Over havo-kunstenaar Daan Roosegaarde

17 juli 2019 Door Leestijd: 9 minuten

Daan Roosegaarde heeft momenteel zijn eerste solotentoonstelling in het Groninger Museum. Tijd om eens stil te staan bij dit fenomeen. Want wat je ook van hem vindt, een fenomeen dat is het. Hij schuift regelmatig aan in talkshows, vliegt de wereld over om les te geven aan universiteiten, neemt plaats in expertpanels en probeert mensen in algemene zin enthousiast te maken voor het landschap van de toekomst.

In dit stuk ga ik proberen uit te leggen wat mij zo irriteert aan Daan Roosegaarde. In de eerste plaats is het natuurlijk zijn succes. Hij krijgt van het Groninger Museum 800 vierkante meter om vrij in te richten, en ik niet.

Zo, nu dat eruit is kunnen we door naar mijn inhoudelijke bezwaren.

De persoon Daan Roosegaarde

Wat gaat er nou allemaal mis bij Daan Roosegaarde? Hij maakt toch leuke dingen? Dingen waar je wat aan hebt en die er bovendien mooi uitzien?

Dat klopt. Met name zijn Waterlicht vond ik mooi, een tapijt van golvend blauw licht boven het Amsterdamse Museumplein, waar je onderdoor kon lopen. Het verbeeldde de waterspiegel van de zee die daar zou zijn als we geen dijken en gemalen zouden hebben, en vergrootte zodoende het waterbewustzijn. Dat is belangrijk, want het is allemaal niet zo vanzelfsprekend dat we droge voeten hebben. 

Ook de elektriciteit opwekkende vliegers die hij vanaf de Afsluitdijk opliet vind ik een goed werk. Het is daarbij helemaal niet erg dat dit oorspronkelijk een idee van Wubbo Ockels is, temeer Roosegaarde dat in dit geval ook gewoon toegeeft. De verlichte kabels hebben wel degelijk een meerwaarde omdat ze mooi illustreren hoe hoog de vliegers eigenlijk gaan. Het is ons lijntje met God.

Het is in de eerste plaats dan ook niet zozeer zijn werk waar ik bezwaren bij heb. Ik heb bezwaren bij de persoon Daan Roosegaarde. Maar al te vaak roept hij hoe uniek en innoverend het allemaal is wat hij doet, maar daar gaat hij helemaal niet over. Dat zou het publiek zelf moeten bepalen.

Roosegaarde wil met zijn kunst de wereld weer bij de tijd brengen. En daarmee verpest hij het voor zichzelf

In het boek dat Roosegaarde tegelijk met de tentoonstelling presenteert, ook Presence getiteld, staat dat het bij kunstenaars in de eerste plaats over hun werk gaat. Toch is Daan Roosegaarde hierin de uitzondering, volgens de tekst: ‘But before all that there's the person, there's Daan Roosegaarde.’

Daar is geen woord van gelogen. Daan Roosegaarde is all over the place. Hij mag geregeld aanschuiven in De Wereld Draait Door om uit te leggen waar het om draait. Het woord 'techno-poëzie' valt dan dikwijls.

We hebben hem gezien in College Tour, waar hij werd aangepakt door Twan Huys omdat hij helemaal niet zo innovatief zou zijn en vooral ideeën van anderen gebruikt en die in een mooi jasje steekt. In plaats van dit toe te geven, werd Roosegaarde kwaad. Daaraan zie je dat hij veel te veel waarde hecht aan zijn imago als innovator. En bovendien, wat zijn nieuwe ideeën nou helemaal?

Iedereen bouwt voort op iets anders en zo komt de wetenschap een stapje verder. Roosegaarde heeft het regelmatig over ‘de wereld updaten’. Dat wil hij met zijn kunst, de wereld weer bij de tijd brengen. En daarmee verpest hij het voor zichzelf.

