Betere woningen

‘Ik zou graag zien dat onze steden wat Italiaanser worden’

In gesprek met Irene Cieraad

Tekst:
Leestijd: .

Terwijl de samenleving steeds diverser wordt, blijven we in Nederland dezelfde huizen bouwen. Strikte eisen en vastgeroeste ideeën zitten ons woongenot en het maken van slimme plattegronden in de weg. Hoe zorgen we dat we de juiste woningen bouwen? Hoe maken we kwaliteit minstens zo belangrijk als kwantiteit? En hoe maken we de plattegrond weer volwaardig onderdeel van het ontwerp? Publicist, antropoloog en onderzoeker Irene Cieraad trekt een dikke lijn tussen hoe we leven en hoe we bouwen.

Dit interview is een bewerkte versie van een stuk uit het cahier Out There, dat architectenbureau De Zwarte Hond in 2023 maakte. De publicatie staat geheel in het teken van de woningplattegrond. Samen met initiatiefnemers Lisa van der Slot en Henk Stadens ging Peter Michiel Schaap in gesprek met verschillende experts.

De situatie op de woningmarkt van nu wordt vaak vergeleken met de naoorlogse woningnood. Ten onrechte, vindt publicist, antropoloog en onderzoeker Irene Cieraad. ‘De situatie had destijds een heel ander karakter. Zeker in de eerste jaren na de oorlog waren de oplossingen erg rigide. Alleenstaanden hadden na simpelweg geen recht op zelfstandige woonruimte.’ Delen en inwonen was daarom de oplossing.

En mensen die al alleen in een huis woonden? Dat mocht niet meer: er kon nog best een jong stel bij, het liefst een mensen die je al een beetje kende. Voor veel mensen duurde dat inwonen wel tien jaar. Pas daarna kwamen er andere oplossingen, zoals de duplexwoning – waarvan er uiteindelijk maar verdomd weinig echt zijn samengevoegd.

‘Ook mijn ouders hebben na de oorlog bijna zes jaar ingewoond, voordat ze vanuit Amsterdam naar het oosten van het land gingen’, zegt Cieraad. ‘Daar was de situatie wat relaxter dan in de Randstad. Zeker voor dokters, verplegers en onderwijzers maakte de overheid zo’n verhuizing makkelijk. Je kreeg een volledige vergoeding en je kreeg voorrang bij het vinden van een nieuwe woning. Zulke maatregelen kunnen we ons nu nauwelijks nog voorstellen.’ 

Het eerste huis dat ze zich kan herinneren ná het inwonen, is een rijtjeshuis is een provinciestadje. ‘Het had een bovenverdieping die eigenlijk altijd koud was. De slaapkamer deelden we. Daarna woonden we in een galerijflat. Dat vond ik eigenlijk heel prettig. Het was beknopter, je voelde je betrokken bij elkaar, slaapkamers waren verwarmd, en ja, je had een mooi uitzicht. Wellicht dat ik daardoor nooit meer op de begane grond wil wonen: ik heb uitzicht nodig.’

Ook haar studentenflat in Diemen zat op acht hoog. ‘Het feit dat ik daar op het balkon mijn scriptie heb geschreven, zegt veel. Zonder dat uitzicht had ik het niet gekund.’ Intussen woont ze al jaren in De Nieuwe Pijp, het zuidelijk deel van de Amsterdamse wijk De Pijp. Haar huis is onderdeel van een monument van de volkshuisvesting. ‘Ik kijk daar uit op een fascinerend gebouw. Dat verveelt nooit.’

Irene Cieraad

Delen is ingewikkeld

Tegenwoordig word je, als je een woning deelt, vooral gezien als onderdeel van het probleem. Als ‘deler’ behoor je een zelfstandig huis te hebben, zo is de gedachte, met een eigen badkamer, een eigen woonruimte en een eigen keuken.

‘Dat is de woningnood van nu. Aan de andere kant stimuleren we het alleenwonen. Voor veel mensen die best samen zouden willen wonen, maken we het zelfs financieel onaantrekkelijk om dat ook echt te doen. Denk aan al die ouderen die hun – vaak veel te grote – eigen woning aanhouden omdat ze anders gekort worden op hun AOW. In Nederland wordt samenwonen bestraft. Onze wetgeving loopt hierin enorm achter.’ 

‘In Nederland wordt samenwonen bestraft, daarin loopt onze wetgeving enorm achter’

Als antropoloog is Cieraad vooral geïnteresseerd in de manier waarop mensen hun huis verbouwen en gebruiken. ‘Zeker in het gebruik zie je ontzettend veel terug. Wat dat betreft is de woning de kristallisatiekern van de maatschappelijke ontwikkeling. Zo zie je dat de gang in de loop der tijd uit de woning is verdwenen. Tot ver in de jaren vijftig liep de huisvrouw nog vanuit de keuken via de gang naar de voordeur om open te doen voor de bakker, de melkboer of de groenteboer.’

