‘Met een optelsom van goede bedoelingen komen we er niet’

27 oktober 2021 Leestijd: 18 minuten

Hoe ontwerp je voor een veranderend klimaat? Landschapsarchitecten uit binnen- en buitenland gingen de uitdaging aan, het resultaat is van vrijdag 5 tot en met zondag 7 november op de Grote Markt te zien in de tentoonstelling Sponsland. Gekoppeld daaraan presenteerden we op 6 november het boek Sponsland: reis door het landschap van de toekomst. Onderstaand gesprek tussen Yttje Feddes en Peter Veenstra – de curatoren van Sponsland – en landschapsarchitect Dirk Sijmons is een voorpublicatie. Over hoop, perspectief, biodiversiteit, de noodzakelijke transitie van de landbouw en de veranderende rol van de landschapsarchitectuur.

Ontsproten aan de vegetatiekunde, opgebloeid in de tuinarchitectuur en groot geworden in de stedenbouw en waterbouw: landschapsarchitecten zijn hot and happening. Ook het veranderende klimaat brengt tal van nieuwe opgaven met zich mee waarbinnen de landschapsarchitectuur een belangrijke rol wordt toegedicht. Alhoewel, nieuw... Alles wat nu in razende vaart op ons afkomt, werd decennia geleden al aangekondigd. En veel oplossingen zijn de afgelopen jaren al eens getekend.

Yttje Feddes: ‘Ons vakgebied heeft zich de afgelopen veertig jaar geëmancipeerd. We hebben ons bevrijd van een ondergeschikte rol in de stedenbouw en de landinrichting. We snappen hoe de bodem werkt, hoe de watersystemen in elkaar steken. We hebben kunnen oefenen en weten wat werkt en wat niet. Iedereen lijkt nu de inbreng van landschapsarchitecten belangrijk te vinden. Het staat in iedere opgave.’

Dirk Sijmons: ‘Dat is niet zo gek, want de grote opgaven op het vlak van klimaat, energie, landbouw en biodiversiteit komen elkaar tegen in het ruimtelijk domein. Er zijn haast te weinig goede landschapsarchitecten om aan al die projecten te werken. Ondertussen staat ons vak ook op een kantelpunt. Veel opgaven kunnen we niet ontwerpend oplossen. De kans op overschatting van ons vakgebied ligt op de loer.’

Peter Veenstra: ‘Als landschapsontwerpers worden we vaak ingehuurd om tot een win-winsituatie te komen.’

DS: ‘Dat komt voort uit de modernistische belofte dat het beste nog moet komen. Die belofte kunnen we met droge ogen niet meer doen. Toch geven we onze opdrachtgevers vaak nog wat ze vragen. In de visualisatie staan we dan mee te zwaaien met vrolijke kinderen en gezellige mensen in een schitterend groen landschap vol met bloeiende bloemen. Homo ludens regeert. Met H+N+S hebben we eens al die beelden op een rij gezet. Het is echt een en al happy people. Welbeschouwd heeft het een hoog Monty Python-gehalte. Tussen de aanstaande ruïnes van het veranderende klimaat staan we vrolijk te zwaaien. Als vakgebied mogen we daar echt wat reflectiever op zijn.’

PV: ‘Door onze ‘groene achtergrond’ worden we automatisch tot de good guys gerekend. En dat terwijl we eigenlijk ook onderdeel van het probleem zijn. In de meeste gevallen zijn de parken, openbare ruimtes en zelfs de natuurgebieden waar we aan werken ‘de groene component’ van stedelijke groei of verdichting. Daar zit het geld, daar zitten de investeringen.’

DS: ‘Als vakgemeenschap gaan wij mee in die hyperventilerende groei van de stad. Dat zal echt anders moeten. We kunnen de grote opgaven die het veranderende klimaat met zich meebrengt niet meer oplossen met win-winsituaties.’

PV: ‘Met een optelsom van goede bedoelingen kom je er niet. Steeds vaker zullen we pijnlijke keuzes moeten maken. Ruzie bij elk plan dat je maakt. Je moet bereid zijn vijanden te maken. Parken en idyllische groengebieden: natuurlijk zullen we daar altijd aan blijven werken, maar binnen de context van het veranderende klimaat is dat kruimelwerk.

