Het liefdesverhaal van de stad

7 april 2020 Door Leestijd: 12 minuten

Groningen bracht de afgelopen decennia met een aantal agenderende conferenties de wereld van zorg en gezondheid samen met die van de architectuur. Maar hoe staat ‘de gezonde stad’ er nu voor, en wat is het precies? De afgelopen tijd zochten we een aantal sprekers van de conferentie Building the Future of Health op. Bram Esser sprak in Brussel met twee van de drie partners van Architecture Workroom Brussels: Joachim Declerck (ingenieur-architect) en Els Vervloesem (architect, onderzoeker en publicist).

Gezondheid is een sociale kwestie

Think-and-do-tank Architecture Workroom Brussels vernieuwt de ontwerppraktijk. Dat doet het door ontwerpers onderdeel te maken van maatschappelijke processen.

Het bureau doet veel van haar onderzoek in opdracht van lokale opdrachtgevers. Daar horen ook gemeentes bij, die in toenemende mate de vraag krijgen om lokale oplossingen te verzinnen, nu de overheid zich terugtrekt. In Nederland komt door de zorgwet vanuit gemeentes steeds vaker de vraag hoe ze hun nieuwe zorgtaak moeten vormgeven. Els: ‘In België loopt het nog niet zo’n vaart. Maar het komt eraan.’

Samen met MUST Stedenbouw en De Smet voerde Architecture Workroom in 2016 een ontwerpend onderzoek uit in de Utrechtse wijk Overvecht, in het kader van de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam (IABR). Hier werd duidelijk dat de grote uitdagingen van vandaag – gezondheid, ecologische vraagstukken en sociale weerbaarheid – nooit afzonderlijk benaderd kunnen worden. Zulke thema’s moet je integraal aanpakken. De (her)inrichting van de ruimte vormt hierbij een belangrijke hefboom.

Mede aangestuurd door de studies in Overvecht verlegde het bureau haar focus de afgelopen jaren – net als veel andere onderzoeksinstellingen – steeds meer naar de thematiek ‘gezondheid en de stad’. De conclusie? Een gezonde stad bestaat bij de gratie van een hecht sociaal weefsel.

Joachim: ‘Uit ons onderzoek blijkt dat het aantal gezonde levensjaren drastisch afneemt in wijken als Overvecht. De mentale gezondheid neemt af. Depressies nemen toe. Je hebt daar een stapeling van problematiek; obesitas, eenzaamheid, weinig bewegen. Het heeft allemaal met elkaar te maken. Slechte gezondheid is vooral een sociaal probleem.’

Om die reden is het ook problematisch dat, door toedoen van verzekeraars, schaalvergroting de heilige graal werd. Kleine klinieken en zorginstellingen werden gedwongen om te fuseren en samen verder te gaan op grote campussen buiten de stad.

‘Je moet die diensten juist onderdeel maken van de stad om daarmee het sociale weefsel te versterken’, zegt Joachim. ‘Zorg zou onderdeel van het stedelijk programma moeten zijn, net zo goed als een wandelpad of een park een plek moet hebben in de stad zonder dat bewoners hier extra voor moeten betalen.’

Beeld uit de atelierreeks TAKE CARE! Onzichtbare zorg als sociaal-ruimtelijk vraagstuk. Een initiatief van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden (VIPA), Team Vlaams Bouwmeester, Universiteit Gent - Vakgroep Sociaal Werk en Sociale Pedagogiek, en Architecture Workroom Brussels // © Sien Verstraeten

Gekapitaliseerde ruimte

De stad is geen financieel product, maar wordt wel zo behandeld. Dat is het gevecht en de arena waarin Architecture Workroom zich bevindt. Volgens hen zou zorg niet gekapitaliseerd moeten worden.

‘Alle zachte kwesties, waar geen winst aan hangt, die je niet kunt kwantificeren, krijgen we moeilijker en moeilijker op de agenda van de stadsontwikkeling’, zeggen Joachim en Els. ‘Alles is dusdanig gemodificeerd en gefinancierd dat er een enorme nood aan een tegenbeweging is. Dat leeft wel degelijk in de samenleving.’

