Nachtmerrie in de polder

Over een herwonnen en opnieuw verloren landschap

Tekst:
Leestijd: .

Bram Esser ging naar Lelystad om een audiodocumentaire te maken over een voormalige viskwekerij. Hij kwam er oog in oog te staan met de voortbrengsels van het vooruitgangsdenken en de hang naar grootschaligheid.

Samen met radiomaker Geert van de Wetering, die uit Zutphen vertrekt, probeer ik per trein naar Lelystad te komen. We gaan er een podcast opnemen over een viskwekerij die al lang niet meer bestaat, maar waarvan de contouren via Google Maps nog duidelijk zichtbaar zijn. Sterker nog: via Google Maps heb ik het bestaan ervan ontdekt. 

Ik zocht naar een glimp van een nooit gerealiseerde snelweg die vanaf Amsterdam via het eiland Marken naar Lelystad zou gaan. Maar ik vond een vaag, overwoekerd rasterwerk. Het blijkt te gaan om de overblijfselen van wat ooit de grootste viskwekerij van West-Europa is geweest. Een gebied van meer dan honderd voetbalvelden groot.

Een zoektocht naar de betrokkenen leidde me uiteindelijk naar Wout Uijthoven, die er een deel van zijn jeugd heeft doorgebracht als zoon van een van de viskwekers. Vandaag zijn we op weg om hem te spreken.

Stoofpotje

Het lukt me nog net om met de bakfiets de kinderen op school af te leveren, alvorens ik naar het station race. In Zwolle voegt Geert zich bij me. Hij ziet er beroerd uit. Dat komt door een verjaardag van zijn schoonzus, legt hij uit.

De schoonvader van Geert had trots een stoofpotje meegebracht waarin een zelf geschoten gans zat verwerkt. ‘Het was taai en smakeloos,’ zegt hij, ‘maar uit beleefdheid eet je het toch maar op.’ Terwijl hij het kauwgomachtige vlees met zijn kaken probeerde te vermalen, had Geert moeten luisteren naar de financiële succesverhalen van zijn schoonvader, die kortgeleden een pandje in Amsterdam goed had kunnen verkopen.

Om hem op te vrolijken zeg ik dat het toch nuttig is om naar zo’n kringfeest te gaan, in dit geval om je eigen idealen weer scherp te krijgen en in gesprek te blijven met de ander.

Na een tijdje haalt Geert zijn geluidsapparatuur tevoorschijn om de microfoon bij een luidspreker in de trein te houden. ‘Het volgende station is Lelystad’, meldt de omroeper. ‘Denkt u bij het verlaten van de trein om uw bezittingen.’
‘Zo, dat staat er alvast op’, zegt Geert tevreden, en we verlaten de trein.

Op het perron leg ik uit dat Lelystad eigenlijk de hoofdstad van Nederland had moeten zijn. Het Brasilia van de lage landen, met machtige monumenten van de Nieuwe Zakelijkheid of internationale stijl, of simpelweg Het Nieuwe Bouwen, zoals dat toen heette. Maar de stad lijkt het meeste op een bloemkoolwijk, en misschien is dat wel heel passend.

We lopen naar de stalling voor ov-fietsen. Er blijken slechts drie exemplaren te staan en die zijn alle drie buiten gebruik. Daarom moeten we met een dure taxi op pad. Als we de chauffeur uitleggen dat we naar een kwekerij willen die tussen 1964 en 1991 heeft bestaan, weet hij direct waar we het over hebben. Hij kwam er vroeger vaak, het was op dat moment al geen kwekerij meer, maar een soort natuurgebied. En het was er prachtig, zegt hij.

De taxi dropt ons op een winderige dijk, de chauffeur brengt 28 euro in rekening voor een ritje van tien minuten. ‘We hadden een Uber moeten nemen’, zeg ik tegen Geert, die opnamen van de wind aan het maken is.

De viskwekerij in volle glorie // Foto: archief Wout Uijthoven

Vanaf de dijk zien we het IJsselmeer en de Maxima-energiecentrale, waar tegenwoordig ook een haventje is. Aan de andere kant van de dijk strekt zich een enorme vlakte van opgespoten zand uit. In die vlakte duikt een figuurtje op waarvan we aannemen dat het Wout Uijthoven is.