De tijd waarover ze spreekt was het pre-supermarkttijdperk. Veel werd destijds nog aan huis bezorgd. De dagelijkse boodschappen borgen mensen op in de kelderkast onder de trap. Dat veranderde met de opkomst van de supermarkt.

In veel nieuwbouwwoningen werd de gang een hal, en groeide de garage uit tot ‘de mond van het huis’. Hij was bedoeld voor opslag, al dan niet gecombineerd met een werkplaats. De auto stond op de oprit.

‘Dat die garage uitgroeide tot voorraadkast had ook te maken met de opkomst van de open keuken, die veel minder ruimte bood voor het opbergen van etenswaar. Met mijn studenten heb ik dat eens letterlijk in beeld gebracht. Ik vroeg ze hun ouderlijk huis te analyseren en aan te geven langs welke weg de boodschappen binnenkwamen. En inderdaad, bij vrijwel iedereen speelde de garage een hoofdrol.’

Opvallend was, voegt ze toe, dat het gros van haar architectuurstudenten was opgegroeid in een vrijstaande woning, vaak ergens op het platteland. ‘Ik kan me slechts één student herinneren die met zijn moeder op een flatje had gewoond. De meesten hadden die ervaring niet. Dan heb je toch wel een achterstand als je gevraagd wordt een appartement te tekenen.’

Getimmer

Observerend merkt Cieraad op dat veel woningen tegenwoordig nagenoeg casco worden opgeleverd. Je koopt je huis van papier, en de projectontwikkelaar heeft de plattegrond al bepaald. ‘Voor kopers en bewoners is er nauwelijks ruimte om aanpassingen te doen. En als die er wel is, dan vindt menigeen dat eng. Daardoor blijven we hangen in standaard plattegronden, standaard gedrag en… getimmer. 

Met dat laatste doelt ze bijvoorbeeld op een situatie waarbij kleine kinderen een eigen kamer krijgen. Zijn ze het huis uit, dan wordt de boel weer samengevoegd. ‘Dat getimmer doen we trouwens ook wanneer we huizen gaan verhuren. Dat heeft zeker in de studentensteden geleid tot een enorme verkamering, waar vervolgens grof geld mee verdiend wordt. Maar andere plattegronden of woningtypen? Dat levert het niet op.’ 

Natuurlijk kan het anders. Onlangs recenseerde Cieraad een Australisch artikel waarin ze op een plattegrond stuitte die ze nog nooit eerder had gezien. ‘Het was een woning waarin twee individuen zonder intieme relatie samen konden wonen. Een gezamenlijke woonkamer en keuken vormden daarin de crux. Maar er waren ook een slaapkamer, douche en toilet die echt privé waren. Een interessante oplossing, zeker wanneer je het naast de Nederlandse verkamering zet.’

Bijzonder aan het complex waartoe de plattegrond behoorde, was ook het duurzame aspect. ‘Alles zat dicht op elkaar, maar wel met binnenhoven, lichtkokers en nauwelijks installaties zoals airco’s.’

Cieraads fascinatie voor het gebruik en vooral het verbouwen van woningen begon toen ze een opdracht kreeg van een Frans-Zwitsers marketingbureau. Ze wilden weten hoe Nederlanders woonden. Voor het onderzoek werden heel verschillende huishoudens geselecteerd, verspreid over het hele land.

‘Ondanks die verscheidenheid bleken al die huishoudens toch erg op elkaar te lijken. Als ze in een jarendertighuis woonden, hadden ze dat eigenlijk allemaal op dezelfde manier verbouwd. Ze hadden de keukenmuur eruit gehaald, net zoals de en-suitedeuren en de inbouwkasten. Vrijwel iedereen stuitte ook op het probleem van het toilet op de gang – die gang werd vaak opgeofferd. Mensen kwamen vervolgens naar houtje-touwtjeoplossingen die geen architect ooit zou verzinnen.’

Uitsnede van de tekening die Studio Nadia Nena maakte voor Out There

Van dienstbodes naar woonhotel

Ook de keuken is een interessant fenomeen, en dan vooral de wijze waarop die door het huis zwerft en leidt tot nieuwe woonvormen. Cieraad schreef er veel over. ‘Traditioneel zat de keuken vooral achter in het huis. Bij rijke families werd hij, net als de rest van het huishouden, bestierd door personeel en dienstbodes.’