Foto: Groninger Museum

Drie soorten kunstenaars

Om iets over Roosegaardes kunst te kunnen zeggen, moeten we eerst vaststellen dat de ene kunst de andere niet is. Om die reden heb ik een indeling gemaakt in drie soorten kunst: mavo-kunst, havo-kunst en vwo-kunst.

Mavo-kunstenaars zijn mensen die na hun pensioen de kwast ter hand hebben genomen en lekker voor zichzelf bezig zijn. Ze zijn feitelijk niemand tot last.

Dan heb je de havo-kunstenaars. Zij maken praktisch toepasbare kunst. Het zijn eigenlijk geen kunstenaars, maar ontwerpers, die degelijke dingen maken die je goed kunt gebruiken in het publieke domein. Denk aan allerlei vormen van straatmeubilair.

Tot slot zijn er de vwo-kunstenaars. Dat zijn de intellectuelen onder ons. Hun kunst draait uitsluitend om ideeën, maar is nauwelijks praktisch toepasbaar. We moeten nu niet – wat in de echte wereld wel vaak gebeurt – de fout maken te zeggen dat een van deze categorieën beter is dan de ander. Iedere categorie heeft zo zijn waarde.

Ik bedoel: het is toch fijn dat gepensioneerden eindelijk de kans krijgen hun passie in de praktijk te brengen en hun creativiteit te uiten? De academische kunst, de ideeënkunst, kan soms strontvervelend zijn. Het wordt dan zo theoretisch en abstract dat je niets meer voelt. En kunst waar je niks bij voelt is geen kunst, maar een academische powerpointpresentatie.

Daan Roosegaarde maakt mooie lichtobjecten die ook nog eens praktisch toepasbaar zijn in het publieke domein. Met Presence heeft hij voor het eerst iets gemaakt binnen de muren van het museum. Dat geeft hem natuurlijk een zekere status, het idee gearriveerd te zijn. Toch hoeven we ons geen zorgen te maken, want volgens Roosegaarde zijn dit stiekem toch gewoon weer prototypen van landschappen die we in de toekomst ook buiten het museum kunnen verwachten.

Daar geloof ik trouwens helemaal niets van. Het landschap van de toekomst is geen lichtsculptuur, maar een slimme dijk die meebeweegt met de zee, een stad die intelligent omgaat met wateroverlast en hitte-eilandwerking of een rivier die begaanbaar wordt gehouden voor scheepvaart zonder dat het bodemleven hoeft te lijden onder het werk van baggerschepen.

Het ware landschap van de toekomst is juist onzichtbaar en heeft niets te maken met licht en sensoren.

Presence

In het Groninger Museum word je uitgenodigd je schoenen uit te doen. Dit werkt goed, want instinctief weet je: ik kan nu niet zomaar wegrennen, ik moet me overgeven aan het kunstwerk. Zo schuifel je tastend door de feeëriek uitgelichte ruimtes.

De eerste ruimte werkt als een groot kopieerapparaat, blauw licht lijkt het lichaam te scannen. Losjes wordt hierover opgemerkt dat het herinneringen oproept aan Mondriaan en het rationele Hollandse polderlandschap.

De volgende ruimte is een lege kamer die foto’s van je maakt. De sfeer voelt niet heel anders dan de eerste, en dat geldt ook voor de daaropvolgende ruimtes. Grote plastic bollen die eveneens afdrukken van jou maken worden aangeduid als een ‘planetarium’, kleine piepschuimbolletjes zijn een pointillistisch landschap.

Mondriaan, pointillisme… Zo smokkelt Daan Roosegaarde zichzelf de kunstgeschiedenis binnen.

Er wordt beweerd dat verschillende zintuigen worden aangesproken. Maar ik heb niets geroken en volgens mij ook niks gehoord. Alhoewel, er zou nog wel eens futuristische muziek geklonken kunnen hebben. Stel je voor dat je in de toekomst nooit meer vogels hoort fluiten omdat die er door global warming niet meer zijn. Natuur bestaat alleen nog in overdekte, verduisterde, mooi uitgelichte ruimtes met plastic objecten en sensoren. Je hoort geen vogels, maar een synthesizer die vogels, wind en regen imiteert. Futuristische natuurmuzak.