‘Er is niet veel meer van te zien’, zegt Wout licht geëmotioneerd als hij binnen gehoorafstand is. ‘Ze hebben het terrein klaargemaakt om er een enorme hal voor Bol.com te bouwen.’

De kwekerij was van de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij (OVB) en had ten doel om interessante vissen voor sportvissers te kweken, waaronder snoek, baars en karper. ‘De sportvissers kwamen op de kwekerij om te testen of de vissen een beetje sportief waren en voldoende tegenstribbelden.’

Het in stand houden van de visstand door middel van pootvis werd gezien als een legitiem middel om de natuur te helpen en zowel de hobbyvissers te faciliteren als de sector van de beroepsvissers overeind te houden. Dat de waterkwaliteit niet al te best was en er daarom veel vissterfte voorkwam, was geen thema.

Het was een positieve tijd, een tijd waarin iedereen de schouders eronder zette en meehielp Nederland op te stoten in de vaart der volkeren. Daarom moest de viskweek massaal plaatsvinden. Vissen kregen hormooninjecties, waarna hun eitjes werden opgevangen om uitgebroed te worden in het broedhuis. Het duurde drie jaar voordat je een karper kon uitzetten. 

Bol komt

Wout vertelt over zijn jeugd. Hij loopt leeg over de grote vrijheid die hij genoot op de kwekerij. We zijn weer op het kringfeest van Geert, en we knikken en luisteren als Wout vertelt over het kat-en-muisspel met jachtopzichter Bloem. ‘We mochten niet op konijnen jagen, omdat die voor prins Bernhard bedoeld waren.’

Als ze ‘s avonds laat terugreden van het vaste land naar de kwekerij, een tocht van vier uur, was het soms nog knap lastig die konijnen, die in het licht van de felle koplampen verstarden, niet te raken. ‘Het wemelde ervan, maar je kreeg een dikke boete als je een konijn in de kofferbak legde. Wat niet wil zeggen dat het niet gebeurde.’

Wout schetst een jeugd van vrijheid en ruimte. Van rondrijden op brommers en de eerste vriendinnetjes die hij meenam hier naartoe, en die het gevoel hadden in het buitenland te zijn.

We stellen voor om even over de nieuwe vlakte van Bol.com (het bedrijf noemt zich tegenwoordig ‘bol’) te wandelen. Het ziet eruit als een zoutvlakte, een meter onder onze voeten zouden zich de contouren van de oude visvijvers moeten bevinden.

De vader van Wout bij een van de visvijvers // Foto: archief Wout Uijthoven

Nergens in Nederland krijgen ruïnes echt een kans, en in Flevoland nog minder: hier worden fouten uit het verleden zo snel mogelijk uitgewist om weer nieuwe fouten te kunnen maken. Dat is erg jammer, want alleen door het opbouwen van een geschiedenis kunnen mensen zich aan een plek hechten. Of die geschiedenis nou uit succesverhalen bestaat of mislukkingen, dat maakt niets uit.

Ik visualiseer de enorme blinde loods van bol als het definitieve einde van de geschiedenis van deze plek. Het gebouw zal hier uit het niets als een ruimteschip neerdalen. Terwijl de kwekerij bij het landschap hoorde – de voormalige kleibodem van de Zuiderzee was geschikt voor viskweek en er was veel schoon water aanwezig vanwege het IJsselmeer – heeft die loods niets met het landschap te maken. Hij is ook niet ingebed in de gemeenschap, en mensen gaan er geen warme herinneringen aan overhouden, zoals Wout aan de visvijver.

‘Die loods is eigenlijk een nieuwe vorm van kolonialisme’, zeg ik hardop. ‘Een grote kapitalistische speler neemt hier gewoon even de grond over, waarna wij er als lokale bevolking niets meer mee kunnen doen.’ Ik woon hier niet, maar vereenzelvig me doorgaans snel met de lokale bevolking.

‘Je haalt me de woorden uit de mond’, zegt Wout. Dan stopt hij ineens en wijst in de verte. We zien iets dat lijkt op een luchtspiegeling, maar het is een enorme watermassa. 'Hé, dat is gek’, zegt Wout ongelovig. ‘Het lijkt wel… zo zag het er hier vroeger uit.’