‘Wij ervaren dat het maken van grote plannen tegenwoordig meer kansen biedt dan kleine. Groot betekent dat je impact hebt en samenhang kunt laten zien. Zo kun je de meetbare winst veel beter aantonen. Met LOLA hebben we bijvoorbeeld gewerkt aan een plan voor een enorme bosrand rond Madrid, een groene contramal van de stad. Op het eerste gezicht lijkt het op een naïef studentenplan. Maar juist door de omvang maakt het veel los en opent het deuren.’

‘Meestal hanteren we een modernistische benadering: wat is het probleem, hoe lossen we dat op, wat kost het en wat is de planning? Terwijl de boodschap eigenlijk moet zijn dat we op een substantieel lager welvaartsniveau moeten gaan zitten’

YF: ‘Binnen deze context is in Nederland het Plan Ooievaar van onschatbare waarde geweest. Op nationale schaal is midden jaren 80 al getekend aan de verkleuring van landbouw naar natuur. Dat perspectief heeft het denken in gang gezet. Een-op-een is het plan niet gerealiseerd. Wel heeft het de basis gelegd voor duizenden hectares nieuwe natuur langs de rivieren.’

DS: ‘Er zijn echt honderden plannen in de lijn van dat plan gemaakt. Plan Ooievaar is een wonder op zich. Maar dit soort plannen legt ook de vraag op tafel in hoeverre we nog echt vernieuwend moeten willen zijn. Heel veel vergezichten zijn er al. De expertise is er. Het zou bij nieuwe plannen meer moeten gaan om de toepassing, om het concreet maken van hetgeen we al weten. Wat dat betreft moeten we ons ook realiseren wat de onvervangbare waarde is van de vrije culturele ruimte van biënnales en manifestaties als de IABR en Sponsland.’

PV: ‘Juist daarom hebben we bij Sponsland ook zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij echte opdrachtgevers. We wilden luchtfietserij voorkomen en hebben alles gekoppeld aan concrete opgaven. Geen plannen dus á la Groningen aan Zee. Het hoofddoel was toch vooral om te laten zien wat je met de inzet van landschapsarchitecten kunt bereiken. Misschien niet zo visionair, maar voor het gebied wel een eyeopener. Voor oplossingen die echt werken geldt misschien: hoe suffer, hoe beter.’

Beeld: Bart Nijstad voor GRAS

YF: ‘Veel voorstellen in Sponsland hebben dat realisme. Het idee om de Drentsche A onder het Van Starkenborghkanaal door te halen is briljant – en tegelijk een verbeterde versie van een plan dat dertig jaar geleden al door DLG was getekend. Ook de plannen voor het terugbrengen van sloten en oude landschapspatronen zijn niet nieuw, maar voor deze opgave wel verrassend effectief. De houding van de ontwerper bij dit soort toekomstverkenningen zou het uitstippelen van een routekaart moeten zijn. We hebben sterke, toekomstgerichte verhalen nodig. Grote, maar zeker ook realistische plannen die dankbaar gebruikmaken van het gedane werk, waarbij we het perspectief met iedere stap kunnen bewijzen. “Jullie krijgen het allemaal veel beter”? Nee, die garantie kunnen we niet meer geven. Maar wel dat het anders wordt.’

DS: ‘Dat het vak gaat veranderen is zeker. In de kunsten, de filosofie en aan de randen van de landschapsarchitectuur zie je de beweging al. Het gaat dan om de aandacht voor andere soorten, niet-menselijke wezens op deze aarde waar ook rekening mee gehouden moet worden. Ook gaat het om de verantwoordelijkheid die we als mensheid moeten nemen voor de schade die we hebben aangericht. We moeten van ego naar eco. Neem de Ambassade van de Noordzee, een initiatief dat schatplichtig is aan het gedachtegoed van de Franse filosoof Bruno Latour. Het is een oproep een stem te geven aan het niet-menselijke leven, voorbij de natiestaat.

