10 september 2021 Leestijd: 8 minuten

Peter de Kan bezocht de tentoonstelling (Un)earth tijdens fotofestival Noorderlicht. Hij had er een waar eureka-moment, waarin hij de diepere laag van het zwart doorgrondde. Een verhaal over ontwikkeling.

Ik moet ineens denken aan het moment dat in een donkere kamer, een doka, het beeld opkomt als een belicht vel fotopapier in de ontwikkelaar ligt. In een platte kunststof schaal met waterige vloeistof wordt een wit vel papier ineens een foto: het positief van je negatief. Het is magie, telkens weer.

Op een belicht filmrolletje, een smalle strook lichtgevoelig materiaal, staan je foto’s achter elkaar. De beelden zijn negatief: witte zeilen zijn zwart ondoorzichtig, zwarte boomtakken zijn wit doorschijnend. Ook met alle andere kleuren heeft zo’n omkering plaatsgevonden. De gekleurde werkelijkheid, zoals die zich voor je lens bevond, is ‘vertaald’ naar een wereld in grijstinten. Wanneer je licht door dit negatief  laat vallen, op fotopapier, ontstaat er bij ontwikkeling een positief beeld: opnieuw een wereld in grijstinten, maar dan eentje waar het wit weer wit is en het zwart weer zwart.

Foto’s ontwikkelen doe je dus in een doka. Het enige licht dat op je fotopapier valt, komt uit de belichter of vergroter. Het schijnt door het negatief, gedurende een bepaalde tijd: de belichtingstijd. Dit is de tijd die nodig is om dat wit en dat zwart en die grijzen optimaal uit het negatief te lichten. Een vergroter kun je zien als een projector die het beeld naar beneden op een werktafelblad projecteert. Er mag verder geen (wit) licht uit een andere bron op het papier vallen, dat zou een grijssluier over je foto leggen. Als het lang genoeg duurt krijg je zelfs een volledig zwart beeld.

Werken in een volledig donkere kamer is onmogelijk. Je moet een aantal precieze handelingen verrichten: het negatief in een houder plaatsen en die in de vergroter. Een vel fotopapier onder het geprojecteerde lichtbeeld leggen en het licht er vervolgens precies lang genoeg op laten vallen (dat heb je eerder uitgezocht door een reeks belichtingen op een proefstrookje papier uit te proberen).

Vervolgens leg je het belichte vel papier in een schaal met ontwikkelvloeistof, daarna in een stopbad (verdere ontwikkeling of zwarting van het papier wordt hierin chemisch gestopt) en ten slotte in een schaal met fixeervloeistof om het gemaakte resultaat vast te leggen. Nu moet je de foto nog een tijd in stromend water schoonspoelen en daarna kun je ermee naar buiten.

Het is ondoenlijk om dit allemaal op de tast te doen. Gelukkig is daar iets op gevonden.

Fotopapier is veel minder gevoelig voor bepaald rood licht. De doka wordt daarom zwak verlicht door rode lampen, en in de vergroter zit een rood filter dat je in de projectiebaan schuift, waarna je het fotopapier goed op de tafel kunt leggen, zodat het beeld precies op het vel valt. Daarna haal je het rode filter uit de lichtbaan en begint de daadwerkelijke belichting.

De donkere kamer is alleen al door het rode licht een magische ruimte waarin dingen er anders uitzien en de tijd heel anders stroomt

De donkere kamer is alleen al door dat licht een magische ruimte waarin dingen er anders uitzien en de tijd heel anders stroomt. Je hoort het stromen. O nee, dat is het water in de spoelbak. Ik heb na binnenkomst altijd eerst een tijdje nodig om aan dat zwakke rode licht te wennen, daarna heb ik er helemaal geen last meer van. Misschien is de doka een soort baarmoeder waar steeds weer beeld uit tevoorschijn komt.

Wat een ingewikkelde, rare en veel te lange inleiding! Het is blijkbaar nodig voor wat ik wil vertellen.

HERNIEUWDE KENNISMAKING

Onlangs was ik met Marnix van der Scheer in de oude Camera[!]-bioscoop aan het Hereplein. In het kader van de fotomanifestatie Noorderlicht is daar werk van Awoiska van der Molen te zien. Ik zag al eerder werk van haar, jaren geleden. Eerlijk gezegd herinner ik me er weinig van. Maar het intrigeerde me toen wel, dat weet ik nog.

Ik sloeg ook ooit een fotoboek van Awoiska open, over het regenwoud. Een heel donker boek, deels zwart op zwart papier gedrukt. Het klopt niet wat ik zeg, maar dat is omdat ik het toen niet begreep. Ik keek niet goed en ik keek te kort, weet ik nu. Ik zag het niet.

De Camera-bioscoop dus. Bij binnenkomst herken ik de ruimte, de inrichting is niet veranderd sinds het filmhuis van het Forum er vertrokken is. Alleen wel helemaal uitgekleed. De entree is zelfs uitgesproken donker, achteraf gezien een passende opmaat.

We lopen de grote zaal in. Is er iets veranderd aan de vloer? Het lijkt wel een slijtplek. Vreemd. Op het podium waar vroeger het filmprojectiedoek hing (een bioscoop is ook een soort donkere kamer) zien we een groot lichtbeeld: rode bakstenen in visgraatverband, waar licht doorheen valt. We zijn in het bevingsgebied, maar ik ben ook in een doka.