Een opzichter met een bouwhelm op en een lichtgevend hesje aan nadert ons. Hij vraagt wat precies de bedoeling is. ‘Dit is privaat eigendom’, voegt hij eraan toe. Als Wout vertelt dat hij is opgegroeid in het huisje verderop, bindt de opzichter in. We vragen op onze beurt wat al dat water te betekenen heeft. Er blijkt afgelopen nacht een dijkdoorbraak geweest te zijn. 

Eldorado voor aalscholvers

Geert vraagt Wout hoe de viskwekerij tot een einde gekomen is. We krijgen een verhaal te horen over hoe de ene rijksdienst, de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (RIJP), de andere rijksdienst, de Organisatie voor Verbetering van Binnenvisserij (OVB), het leven onmogelijk maakte. ‘RIJP veranderde in 1975 de bestemming van de Oostvaardersplassen van ‘industriegebied’ in ‘natuurgebied’’, vertelt Wout. ‘Zo ontstond er een Eldorado voor broedende aalscholvers, die bij ons vis kwamen scoren.’

‘Als het waaide, en de aalscholvers liever bij ons kwamen dan te gaan vissen op het IJsselmeer, keken we angstig in de richting van het noordwesten’, gaat hij verder. ‘Dan zag je zo’n zwarte wolk van soms wel duizend aalscholvers onze kant op komen, en dan was er geen houden aan.’

De vogels deden buitengewoon gecoördineerde aanvallen op de kweekvijvers. ‘We hadden draden gespannen, maar ze landden gewoon op de dijkjes en kropen er onderdoor. De aalscholvers joegen de vissen op naar de randen, waar dan weer reigers tussen het riet stonden die de rest verschalkten.’ 

Wout wordt nog altijd woedend als hij aalscholvers ziet. De dieren hebben het levenswerk van zijn vader kapotgemaakt. Hij legt uit dat er rondom de viskwekerij tal van andere dieren waren die zich wel gedroegen, zoals de roerdomp. ‘De roep van de roerdomp raakt me diep, daar mag je me altijd voor wakker maken.’

Voorjaar 1964, de bouw van de kwekerij en de dienstwoningen // Foto: archief Wout Uijthoven

2024, van de dienstwoning is niet meer dan een ruïne over

‘Laten we even naar jouw ouderlijk huis lopen’, zegt Geert. ‘We hebben afgesproken met een architect die er veel van weet.’ Ouderlijk huis is een grote term, ouderlijke ruïne zou accurater zijn. Het pand is compleet vernield en al eens in de fik gestoken. Er zit geen dak meer op. De woonkamer en keuken lagen hoger, zodat je als een echte opzichter over de kwekerij uit kon kijken.

Wout wijst ons de plek waar zijn moeder in de zon zat, uit de wind, achter de borstwering van de buitentrap. Vanaf daar zien we ook de plek waar zijn vader een moestuintje had. ‘Hij was erg goed in het kweken van groente. De uitwerpselen van de vis gebruikte hij als bemesting.’

Buiten zien we in de verte, bij de weg, iemand naar ons zwaaien. Het is architect Rob Bakelaar. Hij wil niet naar de ruïne komen omdat hij al eens problemen met de eigenaar van het terrein heeft gehad: een bedrijf dat 3D Metalforming heet. Door middel van explosies persen ze stukken metaal in allerlei mallen, onder meer voor onderdelen voor de vliegtuigindustrie.

Als we Rob zijn genaderd, wijst hij erop dat de betreffende eigenaar al buiten zijn hek staat om ons in de gaten te houden. ‘Hij baalt van me,’ zegt Rob, ‘omdat ik hem weleens op zijn verantwoordelijkheden heb gewezen. Hij had een overeenkomst met de gemeente dat hij de grond mocht hebben als hij de beide dienstwoningen zou opknappen. Maar dat heeft hij maar bij eentje gedaan, daar zit zijn kantoor in.’