‘Een ander voorbeeld is de Zoo of the Future van landschapsarchitect en zelfbenoemd Nature Optimist Thijs de Zeeuw. Het gaat over een nieuwe relatie tussen mens en dier binnen het Antropoceen. Dat soort initiatieven zit niet in het commerciële circuit. Er zal nooit een betalende opdrachtgever voor komen, maar het is wel een belangwekkende maatschappelijke onderstroom. Hier komt het revolutionaire geluid vandaan.’

PV: ‘In de praktijk zie je dit revolutionaire geluid ook al wel terug. Zo loopt in Frankrijk een project om een aantal grote stuwdammen te ontmantelen. In andere Europese landen gebeurt dat ook met kleinere dammen die hun functie verloren hebben. Maar Frankrijk is echt een voorloper. De plannen zijn activistisch en politiek geëngageerd. En het gebeurt ook echt. Alles met als doel om het natuurlijke systeem te herstellen, en nadrukkelijk ook de biodiversiteit.’

DS: ‘Het zijn inspirerende voorbeelden van een andere vakfilosofie. In die lijn is ook rewilding, zoals dat in de Verenigde Staten is aangeslagen, een interessante ontwikkeling. Teruggeven van landbouwgrond aan de natuur. Zo lag in Virginia de tabakslandbouw volledig op z’n gat. In no time waren daar de beren en de wolven terug.’

PV: ‘Van een andere orde, maar ook met politieke lading, is de studie Luxembourg in Transition waar we momenteel aan werken. De vraag was of we op de schaal van een land de doelen van Parijs kunnen halen. Maar dan ook écht. Al heel snel was de conclusie daar: nee, dat lukt dus niet. Natuurlijk, er zijn weinig landen met een grotere footprint dan Luxemburg, maar de afstand tot CO2-neutraal is voor veel landen enorm. Er is bij mijn weten maar één land in de wereld dat bijna CO2-neutraal is en dat is Madagaskar. Echt niemand is bereid om op dat welvaartsniveau te gaan leven.

‘Talloze taboes worden niet benoemd, terwijl we weten dat het echt anders moet. Binnen de Luxemburgse studie kwamen ze in sneltreinvaart voorbij. En ja, toch kwamen we ook hier uiteindelijk op een modernistische benadering uit: wat is het probleem, hoe lossen we dat op, wat kost het en wat is de planning? Terwijl de boodschap eigenlijk moet zijn dat we op een substantieel lager welvaartsniveau moeten gaan zitten.’

DS: ‘Worst case scenario’s worden veel te weinig getekend. En dat terwijl het scenario dat het allemaal niet goed gaat aflopen best aannemelijk is. Illustratief is de Atlas for the End of the World van landschapsarchitect Richard Weller. Daarin legt hij een aantal wereldkaarten op elkaar. Dan zie je in één oogopslag hoe in Afrika en Azië de verstedelijking losgaat, precies op de biodiversiteitshotspots van UNESCO. Die frontale botsing vraagt om uiterst strikte natuurbescherming.

‘Ondertussen moeten we beseffen dat de rampen van 2021 – bosbranden, hittegolven, wateroverlast – het gevolg zijn van ‘slechts’ 1,1 graad opwarming. Veel politici schermen met de stelling dat het halen van de Parijs-doelstelling van 1,5 graad opwarming niet meer realistisch is; het zou klimaatdrammerstaal zijn. Maar uiteindelijk is het tegengaan van verdere opwarming toch echt het allerbelangrijkste. Mitigatie dus. Adaptatie alleen is niet genoeg.

‘Bovendien liggen er gevaarlijke scenario’s op de loer waarbij we de oplossing toch weer in het technische gaan zoeken, bijvoorbeeld met geo-engineering. Daar mogen we echt nooit aan beginnen. We zullen als industriële samenleving planmatig stappen terug moeten gaan zetten, a prosperous way down, in de woorden van Howard T. Odum. Helaas heeft krimp voor velen een negatieve connotatie. De meeste mensen kunnen zich het einde van de wereld beter voorstellen dan het einde van het kapitalisme.’

