met eigenaarschap en gemeenschappelijk particulier opdrachtgeverschap. Die ontwerpen bijna niet meer en zijn vooral bezig met het op gang brengen van bepaalde processen. Maar als ik dat had willen doen, dan had ik een ander vak gekozen.’
LAOS deed een paar jaar geleden onderzoek voor de Werkplaats Veenweide, en schetste een visie voor 2050 voor het veenweidegebied. Die hangt aan de muur in de ruimte waarin we vandaag zitten. ‘We hebben dit tableau een paar keer tentoon mogen stellen, onder andere in het provinciehuis in Friesland’, zegt Dijkstra. ‘Daar liet een gedeputeerde van de BBB er een doek over hangen toen de Provinciale Statenleden langskwamen voor een debat.’
En dat terwijl de visie volgens hem niet per se politiek geïnspireerd was: ‘We kijken naar wat er gebeurt. Als je je daarvan bewust bent, dan besef je dat je eigenlijk weinig keuze hebt. Je moet het veenweidegebied vernatten, accepteren dat het een totaal ander gebied gaat worden en er een andere visie voor verzinnen. Blijkbaar is dat zo’n gevaarlijk verhaal dat het achter een doek moet verdwijnen. Maar daardoor sluit je discussie erover uit.’
‘De oplossing zit altijd in het radicale midden’, stelt Dijkstra. Die term ontleent hij aan een essay van politiek activist Natascha van Wezel. Het begrip duidt op het gebrek aan nuance, zelfkritiek, twijfel en dialoog in de huidige samenleving. ‘We laten ons gijzelen door de flanken, maar daarmee maken we het onszelf onmogelijk om een oplossing te vinden.’
Clarice Gargard, die in Er is wél een alternatief het hoofdstuk ‘Journalistiek’ schreef, zou dat laatste wellicht beamen. De discussie aanwakkeren, gesprekken starten – dat is wat Dijkstra hoopt te bereiken met ontwerpend onderzoek. ‘We kunnen als ontwerpers laten zien welke werelden we kunnen creëren. Dat vind ik een heel belangrijke taak.’ Hij aarzelt even. ‘Die is natuurlijk aan onszelf – maar het is mooi als de maatschappij daar ook de opdracht toe geeft.’