De disciplines van planning en ontwerp zitten volledig in de tang bij het commerciële denken. De marge om de connecties tussen ruimte en sociale problematiek te verkennen is volgens Els en Joachim bijzonder klein. En toch zal deze verkenning op gang gebracht moeten worden. De slinger zal op zeker moment terug slaan, en dan zal blijken dat de sociale weerbaarheid dusdanig is verbrokkeld dat ook die gekapitaliseerde ruimte niet meer functioneert.

‘De leefomgeving is naast een verzameling stenen en financiële producten ook een sociale plek met een zorgdimensie’

Joachim: ‘Daarom ben ik ook meer voor het begrip ‘zorgzaamheid’ dan voor ‘gezondheid’. Zorgzaamheid heeft ook nog die sociale dimensie in zich, en dat is van belang. De leefomgeving is naast een verzameling stenen en financiële producten ook een sociale plek met een zorgdimensie en een dimensie van reciprocity, wederkerigheid. Hoe behoud je dit als onderdeel van de samenleving zonder dat het geïnstitutionaliseerd buiten de samenleving wordt geplaatst?’

Op het moment dat de overheid veel over de schutting werpt en de stadsontwikkeling letterlijk steeds minder sociale ruimte heeft om met elkaar die sociale voorzieningen vorm te geven, organiseer je een dubbel probleem. Ooit had je in Nederland honderden verzekeringsmaatschappijen, nu heb je er in totaal negen.

In België is hetzelfde aan de hand. De maatschappelijk positie van zulke organisaties ligt niet meer dicht bij de politiek, ze zijn te machtig geworden en kunnen zelf bepalen hoe de zorg eruitziet. De zorgverzekeraars investeren niet in gezonde ruimte.

Els: ‘Wouter Veldhuis van MUST heeft laten zien dat de beleggingslogica van de zorgverzekeraars maakt dat er gekozen wordt voor vastgoedinvesteringen die gericht zijn op maximaal rendement. Paradoxaal genoeg dragen dergelijke keuzes weinig bij aan een stad waar het gezond is om in te leven. Opnieuw: vastgoedrendement reduceert de stad tot financieel product.’

Onverwachte wederkerigheid

Joachim herinnert zich dat Kees Christiaanse al in 2009, als onderdeel van het Open City-project tijdens de IABR, het begrip reciprocity liet vallen. Het was Christiaanse te doen om een niet-economische benadering van de stedelijke ruimte. Niet een herverdelen van economische waarden van bovenaf, maar leren een deel van onderop te organiseren, buiten het domein van de harde economie. ‘Ik zag toen nog niet dat dit de weg naar voren was.’

Hij herinnert zich ook dat toen hij jong was er een minister was die subsidies regelde voor buurtbarbecues. Destijds moest hij daar hard om lachen. ‘Nu denk ik: geweldig goed bezig. Zo iemand draait precies aan de juiste sociale wieltjes.’

‘In Rotterdam heb je een trapsgewijs systeem van financiering. Er zijn verschillende typen projecten waar subsidie voor aangevraagd kan worden. Daarmee wordt die reciprociteit gepromoot zonder te bepalen hoe dit er inhoudelijk uit ziet.’

Joachim heeft ook nog een persoonlijk voorbeeld van wederkerigheid. Hij woont in Molenbeek, een wijk waar je volgens hem van alles over kan zeggen, maar waar hij vandaag een mooie ervaring had: ‘Ik moest vanmorgen naar de dokter met mijn dochter. Toen stelde mijn buurman voor om mijn zoontje naar school te brengen met de tram. Dat was wel echt een belangrijk moment voor mij. Dat is reciprocity in de zogenaamde hell hole van Brussel.’

De wijk als motor van verandering

Architecture Workroom ontdekte dat de wijk de beste schaal is waarop je verandering kunt aanpakken. De wijk komt terug wanneer je opnieuw gaat bedenken hoe het moet met mobiliteit, ze komt terug in het zorgsysteem, in het voedselsysteem, in het energiesysteem en zelfs in de nieuwe maakeconomie met lokale cycli.

‘Ook de nood aan die kleinschalige ruimtes, maakateliers, sociale incubators met een harde functie om de economie te vernieuwen, maar ook met een zachte functie om dat lokaal te doen, komt terug. Daar zit een enorme vraag naar verbeeldingskracht, argumentatiekracht en onderbouwing.’