‘Er liggen gevaarlijke scenario’s op de loer waarbij we de oplossing toch weer in het technische gaan zoeken. In plaats daarvan zullen we als industriële samenleving planmatig stappen terug moeten gaan zetten’

YF: ‘De oplossingen die we vanuit landschapsarchitectuur op het vlak van klimaat en biodiversiteit aanreiken zijn vaak intelligent en uitvoerbaar. Maar: ze hebben ruimte nodig, heel veel ruimte. Ruimte die nu vooral agrarisch bestemd is. Dat is in Nederland ­– de tweede landbouwexporteur van de wereld – nogal een complicerende factor. In het vervolgtraject van Sponsland zien we nu ook dat een plan voor het Hunzedal gemakkelijk wordt opgepakt. Dat heeft er alles mee te maken dat de landbouw daar bijna geen grondposities meer heeft.’

DS: ‘Ons landschap moet renderen. Kijk alleen al naar de agrarische grondprijs. Die is hier drie keer hoger dan in Duitsland en zeven keer hoger dan in Frankrijk. Die afwaardering moet ergens betaald worden. In het huidige systeem ben je zonder economische drager nergens met je plannen. Je moet rekenen en tekenen aan dezelfde tafel.’

Een goed voorbeeld is de New Deal tussen boer en maatschappij, een initiatief van het College van Rijksadviseurs (CRa). De centrale vraag daarin: hoe bereiken we een landbouw die boeren nieuwe bestaanszekerheid verschaft? En dat in een aantrekkelijk en gezond landschap met hoge cultuurhistorische waarden en een herstelde biodiversiteit. Drie pilots stonden centraal: een in de Marne, een in Salland en een in de Krimpenerwaard. Daar ging het CRa aan de slag met boeren, wetenschappers en ontwerpers.

Het leidde hier en daar tot verhitte discussies. In de Krimpenerwaard bijvoorbeeld, waar veel boeren hun bedrijfsvoering al hebben veranderd. Daar komt de stikstof- en klimaatopgave keihard aan. Wantrouwen overheerst, richting Den Haag, richting de overheid in zijn algemeen.

DS: ‘Reagerend op de plannen gaven sommige boeren aan: we hebben u toch onvoldoende in onze wereld kunnen meenemen. Ze volgen de derogatieweg. Letterlijk betekent dit dat er in Brussel eindeloos om uitzonderingsposities voor Nederland moet worden gevraagd. Voor alle uitstootregels een uitzondering. Belangenbehartiging tot de dood erop volgt. Dood van het landschap, dood van de bodem en daarmee dus uiteindelijk ook de dood van de boer.’

Of je het deze boeren kwalijk kunt nemen?

DS: ‘Nou, we mogen niet vergeten dat menigeen muurvast zit in het systeem. Natuurlijk zien ze dat de kansen niet meer liggen in het produceren van zoveel mogelijk melk. Maar ze zijn met handen en voeten gebonden aan regels, afspraken en aan de bank. Het leidt tot een allergie voor alles wat met grote gebiedsmaatregelen te maken heeft. En dat terwijl we juist daar zo groot mee zijn geworden en hier ook nu een deel van de oplossing ligt. Men heeft zich wijs laten maken: jullie zijn ondernemers, de oplossingen moeten uit het bedrijfsmodel komen. Dat zit op veel plekken zo ingebakken in de landbouw. Naast geld en grondprijzen is dat een enorme hindernis. En daar kom je niet zomaar uit met een coalition of the willing.’

Een essentieel onderdeel van het probleem zit ook in ons bestuur. Daar is de relatie tussen urgentie en concrete actie zoek. Er wordt vooral eindeloos verwezen naar ‘draagvlak’. Niet voor niets heeft het burgerinitiatief een centrale positie in de Omgevingswet. Ruimtelijke ordening wordt beschouwd als een stagnerend element in onze economie. Ook het politieke tijdsgewricht waarin velen conservatief of zelfs uiterst rechts stemmen, werkt niet mee.

DS: ‘Het probleem zit in het kwijtraken van privileges, in de angst dat het minder wordt. Mensen voelen dat intuïtief aan. Daardoor zie je ontkenners van alles: van klimaat tot corona. Hoe klein de groep misschien ook is, ze trekken de discussie wel naar zich toe en krijgen door het journalistieke adagium van ‘hoor en wederhoor’ volop aandacht. Het wordt bovendien in de hand gewerkt door meestribbelende politici van de middenpartijen die alleen lippendienst aan het klimaat bewijzen.’