Als we naar het scherm lopen, draai ik me om. Ik kijk de zaal in en zie, amper waarneembaar en zwak verlicht, een groot beeld met aan weerszijden ervan een stuk of vijf kleinere werken. Samen vormen ze een halve cirkel. Ik struikel bijna over een tafeltje met brochures en loop naar de grote foto’s om ze stuk voor stuk te bekijken.

HET ZWART DIEP ZWART LATEN ZIJN

Ineens snap ik Awoiska. Bij haar komen de foto’s uit het zwart. Ze licht haar beelden uit het zwart. Het is een besef dat in een flits tot me doordringt, magisch bijna.

Awoiska is niet bang voor zwart. Waar het tegenwoordig met software heel gemakkelijk geworden is om met een klik doortekening in het zwart van je digitale beeld te krijgen, ken ik nog maar weinig fotografen die het zwart ook echt diep zwart durven laten zijn. Awoiska is er een van, zie ik nu. In haar camera (die ook een donkere kamer is) heerst de duisternis. En zie, ze laat een straaltje licht toe, spaarzaam. En terwijl ik het zie, zie ik ook dat er steeds méér te zien valt.

Op het grote centrale beeld zag ik zonet een mistige horizon met wat menselijke bouwsels. Een pijpje, een huisje, een loodsje (ik verzin het achteraf als ik eerlijk ben). Een mistige horizon boven een duister veld waarin een slootje oplicht, om te eindigen in een poeltje. Ik voel dat het om dat poeltje te doen is, dat het eigenlijke onderwerp zich niet daar aan die horizon in het licht bevindt, maar hier voor mijn voeten in dat donker. De mist trekt langzaam naar beneden, dat veld in. En nu zie ik het liggen, dampend.

Ik voel dat het eigenlijke onderwerp zich niet daar aan die horizon in het licht bevindt, maar hier voor mijn voeten in dat donker

Ik neem wat meer afstand, zodat ik de halve cirkel helemaal kan overzien. Hoe langer ik kijk – en dat is bij alle beelden zo – hoe meer ik in die zwarte partijen begin te zien, hoe meer er in dat duister aan het licht lijkt te komen.

Die donkere sloot? Er groeien kleine, bloeiende waterplanten in. Die oplichtende boom in dat donker? Hij weerspiegelt in het water dat aan zijn wortels staat.

Ik sta hier niet naar een serie foto’s te kijken, niet naar objecten, maar ik zie de beelden juist kómen. Ik kijk naar een ontwikkeling, ik ontwikkel de beelden zelf met mijn kijken en wachten. Ik kijk naar een plantaardig bewind en hoe het uit het duister komt. Het kleine grote gebeuren. Het speelt zich allemaal voor mij in dat zwart af, ik zie vooral wat dáár gebeurt.

Het is voorbij het licht leren kijken, verblind als we zijn door ons eigen gedoe.

Ik heb de foto’s als totaalbeeld eerlijk gezegd helemaal niet goed gezien. Ik zag alleen maar beweging. Worden, komen, zijn – en het speelt zich niet buiten mij af, ik ben er nadrukkelijk onderdeel van. Deze ruimte is een gevoelige plaats en ik voel me een gevoelige plaat. We ontwikkelen elkaar. Ik kijk naar het verglijden van de tijd en naar wat blijft, naar wat steeds weer verschijnt. Dit is er en zal er zijn, ook als wij er niet meer zijn.

Ik sta weer in de donkere kamer en het wonder voltrekt zich.

Opeens zie ik ook op andere plekken dat patroon op de vloer. De ruimte kleurt daar rood, steengruis laat een patroon van afwezige bakstenen zien; een spoor van wat er niet meer is? Net als het grote beeld voor het projectiescherm is dit werk van Bart Lunenburg.

Ik begin steeds meer te zien en zie nu dat het tafeltje met brochures eigenlijk een bankje is. Een bankje om op te gaan zitten en hier langer te blijven…

VERGEET DIT VERHAAL

Later moest ik ineens denken aan de drie nachten die ik eens in de bouwput van het Groninger Museum doorbracht. Het leidde tot een boekje op lichtgevoelig papier dat je eigenlijk alleen in het donker kunt lezen. In het licht verbleekt het en verdwijnt alles wat erin staat. Het boekje begint met dit motto:

Dat wat tevoorschijn komt
in het licht
is de weergalm
van dat wat de nacht bedekt

Dat wat de nacht bedekt
zet zich voort in het onzichtbare;
dat wat verdwijnt
in het licht

(Jean-Luc Godard in de film Passion - in een gebrekkige vertaling van mij)

Tot slot een oefening:

1 Vergeet dit verhaal, het is slechts hoe ik de installatie heb ervaren.
2 Ga zelf naar de oude Camera-bioscoop aan het Hereplein.
3 Zoek het bankje, ga zitten en ga meemaken.
4 Deel je ervaring met anderen.

***

(Un)earth van Awoiska van der Molen is slechts een van vele onderdelen van de fotomanifestatie Noorderlicht, nog tot 3 oktober op diverse locaties. Koop een ticket en bepaal zelf wanneer je waar naartoe gaat.