Rob was als architect werkzaam voor de welstandscommissie die de grotere lijnen van de bouw van Lelystad in de gaten hield. Hij weet ons te vertellen dat de twee dienstwoningen onderdeel uitmaakten van het totaalplan. ‘Dit waren niet zomaar twee huisjes, maar huisjes die waren gebouwd volgens de regels van Het Nieuwe Bouwen. Ze kondigden de nieuwe tijd aan.’ 

De architect, Romke de Vries, hoorde volgens Rob bij de groep architecten en vormgevers waar ook Dudok en Berlage onderdeel van uitmaakten. Ze dachten na over de collectieve opgaven van die tijd. De groep ontstond na de Eerste Wereldoorlog, maar kreeg pas ruim baan na de Tweede Wereldoorlog, toen Europa echt in puin lag.

Uitgevonden voor grootschaligheid

Rob haalt een foto tevoorschijn waarop het huisje te zien is, het heeft een heldere vlakverdeling van ramen en randen. Doelmatig en volgens de gulde snede. ‘De positieve boodschap van het vooruitgangsdenken moest zelfs in deze uithoek uitgedragen worden door middel van de architectuur. 

Geert en ik knikken. Het zijn mooie woningen met een lang balkon over de hele breedte van het gebouw. Rob ziet de vlakverdeling van het huis ook terug in de vlakverdeling van de kwekerij, zodat de huisjes in abstracte zin het landschap weerspiegelden.

‘Mijn moeder had een gat in het aanrecht, waar ze zo het snijafval in kon kieperen. Dat gleed dan naar buiten in een afvalton’, memoreert Wout.
‘Ja, geweldig toch, dat soort details!’, roept Rob uit. Er waren volgens hem vergelijkbare oplossingen bedacht voor de keukens van de eerste woningen in Lelystad. ‘Een klein stokje dat je kon uittrekken om een handdoekje op te hangen, en een opklapbaar droogrek. Over de kleinste details werd nagedacht.’

Rob en Wout kennen elkaar niet, maar hebben elkaar snel gevonden in hun liefde voor alles wat met Lelystad te maken heeft. In de begindagen bestond er volgens de architect een enorme saamhorigheid onder de bewoners, bestuurders en betrokkenen van de nieuwe stad. ‘Die pioniersgeest was geweldig. Iedereen die aan Lelystad werkte, woonde er ook.’

Hij vertelt hoe hij vaak met zijn geestverwanten bijeenzat met de landdrost van Lelystad, om te bedenken met welke plannen ze de stad verder konden helpen. ‘Dat was tijdens de nazit van het badmintonnen. Dat ging dan vaak tot 2 uur ‘s nachts door.’

Rob legt uit dat de polder was uitgevonden voor grootschaligheid. Alles was geënt op massaproductie. De honger moest aangepakt worden door middel van pootvis en pootaardappelen, en het werd tijd voor de massale bouw van huizen met basisvoorzieningen zoals centrale verwarming en warm water uit de kraan.

Van links af: Geert van de Wetering, Rob Bakelaar en Bram Esser

Ik herinner Rob eraan dat Lelystad het toch wel heel moeilijk heeft gehad, vooral omdat Almere tussendoor werd gebouwd, dat veel dichter bij Amsterdam lag. Op zeker moment wilde niemand meer in Lelystad wonen, en omdat ze wel bewoners nodig hadden, werd er een afspraak gemaakt met Amsterdam. ‘Amsterdam is toen via het loket Lelystad probleemgezinnen gaan exporteren’, lepel ik op uit een Andere Tijden-uitzending die ik vooraf had bekeken. ‘In de jaren 80 had Lelystad de hoogste criminaliteitscijfers van Nederland.’

Rob knikt en zegt dat er inderdaad fouten zijn gemaakt. ‘Het was niet verkeerd geweest als Lelystad nog tien jaar langer onder de vleugels van de rijksdienst was gebleven, dan had een en ander iets beter afgewikkeld kunnen worden. Maar ja, men vond dat Lelystad op eigen benen moest gaan staan.’

Zijn positieve sentiment over Lelystad blijft desondanks onverwoestbaar. Hij kijkt nog altijd naar deze plek vanuit het jeugdige enthousiasme van zijn jongere ik.