Aan die laatste groep ontstond tegen het eind van de negentiende eeuw een groot tekort. Steeds vaker kozen ze voor een baantje in de fabriek. ‘Maar met name de gegoede burgerij, waaronder ook de vrouwen, peinsde er niet over om zelf achter het aanrecht te gaan staan.’

Het leidde in de Verenigde Staten tot de bouw van woonhotels met keukenloze appartementen en een professioneel restaurant op de begane grond. De prominente Amerikaanse feminist en socioloog Charlotte Perkins Gilman speelde daarin als een van de bedenkers een belangrijke rol.

‘De gegoede burgerij peinsde er zelfs bij een gebrek aan dienstbodes niet over om zelf achter het aanrecht te gaan staan’

Die eerste woonhotels waren super-de-luxe. Naast het restaurant hadden ze een kinderopvang en een professionele staf die schoonmaakte. Het was ook de tijd van de opkomst van de doorman en de conciërge.

Niet veel later waaide het concept over naar Europa, en dus ook naar Nederland. Den Haag telde voor de Tweede Wereldoorlog meerdere woonhotels – na de oorlog verdwenen ze weer. Ook veranderde vanaf dat moment de rol en positie van het eten en de keuken in het huis. Waar moeder vroeger ergens in een afgesloten ruimte stond te zwoegen, ontstond de open keuken als een centraal onderdeel van de woning.

‘Vanuit die keuken had je overzicht, maar ook zicht op het bereiden van het eten. In die tijd gingen ook mannen een beetje meedoen in het huishouden. Op zondag stond vader dan uitgebreid een driegangenmenu te koken, waarbij iedereen kon zien hoe hij dat deed. De keuken en de keukentafel groeiden uit tot het hart van het huis: het commandocentrum.’

Voor rommel is geen ruimte meer

De laatste jaren is sprake van een nieuwe ontwikkeling. Eentje die Cieraad er bijna toe dwingt haar artikelen te herschrijven of ten minste te updaten, bemerkt ze. ‘Waar de keuken voorheen achter in de woning zat en daarna werd opengemaakt, zie je nu dat vooral in de stad de keuken naar de straatkant verhuist. Als je in Amsterdam over de stoep loopt, kun je op steeds meer plekken letterlijk een kijkje in de keuken nemen. De activiteit zit in toenemende mate aan de voorkant, niet meer aan de achterkant van de woning. Die is nu vooral om te ontspannen en relaxed te zitten.’

Bijzonder is ook de groeiende invloed van woonprogramma’s, tijdschriften en social media. ‘Ik kijk er niet zo veel naar, al zou ik dat eigenlijk meer moeten doen. Die creëren een beeld van ‘hoe het zou moeten’. Daardoor ontstaat een wonderlijke kloof tussen het woondecor en het werkelijke wonen. Kijk alleen maar naar Funda: daar ziet vrijwel iedere woning er aangeharkt uit, zoals het klaarblijkelijk hoort. Er zijn zelfs makelaars die met een vrachtwagen komen voorrijden om de boel zo fotogeniek mogelijk op de foto te zetten. Er worden wat designmeubelen naar binnen gereden en de fotoshoot kan beginnen. Rommeligheid? Dat accepteren we eigenlijk niet meer.’

Het zou goed kunnen dat we geen rommel meer willen omdat er in de woning simpelweg geen plek meer voor is. Veel nieuwbouwhuizen in de stad zijn klein, en inbouwkasten zijn allang verleden tijd. Ook huizen met zolders worden nauwelijks nog gebouwd.

‘In dat licht stuitte ik eens op een prachtig onderzoek van Philips, uit de jaren zestig, naar de Nederlandse huisvrouw. Daarin werd ook de inhoud van de zolder beschreven: die stond vol. Maar wat vroeger op zolder stond, staat nu op straat bij vuilcontainers.’ Opvallend is dat dit vooral het geval is in buurten waar mensen klein wonen. ‘In duurdere buurten hebben mensen zolders en garages, daar zie je nooit een meubelstuk aan de straat staan.’

Natuurlijk speelt de kwaliteit van hedendaagse meubels een rol, net als onze consumptiemaatschappij waarin het heel normaal is om de boel weg te doen als je er zat van bent of het uit de mode is. Het ‘ontspullen’, zoals dat gepredikt wordt door opruimgoeroes als Marie Kondo, zijn daar ook onderdeel van, vindt Cieraad. ‘Wat zij doet is het tegendeel van duurzaamheid. Ze zaait het idee dat als je iets een tijdje niet gebruikt, het wel weg kan. En als je het dan toch weer nodig blijkt te hebben, koop je het weer. Het is op en top consumentisme.’