De behoefte om dingen terug te brengen op het niveau van de wijk is er dus. Ondertussen is de economie nog altijd gericht op schaalvergroting. ‘Lokale projecten worden bewust klein gehouden om de grote structuren niet te raken, terwijl het, met name in Nederland, wel enorm gevierd wordt als het succes van de nieuwe weg die is ingeslagen.’

Een voorbeeld van zo’n project was Hotel Transvaal in Den Haag. Het zorgde er begin deze eeuw voor dat de dichtgetimmerde wijk Transvaal geen dood stukje stad werd, in afwachting van de projectontwikkelaar, maar een levendig cultureel centrum. Lokale ondernemers werd gevraagd om in slooppanden hotelkamers in te richten.

Wat men in Hotel Transvaal aan de kaak wilde stellen is dat je als corporatie een verantwoordelijkheid hebt om de zogenaamde tussentijd (het moment tussen sloop en nieuwbouw) serieus in te vullen. Het project mocht een paar jaar draaien, maar toen de publiciteit uitgewerkt leek, werden de kunstenaars en cultureel ondernemers er weer uitgeknikkerd. De corporatie had niet de intentie het benutten van de tussentijd structureel in te zetten.

Toch zijn er kansen. In Brussel, maar ook in Nederlandse steden, bestaan wijkcontracten waarin altijd wordt voorzien in een wijkcentrum. Tegelijkertijd wordt de gezondheidszorg steeds meer gedecentraliseerd. Wijkcentrum en gezondheidszorg zouden volgens Els en Joachim een alliantie moeten aangaan.

‘Hoe krijg je de top-down welvaartsplanning in contact met de netwerken en bewegingen van onderop? Daar draait het om. Vanuit de zorgsector is er kennis genoeg over hoe je dit op lokaal niveau allemaal kunt regelen, de sociale infrastructuur is er ook. Er zijn bedrijven die lokale economische netwerken hebben opgezet. Als je dat allemaal bij elkaar neemt, kun je nieuwe plekken realiseren die kunnen leiden tot nieuwe stadswijken.’

De sociale infrastructuur van kerken zou volgens Joachim ook serieus genomen moeten worden als een waardevol netwerk van onderop. Je zou er een nieuwe impuls aan kunnen geven, die meer over zorgzaamheid gaat dan over religie.

‘Vreemd genoeg wordt momenteel in Vlaanderen grootschalig architectuurhistorisch onderzoek gedaan naar die kerkgebouwen, maar ze worden zelden gezien als sociale incubator. Terwijl ze er gewoon klaar voor staan. Een kerkgebouw wordt vaak louter vanuit het oogpunt van erfgoed bekeken en niet vanuit dat van maatschappelijke ontwikkeling.’

Beeld uit de atelierreeks TAKE CARE! Onzichtbare zorg als sociaal-ruimtelijk vraagstuk. Een initiatief van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden (VIPA), Team Vlaams Bouwmeester, Universiteit Gent - Vakgroep Sociaal Werk en Sociale Pedagogiek, en Architecture Workroom Brussels // © Sien Verstraeten

Bospolder-Tussendijken

Bij Architecture Workroom Brussels wordt de energietransitie gezien als leverage, als een hefboom om sociale verandering door te voeren.

In de Rotterdamse wijk Bospolder-Tussendijken is het ze gelukt om de corporatie te overtuigen nog even te wachten met de investering in zonnepanelen en die hele operatie op een andere manier aan te vliegen. De wijk is sociaal fragiel en economisch problematisch. Er woont een grote diversiteit aan mensen en het is er onveilig. Het zorgt voor grote maatschappelijke aandacht, vooral van de politie.

'We bedrijven een vorm van politiek met het ontwerp als instrument'

Joachim: ‘Hoe kun je die verschillende zaken met elkaar verknopen? Hoe kun je de gigantische investeringen die sowieso gaan plaatsvinden zien als meer dan een serie maatregelen – een zonnepaneel op het dak, isolatie op de wanden, straattegels eruit, open gasnet eruit, warmtenet erin? Hoe kun je ervoor zorgen dat je nieuwe dynamieken opzet waarbij zulke investeringen ook gaan renderen in de sociale en zorgdimensie?’

Overigens is niet gezegd dat het een stuk makkelijker wordt als je die grote thematieken gaat combineren. Het gevaar dat het een onontwarbare kluwen van problemen en opgaven wordt, waar je niet zo makkelijk meer uitkomt, ligt op de loer.