Wat het zuur maakt, is dat alles wat nu op ons afkomt decennia geleden al werd aangekondigd. Het rapport van de Club van Rome luidde in 1972 de noodklok. Typerend is ook het rapport van De Molenaar uit 1978, dat aandacht vroeg voor de impact van landbouw en waterbeheer op natuur en landschap.

DS: ‘Die man is echt kapotgemaakt. We losten alles wel technisch op. En dan nu het rapport van Remkes over de stikstof. Als je dat leest is het alsof je hele werkzame leven aan je voorbijtrekt. De ene na andere poging om tot een oplossing te komen strandt. Een aaneenschakeling van latent egoïsme en een onmachtige overheid. Ondertussen zijn we gewend geraakt dingen individueel op te lossen. Maar op dat niveau ben je eigenlijk met niets anders bezig dan soebatten over de zeldzame bijwerkingen van het enige werkelijke vaccin tegen klimaatverandering.’

Beeld: Bart Nijstad voor GRAS

YF: ‘Toch heb ik het gevoel dat zich een kantelpunt aandient. Dat we echt aan de slag moeten met klimaatadaptatie staat niet langer ter discussie. Waterschappen zien dat het anders moet. Maatschappijbreed is er duidelijk beweging. Voor de adaptatieopgave komt de financiering langzaam maar zeker los. Ook bij Sponsland merkten we dat. De bereidheid neemt toe, de interesse was groot. Daar komt bij dat er weer echt ruimte ontstaat om pakweg vijftig tot honderd jaar vooruit te kijken. Dat doen we met Sponsland, maar het zit ook in Panorama Nederland van het CRa en in het perspectief Nederland in 2120 van de Wageningen Universiteit.’

DS: ‘Ik help het je hopen dat die verandering nu echt komt. In het beleid en de concrete actie zit het nog onvoldoende. Want ook al is er weer ruimte voor visies op de langere termijn, bestuurlijk gaat het toch nog veel over plannen voor vier jaar: kabinetsperiodes. Het systeem is bovendien nog erg gericht op rendement. Ook het Rijksvastgoedbedrijf heeft gewoon een keiharde verdienopdracht.

‘We zullen ons consumptiepatroon moeten aanpassen. De landbouw zal een grote stap terug moet doen. Er zal heel veel geld bij moeten om dat allemaal te compenseren. Grondprijzen en financieringslasten zijn de belangrijke struikelblokken. Daarnaast hebben we nog steeds geen goede regeling om ecosysteemdiensten tot inkomensbestanddelen om te smeden. Ja, hier en daar is er een vergoedingsregeling. Maar dat is nog geen inkomensbestanddeel. We hebben het voor boeren dus nog steeds niet economisch interessant gemaakt. Terwijl dit juist misschien wel de makkelijkst te nemen horde is, naast de grondprijzen en financieringslasten.’

In Nederland zijn de adaptatieopgaven heel tastbaar en van directe invloed op het agrarisch grondgebruik. Kijk naar Zuid-Limburg.

DS: ‘De buien die daar dit jaar vielen, krijgen we echt veel vaker. De inschatting is dat het eens in de zeven jaar ergens in Europa zo ‘los’ gaat, met alle gevolgen van dien. Als je daar echt met adaptatie aan de slag wil is de impact op het huidige grondgebruik enorm. Je moet de infiltratie op de plateaus herstellen, vol inzetten op beplanting op hellingen van heuvels, drains verwijderen uit de beekdalen, niet bouwen op de verkeerde plekken en je huiskamer verplaatsen naar de eerste verdieping. Dat grijpt diep in op het grondgebruik en vraagt een vergaande extensivering van de landbouw, want het gaat om maatregelen die de afgelopen halve eeuw zijn genomen om de productieomstandigheden gecontroleerd te maken.