Verbrokkelde dagindelingen

Een andere interessante ontwikkeling is er een die samenhangt met de televisie. Lang was dat een bepalend ding in de woonkamer. Waar aanvankelijk alleen de culturele elite – die meer om boeken gaf – zich daaraan onttrok, hebben tegenwoordig steeds meer mensen geen televisie. Wie er nog wel een heeft, kiest vaak voor een hele grote. 

En boeken? Die hebben veel jonge mensen ook niet meer. ‘Fotografeer je boekenkast, vroeg ik eens aan mijn architectuurstudenten. Sommigen bleken die nog wel te hebben, andere niet. En als er al een kast stond, dan stonden daar vooral Lonely Planets in.’ 

Televisiekijken doen we nog wel, maar dan op tablets, laptops en telefoons. Horizontale programmering heeft voor steeds meer mensen steeds minder waarde. Ze kijken terug of vooruit en nemen genoegen met een klein scherm. ‘Maar die horizontale programmering hing altijd samen met het idee van een standaard dagindeling. Voor veel mensen is die er nog altijd, maar de groep wordt wel kleiner.’

‘De sociale structuur raakt verstoord door de verkamering, verstudio-isering en de verkoop van sociale huurwoningen’

Het breken met een standaard dagindeling werkt ook door op onze maaltijdpatronen. Op stations, in winkelstraten: eten is overal. En eten doen we dus ook overal – en altijd. Ontbijt wordt niet meer vanzelfsprekend samen genuttigd, of zelfs helemaal overgeslagen. Lunchen doen we ergens op school of op het werk. En zelfs het eten van de avondmaaltijd is steeds minder een gezamenlijke bezigheid.

De magnetron en de voorverpakte maaltijd vangen de variëteit aan ritmes op, net als de bezorgeconomie. Waar die pakweg tien jaar geleden nog moeizaam op gang kwam, zie je, zeker in de stedelijke omgeving, de flits- en maaltijdbezorging alles overnemen. Cieraad: ‘In mijn ogen is het een plaag. Het heeft een enorme invloed op hoe we samenleven in de stad, en daarmee op het thuisgevoel van mensen.’

Een band met je buurt

Dat thuisgevoel wordt in grote mate bepaald door de buurt waar je woont. ‘Je kunt nog zo’n mooi huis hebben, met een prachtige indeling en heerlijke kamers, maar als het in een buurt of straat staat waar je je niet welkom of prettig voelt, dan is het geen fijn huis. Ook buren die overlast bezorgen of ruzie maken op de stoep of aan de heg, zijn erg bepalend. Je moet je prettig kunnen voelen met de mensen waarmee je je woonomgeving deelt.’ 

In Amsterdam en andere steden is dat op steeds meer plekken een heikel punt. ‘De sociale structuur raakt verstoord door de verkamering, verstudio-isering en de verkoop van sociale huurwoningen. De samenstelling van buurten verandert continu.’

Als je regelmatig verhuist, schiet je bovendien nergens wortel. ‘Veel expats en studenten zijn vooral op zichzelf gericht. Ze wonen tijdelijk, dus waarom zouden ze kennismaken met hun buren? In mijn eigen buurt wordt bovendien nauwelijks nog Nederlands gesproken. In de winkels en de horeca hoor je Engels. Het is de reden waarom steeds meer Amsterdammers de stad verlaten. Ze voelen zich er niet meer thuis, terwijl ze er prachtig wonen.’

Voor de stad als geheel is dat geen goede ontwikkeling, nog los van de hoge prijzen die zorgen voor uitsluiting. Het stadsbeeld verandert. De openbare ruimte wordt gedomineerd door twintigers en dertigers, en ook de functies en voorzieningen worden op hen afgestemd. 

‘In Amsterdam zie je zeker ’s avonds eigenlijk geen ouderen meer op straat. Ook gezinnen met kinderen trekken zich terug in bepaalde wijken. Elders moeten ze uitkijken dat ze niet overreden worden door deelscooters en elektrische fietsen. Het stadsbeeld is eenzijdig aan het worden, en dat betreur ik. Wat dat betreft zou ik graag zien dat onze steden wat Italiaanser worden. Daar zie je die menging nog veel meer en is het stedelijk leven een stuk minder anoniem.’

Out There #4: Woningplattegronden is hier te bestellen. Het cahier bevat naast verschillende interviews een uitgebreide studie en analyse van de ontwikkeling van de (Nederlandse) woningbouwplattegrond. Maar bovenal is het een oproep om de platgrond weer te omarmen als volwaardig onderdeel van de ontwerpopgave.