10 december 2020 Leestijd: 4 minuten

Fotograaf Peter de Kan doorkruiste Groningen weer, deze keer met als doelwit de oliebollenkraam. Hij maakte er zijn missie van om elk exemplaar in de gemeente Groningen vast te leggen. ‘Normaliter zouden wij nu op het Vrijthof staan, maar door corona gebeurt daar helemaal niks. Hier was nog een plaatsje vrij.' 

Oliebollen. Mijn moeder bakte ze elk jaar in het schuurtje op een gaspit, zodat we de olielucht niet in huis hadden. Honderden maakte ze er, ze bakte voor de hele buurt. Zelfs de poedersuiker maakte mijn moeder zelf, in haar Braun-keukenmachine.

Zakjes oliebollen – een zakje suiker erbij – gingen naar ooms en tantes (oom Dirk en tante Det, oom Nanne en tante Rika – pas veel later begreep ik dat onze buren helemaal geen familie waren, en toch ook weer wel), naar alleenstaanden en naar vrijwel iedereen waarvan mijn moeder wist dat ze er zelf geen werk van maakten. Op oudjaarsavond kwam de kapelaan langs voor een bordje.

Als ik nu een krentenbol, mijn favoriet, koop, neem ik er altijd poedersuiker bij. Ook al weet ik dat die vervolgens in mijn kleren zal waaien. Het hoort er bij, is onderdeel van het ritueel.

Ik fotografeerde min of meer bij toeval de oliebollenkraam bij winkelcentrum Paddepoel, daaruit ontstond het plan ze allemaal te doen. Pop-up-winkels zijn het, tijdelijke tekens van de tijd. Heel anders dan haringkarren. Het licht is bij oliebollenkramen belangrijk, het zijn warm verlichte etalages. Of lichtbakken, en wij zijn het wild.

Ik vroeg bij de kraam op de Grote Markt hoeveel er eigenlijk in de gemeente staan. ‘Véél te veel!’, was prompt het veelzeggende antwoord. ‘Er staan er tegenwoordig ook al bij de Hornbach en de Praxis en bij Tuinland, ga je die ook allemaal doen?’

Ja, dus.

Vraag een uitbater hoelang hij al op zijn plek staat en het antwoord zal zijn: ‘Sinds 1 oktober.’
Als ik duidelijk maak dat ik bedoel hoeveel jáár, zijn de antwoorden verschillend.

‘Al veertig jaar!’

‘Mijn man staat hier al dertig jaar, ik heb zelf ook vijftien jaar bij Tuinland gestaan.’

‘Sinds acht jaar. Nee, de Hornbach zelf staat hier al langer.’

‘We staan hier dit jaar voor het eerst.’

Dat laatste antwoord wordt gegeven bij het winkelcentrum in Lewenborg. Terwijl ik scherpstel zie ik tot mijn lichte verbazing Maastrichtse Gebakkraam op de luifel staan.

‘Normaliter zouden wij nu op het Vrijthof staan, maar door corona gebeurt daar helemaal niks. Hier was nog een plaatsje vrij. De gemeente Groningen vindt een oliebollenkraam in de wintermaanden sfeerverhogend en daar zijn wij het helemaal mee eens.’

Net wanneer ik uitgebreid over mijn Limburgse vader wil beginnen wordt me duidelijk dat deze uitbaters helemaal geen Limburgs accent hebben. Geen wonder, ze komen uit Assen!

'Er staan tegenwoordig ook kramen bij de Hornbach, Praxis en Tuinland, ga je die ook allemaal doen?'

‘Dit is best een goede plek en de Groningers zijn erg aardig – dat is op het Vrijthof wel anders, met al die nationaliteiten; Fransen vertikken het bijvoorbeeld vaak om Nederlands te spreken, ook al weet je dat ze het best kunnen. En we gaan daar later dicht, pas om tien uur ’s avonds. Het uitgaanspubliek pakt dan nog even een warme snack. Hier moeten we om vijf uur sluiten. We hebben wel een beter leven nu. De rest van het jaar? Staan we op kermissen, ook in het zuiden van het land, Limburg, Brabant. Je moet wel een keer terugkomen, hoor – nu is niet alle verlichting aan omdat we de stroom delen met de andere kramen op de markt.’

Dat beloof ik. De krentenbol smaakt prima en met de poedersuiker gaat het ook al goed.

Wafels, flinterdun en stervormig, maakte mijn moeder ook. Die zie ik nooit.

Net als ik denk dat ik klaar ben, hoor ik van een kraamhouder dat er ook kramen staan in Ten Boer en Hoogkerk. En in de stad nog een bij de Makro. Een oliebol overkomt zoiets ook weleens: denk je dat het klaar is, lig je plotseling in een magnetron.

De tocht naar Ten Boer is magisch, er hangt een dikke mist over het land. Ik fiets over de Stadsweg en de stilte is oorverdovend. Ineens duiken uit het blauwe duister woningen op.

De kraam staat er wel, maar is gesloten. Ik fotografeer de achterkant, die ook een voorkant is. Een haringkar biedt troost, maar het smaakt vreemd – zout, terwijl ik op zoet had gerekend.

Ook bij de Makro kijk ik in eerste instantie over de kraam heen. Maar wacht: de zoete lucht van poedersuiker. De kraam staat verdekt opgesteld onder de grote luifel bij de uitgang van de zaak.

De mooiste context, en daar ging het me eigenlijk om, vind ik in Hoogkerk. Daar staat een kraam voor een rij enorme suikerbussen. Hier aan poedersuiker geen gebrek.

‘Ik sta hier nu een jaar of acht’, vertelt de kraamhouder. ‘Mijn voorganger stond hier wel twintig jaar. De rest van het jaar doe ik kermissen. Niet met deze kraam hoor, maar met een paar draaitoestellen. Normaal doe ik 44 kermissen, dit jaar maar vier.’

Oliebollen, nog tot begin januari.

***