Volgens beide onderzoekers moeten we kritisch blijven op de ontwerpende discipline en op hoe dit vraagstuk door ontwerpers wordt opgepakt. Bredere fietspaden zijn leuk bedacht, maar er zijn daardoor niet ineens minder auto’s. Els: ‘Het gaat om een cultuur van probleembenadering die omgedraaid moet worden. Ook door de ontwerpers. Ze moeten dus beginnen bij de vraag hoe we mensen uit de auto krijgen.’

Kleine radertjes

Joachim: ‘We hebben in Zuid-Holland gekeken wat er is gebeurd met de investering in openbaar vervoer. We zien dat het treinreizen inderdaad is toegenomen, maar er rijden nog net zoveel auto’s rond als tien jaar geleden. Dat betekent dat we dus geen gedragsverandering hebben georganiseerd.’

Hij is ervan overtuigd dat je met overheidscampagnes mensen niet in het openbaar vervoer krijgt. ‘Je moet met de mensen op locatie de mobiliteit zo veranderen dat er minder auto’s op straat staan, meer leefruimte ontstaat en de gezondheid verbeterd wordt. Door aan kleine radertjes te draaien. We bedrijven een vorm van politiek met het ontwerp als instrument.’

In Vlaanderen snijdt de energietransitie aan de sociale kant dieper. Zij die het kunnen betalen plaatsen zonnepanelen op hun dak. Ze onttrekken zich aan het collectieve systeem waarvan de armere mensen afhankelijk zijn. Zodoende wordt dat collectieve systeem armer.

‘Nu liggen in heel Vlaanderen zonnepanelen, maar vanuit ruimtelijk perspectief bekeken had dat misschien wel slimmer gekund. Er was veel meer winst te boeken. Nu is het een optelsom van individuele oplossingen.’

Volgens Joachim gaat het erom dat je deze problematiek anders situeert: je kan het collectiever en lokaler organiseren, bijvoorbeeld op schaal van een buurt of wijk. ‘Alleen als mensen een graad van betrokkenheid hebben bij de energiecomponent, willen ze er echt in mee. Dan gaat het pas werken. Het is een middel om klimaatverandering tegen te gaan, maar ook een middel om het sociale aspect van wijken te verbeteren. Met sociale netwerken, opgebouwd uit mensen met verschillende rollen, krijg je de verandering van de grond.’

Zachte krachten

Is er iets gaande? Het is in elk geval nog fragiel. Een pessimist zou zeggen dat er geen opdrachtgeverscultuur bestaat waarin zorgzaamheid structureel wordt ingebed. Optimistischer gesteld kan de nieuwe dynamiek rond de grote thema’s langzamerhand andersoortige opdrachtprocessen voortbrengen waarin die waarden wel meetellen.

Els en Joachim pleiten voor een meer antropologische invalshoek. Er is een hoop data beschikbaar, maar er is weinig kennis over hoe mensen leven en zich gedragen. Ontwerpers zijn gewend om met technische gegevens en harde cijfers te werken, maar met zachte data blijken ze in de praktijk veel moeilijker uit de voeten te kunnen. Toch zijn er goede voorbeelden. ‘Kijk naar wat Arnold Reijndorp heeft gedaan in zijn Atlas Westelijke Tuinsteden’, zegt Els. ‘Heel kwalitatief onderzoek dat gaat over waardes’.

Voor Architecture Workroom staat vast dat we leven in een tijd waarin we op hoge snelheid aan een systemische verandering willen werken. Dat lukt alleen met intricacy, oftewel door dingen met elkaar te verknopen. Het werken met plekken biedt allerlei handvatten om dergelijke complexe vraagstukken concreet en behapbaar te maken. Daarnaast is het een manier om betrokkenheid te creëren en mensen deel te laten nemen aan de verandering.

Joachim: ‘We hebben het niet meer over een technologisch antwoord op onze grote problemen, dat gaat niet meer werken. Je moet zorgen dat je de zachte krachten van sociale wederkerigheid aan de praat krijgt, en dat zien te koppelen aan de harde kant van de zorg. Dat is het liefdesverhaal van de stad.’

***

Afbeelding header: Flickr // Erasmushogeschool Brussel