De toekomst is een mall. Geen droomlandschap dus, maar een nachtmerrie.

Daan Roosegaarde had er zelf andere gedachten bij: ‘Hopelijk ontlokt deze tentoonstelling ons verborgen menselijk kapitaal en laat het je zien en voelen dat je er bent - niet via een scherm, maar met je hele lijf in het hier en nu. Presence is een ervaring die je niet kunt downloaden.’

Bovenstaande tekst doet denken aan de aankondiging van spirituele zweethutweekenden of een cursus sjamanisme voor beginners. Niks ten nadele van sjamanisme of zweethutweekenden – ze zijn waarschijnlijk prima in staat je van het moderne bestaan te ontkoppelen en je heel erg in het hier en nu te laten zijn – maar als dat de bedoeling is dan heeft de lichtshow van Daan Roosegaarde me juist verder dan ooit van het hier en nu af gebracht. Hij creëert een bubbel door middel van bubbels.

Roosegaarde zegt dat het een ervaring is die je niet kunt downloaden, maar dat zegt hij over al zijn werk, waardoor je onherroepelijk het tegenovergestelde gaat denken.

Ik wil Daan Roosegaarde best zijn plastic soep – door hemzelf ‘sterrenstof’ genoemd – in het Groninger Museum vergeven, als het dan tenminste nog echt poëtisch geweest was. Maar Roosegaarde zit voortdurend zijn eigen poëzie in de weg. Dat komt omdat hij van twee walletjes wil eten. Hij wil een innoverende ontwerper zijn met een heldere boodschap en tegelijkertijd ook een kunstenaar, of zelfs een wetenschapper die weet hoe je de toekomst moet vormgeven.

Roosegaarde is een havo-kunstenaar die te graag geaccepteerd wil worden door de wereld van de academische kunst

Roosegaarde laat letterlijk niets meer aan de verbeelding over. De armen en de benen op de muur, het zwemmen in piepschuim – het moet allemaal onze footprint op de aarde verbeelden. Dat is geen kunst meer, maar een anekdote. Hij is een havo-kunstenaar die te graag wil, die te graag geaccepteerd wil worden door de wereld van de academische kunst.

Mijn kinderen vonden het geweldig. Ze hebben met de lola’s (lichtballetjes) op de grond getekend en heerlijk gezwommen in de piepschuimballetjes. En er handenvol van opgegeten. Ik ben het dan ook eens met curators Sue-an van der Zijpp en Mark Wilson, die in het NRC Handelsblad van 26 juni jongstleden zinspeelden op Presence als een speeltuin.

Volgens de curators zijn volwassenen een beetje bang om de ruimtes te betreden omdat ze gedesoriënteerd zijn, terwijl kinderen de poëzie van deze kunst onmiddellijk begrijpen. Ze rennen naar binnen en gaan meteen aan de slag. Daar hebben Van der Zijpp en Wilson misschien onbedoeld toch de spijker op z’n kop geslagen.

Presence is geen moeilijk verteerbare vwo-kunst, maar praktische havo-kunst waar je in kunt spelen. Het is toegepaste kunst, of festivalkunst, met een positieve boodschap zonder al te veel diepgang. Daan Roosegaarde verpest het alleen door voortdurend zijn eigen ‘kunst’ te duiden.

Hij voelt dit zelf overigens ook wel aan. In hetzelfde NRC-artikel zegt hij: ‘Uiteindelijk komt het moment dat ik mijn bek dicht hou en het werk zelf moet spreken.’

Ik kan haast niet wachten tot dat moment aanbreekt. Helaas is het dan misschien te laat. Roosegaarde heeft reeds het imago van een praatjesmaker. En ook als de praatjesmaker niet zelf praat, komen de praatjes toch wel bovendrijven. Zoals de plastic balletjes uit zijn tentoonstelling, die nu – drie weken na ons bezoek aan de expositie – nog steeds overal in mijn huis opduiken.