10 november 2021 Leestijd: 3 minuten

Afgelopen herfstvakantie zijn we met het hele gezin in Riga, de hoofdstad van Letland, geweest. De aanleiding was een congres waar mijn vrouw zou spreken. Ik moest mee vanwege Midas Aurelio Esser, die zeven maanden oud is, borstvoeding eist en vastgehouden wil worden.

The Train Traveller, een reisorganisatie gespecialiseerd in het reizen per trein, zocht alles voor ons uit. We kregen een bruine enveloppe thuisgestuurd met alle reispapieren erin. Op alle pagina’s stond het logo van een stoomtrein met zo’n grote ijzeren sneeuwschuiver voorop. Een geruststellend logo. Alsof The Train Traveller alle problemen voor je opzijschuift.

De treinreis begon in Groningen met een bus naar Leer. Dat is al jaren zo: wie met de trein richting Duitsland wil, moet met de bus. Vanaf Leer ging het verder met de trein naar Bremen, overstappen naar Hamburg en daar weer overstappen naar Kiel voor de ferry naar Klaipeda in Litouwen. Normaal gesproken neem je de boot vanuit Stockholm naar Riga, maar die ging niet vanwege corona.

De ferry was afgeladen met Litouwse vrachtwagenchauffeurs die de hele reis tv keken. Of dat nou tekenfilms, oorlogsdrama’s of ijshockeywedstrijden waren, maakte voor hen geen verschil.

De ventilatie van de hut was kapot en we lagen zwetend in de kooi. Daardoor droomde ik vreemd. Overal op het schip zaten kinderen van mij. In de kombuis, achter de hutkoffer van de kapitein, op het dek kropen ze rond en ze zaten in de machinekamer. Ik kon me niet herinneren dat ik zo veel kinderen had. Maar ik was er heel druk mee.

Het duurde niet lang voordat de middelste moest overgeven. Ik gooide een pak koekjes leeg in mijn tas en liet hem in het karton kotsen

In Klaipeda namen we een taxi naar het hotel voor nog een tussentijdse overnachting op weg naar Riga. De chauffeur zag ons hoofdschuddend aan met onze karren en onze bagage. ‘You look like a family of gypsies’, zei hij ten slotte, niet onvriendelijk.

De volgende ochtend vertrokken we voor het laatste deel van de reis in een minibusje naar Riga. Het duurde niet lang voordat de middelste moest overgeven. Ik gooide een pak koekjes leeg in mijn tas en liet hem in het karton kotsen. Goed bedacht denk je, maar het begon natuurlijk te lekken. Door er razendsnel een luier omheen te wikkelen was ik gered. Zo leer je dus improviseren, in een poging te overleven.

We reisden van crisismoment naar crisismoment. De een kreeg honger, de ander moest plassen, een volgende gaf over. Er moest getild worden, of juist niet, nee, zelf lopen. Dan weer geplast, gepoept en gegeten. Ik keek gegeneerd naar het spoor van rijstwafels dat door het gangpad van de bus tot aan de chauffeur liep.

En dan heb ik het nog niet eens over de terugreis gehad, die werd gekruid met verrassende nieuwe ingrediënten als zeeziekte, een vergeten laptop (nagebracht door een taxi, met een bus vol woedende Letten tot gevolg) en vertragingen.

Het was een lijdensweg. Na het lijden kwam de loutering van de mooie momenten in de Letse hoofdstad. En niet te vergeten het genot van de thuiskomst. Zoals Simon Carmiggelt al zei: ‘Dat is een voordeel van reizen: het verruimt de blik en scherpt ons in, hoe verrukkelijk het thuis is.’

***

Deze column sprak Bram ook uit in de talkshow Talk of the Town.