Toekomstvoorspellers

Geert loopt een eindje bij ons vandaan en houdt zijn microfoon in de berm. De wegen van een geluidsman zijn soms ondoorgrondelijk. Hij heeft intussen al een heel landschap van geluidsfragmenten in zijn hoofd, en kennelijk moet daar ook nog wat ruisend gras bij om het rond te krijgen.

Ik kijk naar Geert en naar de vlakte achter hem. Dit was land waar ooit zee was, waar bassins werden gegraven voor viskweek, waar de natuur zelf weer een einde aan maakte in vorm van aalscholvers die door overheidsbeleid ruim baan kregen in de Oostvaardersplassen, een industriegebied dat toch natuur werd. In de verte staan windmolens en vlak voor ons, op de plek waar ooit het vakkenpatroon van de kweekvijvers te zien was, ligt nu een gigantische vlakte van opgespoten zand.

We zijn nooit echt uit de wederopbouwmodus gekomen, het verbeteren van de levensstandaard heeft in sommige gevallen geleid tot onhoudbaar consumptiegedrag.

Het idee van wat een acceptabele levensstandaard is, bleek op te schuiven. Eerst gold één keer in de week vlees eten als acceptabel, nu is dat elke dag. Ooit was één auto prima, tegenwoordig hebben veel gezinnen twee auto’s.

Als we het ruwe materiaal voor de podcast opgenomen hebben, zegt Wout ons gedag. Hij loopt de weg terug naar zijn auto bij de IJsselmeerdijk. Dat doet hij rustig, haast contemplatief.
‘Die is afscheid aan het nemen’, merkt Geert op. Ik besef dat hij gelijk heeft. Over een paar maanden, als bol komt, is de leegte weg.

Ingepolderd land, 1957 // Foto: archief Wout Uijthoven

‘Ik blijf maar denken aan die aalscholvers’, zeg ik. ‘Dat is toch haast een bijbels verhaal, van apocalyptische omvang? Het zijn eigenlijk boodschappers die de toekomst voorspellen.’
‘Wat is dat dan voor toekomst?’ De microfoon van Geert schiet naar voren. Iemand moet hier toch chocola van maken en wat Geert betreft ben ik dat.

‘Nou, van de natuur die terugslaat, in de eerste plaats’, begin ik ‘En in de tweede plaats laten de aalscholvers heel mooi de zwakte van zo’n gesloten productiesysteem zien. Er zijn altijd lekkages, maar niemand ziet ze of wil ze zien, omdat deze systemen bestaan bij de gratie van navelstaren. Je wilt een bepaalde output hebben en dan zijn hormooninjecties ineens heel logisch.’

Ik stel voor dat we vanuit de visvijvers met de aalscholvers mee omhoog gaan. Dan zie je ineens hoe de dingen samenhangen en hoe vreemd het is om de vissterfte in de Nederlandse binnenwateren met viskweek te compenseren, terwijl de waterkwaliteit te wensen overlaat.

We stappen in bij Rob. Vanachter de autoruit zoek ik Wout, maar die is dan al door het grote niets opgeslokt. Als we door Lelystad rijden vertelt de voormalige welstandcommissaris enthousiast over het afwijkende stratenpatroon van de polderhoofdstad. Het bestaat uit een raster van doorgaande wegen met autoluwe woonwijken als eilandjes daartussen. Gezinskweekvijvers, denk ik bij mezelf.

Rob wijst met enige trots op de mooi ontworpen loopbruggen die over de dreven gaan en de verschillende wijken met elkaar verbinden. ‘Daar zijn goeie architecten bij betrokken geweest, hoor’, zegt hij speciaal tegen mij omdat ik zo kritisch op Lelystad ben geweest.

Even later stappen we uit en zeggen we gedag. Op het station neemt Geert voorzichtig een hapje van een krentenbol, het eerste voedsel dat hij die dag tot zich neemt. Het gaat gelukkig goed. ‘Eindelijk ben ik van die gans af’, zegt hij opgelucht.

We stappen in de trein en laten ons wegvoeren uit de grootschaligheid, terug naar onze eigen, kleinschalige leefgebieden.

Alles voor de vis

Benieuwd naar de podcast die Bram en Geert maakten? Beluister Alles voor de vis via NPO DOCS.