‘Er wordt wel gesteld dat we af moeten van de tegenstelling tussen landbouw en natuur. Dat is een ernstige vergissing, of ten minste de halve waarheid. Want met het biodiverser maken van landbouwgrond alleen – hoe goed dat ook is, ook voor de landbouw zelf – redden we het niet. Biodiversiteit alleen is een slechte maatstaf. Je hebt volume nodig, en voor het echte herstel functioneel oppervlak voor natuurlijke processen. En het enige wat dan echt helpt is simpelweg veel en veel meer natuur. Bioloog Edward Wilson zegt daarover: we hebben in de wereld wat soorten en gebieden beschermd, maar wat we moeten beschermen is onze evolutie. Met elkaar co-evoluerende soorten zijn de basis van het leven. Daar heb je de halve aarde voor nodig. Geen landbouwgrond, maar echte natuur. Punt. Natuurlijk is het in onze huidige samenleving volstrekt irreëel, maar het heeft wel de keutel bij het schone eind.’

YF: ‘Dat sluit niet uit dat we naast veel meer ruimte voor echte natuur ook echte winst kunnen halen uit het weer rijker en biodiverser maken van het landschap. Dan gaat het om wezenlijke natuurwaarden binnen de landbouw, maar ook om grotere systemen waar de natuur echt de overhand heeft en de landbouw dus grote stappen terug moet doen. In het Noorden gaat het om de Waddenzee en ook om het Hunzedal, de Drentsche A en het Reitdiep. Zeker op die plekken waar landbouw nu nog overheerst heb je veel meer van dat soort gebieden nodig om de dynamiek van het systeem te versterken.’

‘Met elkaar co-evoluerende soorten zijn de basis van het leven. Daar heb je de halve aarde voor nodig. Geen landbouwgrond, maar echte natuur’

Maar hoe krijgen we het voor elkaar? Vaak wordt gewezen op het succes van Ruimte voor de Rivier, waar het gelukt is om met ontwerpkracht een integraal plan te maken. Misschien zelfs wel gewoon een win-winsituatie.

DS: ‘Wat bij Ruimte voor de Rivier enorm geholpen heeft is het burgerprotest tegen de impact van de dijkverzwaring. Daardoor was er al gestudeerd op alternatieven. Rijkswaterstaat wilde niet nogmaals zo’n tegenstroom vanuit de maatschappij. Dat was een reden om ontwerpers te vragen.’

YF: ‘Ingwer de Boer, directeur van het programma Ruimte voor de Rivier, had al ervaring met het werken met ontwerpers bij het ‘routeontwerp’ van de snelwegen. Zo kwamen de dingen samen.’

De vraag is wel of we het succes van Ruimte voor de Rivier binnen de huidige adaptatieopgaven kunnen kopiëren.

DS: ‘In Den Haag denkt men nog te veel dat als je de huidige aanbestedings- en kwaliteitseisen in een vat stopt en even goed schudt het allemaal wel goed komt. Dat is een misvatting. Goed ontwerp is geen vanzelfsprekendheid. Bovendien ligt de focus binnen Rijkswaterstaat sterk op sober- en doelmatigheid. Dat stimuleert niet echt om op voorhand integrale plannen te maken. Laat staan dat het helpt om voorbij marktmechanismen te denken.’

PV: ‘Beweging op dit vlak is van belang. Als landschapsarchitecten kunnen we hier echt een rol pakken, los van al die noodzakelijke veranderingen op het vlak van het systeem. We constateren dat al die opgaven een ruimtelijke component hebben. We kunnen vanuit het ontwerp voorbeelden stellen. We kunnen inspireren zonder naïef te zijn. We kunnen scenario’s schetsen, ook het doemscenario. We kunnen iets in gang zetten. Er zullen conflicten zijn en moeilijke keuzes. Maar ik geloof echt dat we mensen over de streep kunnen trekken, ook met een verhaal waarin we niet staan mee te zwaaien en doen alsof het allemaal beter wordt.’

DS: ‘Wellicht gaat het om het verschil tussen hoop en optimisme. De praktijk stemt mij weinig optimistisch. Maar de hoop mogen we nooit verliezen.’

***

Dit stuk is een voorpublicatie uit het boek Sponsland: reis door het landschap van de toekomst, uitgegeven door GRAS samen met de gemeente en provincie Groningen. Bestel het boek vandaag nog in onze webshop!