Ruimteziek // Deel 2: Handelaar in comfortlucht

2 september 2020 Door Leestijd: 14 minuten

In Ruimteziek onderzoekt Bram Esser in acht verhalen de gebouwde omgeving als een vorm van zelfgemaakte natuur, een plek waar je moet zien te overleven. Dit is deel 2: Handelaar in comfortlucht.
 

Foto: Slater#94 - Wim te Brake & Peter de Kan

2. Handelaar in comfortlucht

Een tuinstoel ligt op z’n rug in het verwaarloosde gazon. Als ik hem met mijn voet omduw, merk ik dat het gras al een beetje grip heeft gekregen op het plastic frame.

Ik was teruggekeerd naar mijn geboortestad om een bezoek te brengen aan mijn ouders. Toen mijn moeder zei dat het huis van de Finnen nog steeds leegstond, ben ik er meteen heengegaan.

De tuinstoel heeft een afdruk achtergelaten, het rasterpatroon van de rugleuning is goed zichtbaar in het ontkleurde gras en het krioelt er van de oorwurmen, pissebedden en regenwormen. Dit is hoe de afwezigheid van Alfred Finn eruitziet, schiet door me heen.

Ook in mij krioelt het van de pissebedden en chaotische gedachtes, sinds hij is verdwenen. Ik word overvallen door een onderdrukt gevoel van falen, dat lang weg was maar nu via kleine openingen uit mijn ziel tevoorschijn kruipt. Gebrek aan toewijding kon niemand mij destijds verwijten. In de tijd die ik na school over had, hield ik me met meneer Finn bezig en ook mijn weekenden gingen aan hem op. Toch is hij me ontglipt, zoals een huisdier je kan ontglippen. Je kan nog zoveel brokjes geven, nog zoveel aaitjes over de bol, soms lopen ze doodgewoon de deur uit om nooit meer terug te keren.

Zoiets moet ook met meneer Finn zijn gebeurd. Ineens stond hij voor de deur om afscheid te nemen. Ergens knaagt het nog wel. Was er werkelijk niets dat ik had kunnen doen?

De Finnen kwamen eind jaren negentig naast ons wonen omdat het bedrijf van meneer Finn naar onze stad was verhuisd. Dat was belastingtechnisch voordelig, geloof ik. Meneer Finn verkocht airconditioning aan hotels. ‘Handelaar in comfortlucht’, noemde hij zichzelf gekscherend.

Iedereen in het gezin Finn was welgevormd, om niet te zeggen dik. Het maakte de familie tot een opvallende verschijning in onze stad – een stad die nota bene een naam had hoog te houden als sportiefste van het land.

Alles op het gebied van gezonder leven werd hier gestimuleerd. De burgemeester had zelfs, enigszins potsierlijk, dwars door het centrum een hardloopbaan op het asfalt laten schilderen. Een centrum waar je ook nog eens de meeste saladebars per vierkante kilometer kon vinden. Dat soort dingen stond uitgebreid beschreven in marketingfoldertjes van de gemeente. Het was een tikkeltje dikdoenerig. De koude keuken mocht dan een gezond imago hebben, met haar daksla en zelf verbouwde kiemgroente – ‘Alstublieft, dit stond één minuut geleden nog in de grond’ – er kwamen nog steeds vinaigrettes en mayonaises aan te pas om het allemaal weg te krijgen.

Ik trek de hordeur open en duw voorzichtig tegen de achterdeur, die tot mijn verbazing opengaat en me toegang verschaft tot de bijkeuken. Ik ruik een vertrouwde geur, waarschijnlijk het wasmiddel dat ze altijd gebruikten, in combinatie met oud frituurvet. Er stuwt een golf van warmte vanuit mijn middenrif omhoog naar mijn nek en hoofd en ik word overspoeld door een gevoel van weemoed. Het wordt me eerlijk gezegd wat te veel en ik loop snel door naar de woonkamer, waar de geur minder sterk is.

De eikenhouten eetkamertafel, de lamp met rood-wit ruitjespatroon, de sherrykleurige bank – het is allemaal weg. Opgehaald door een bedrijf dat inboedels opkoopt. Ietwat verloren sta ik daar in de lege ruimte en denk terug aan het recente verleden.

Mevrouw Finn zagen we destijds regelmatig voorbij scharrelen als levend voorbeeld van wat te veel suiker met je doet. Zuchtend en kreunend sleepte ze zich door de autoluwe zone naar haar huis, aan het eind van onze straat. Het huis waar ik nu op illegale wijze ben binnengedrongen.

Ze lachte weinig, mevrouw Finn. Dat kwam denk ik vooral door de tweeling. Niet alleen torste ze zware boodschappentassen met zich mee, ook de tweeling hing aan haar armen. Ze waren vreselijk zeurderig, die tweeling, hun gezicht stond permanent op standje ontevreden. Toch papte ik met ze aan omdat ik geïnteresseerd was in hun videogames.

Videogames en snoep kwamen er bij ons niet in. Mijn vader, die docent aardrijkskunde was op een middelbare school, had felle pedagogische bezwaren tegen deze prachtige verworvenheden van het kapitalisme. Bij ons geen computer, videogame of televisie, maar bijenwas en houten speelgoed (alsof dat niet was voortgekomen uit datzelfde kapitalisme).

The Legend of Zelda heette mijn favoriete spel. De tweeling keek er al lang niet meer naar om. De held moest een koninkrijk van een donkere macht redden en mocht daarna trouwen met de prinses. Ik was helemaal verknocht aan de geluidjes die het spel maakte, een soort flipperkast met piepjes en opbeurende belletjes.

Op den duur werd het spel een excuus om heimelijk meneer Finn te kunnen observeren. Dat bleek nog veel indrukwekkender dan alle videogames bij elkaar. Door zijn manier van lopen, een soort drentelen en draaien op de bal van zijn voet, kreeg hij een zekere lichtheid over zich die je niet zou verwachten bij iemand van zijn omvang. Terwijl zijn vrouw neerwaarts georiënteerd was en zwaar oogde, neigde meneer Finn naar het hogere. Hij controleerde regelmatig of zijn kleren nog netjes zaten en had de neiging om tussen duim en wijsvinger de punten van zijn snor te fatsoeneren.

Mijn eigen ouders voldeden precies aan de gemeentelijke gewichtsindex. Er was weinig op aan te merken. Ze waren vegetariër en tamelijk humorloos. Meneer Finn daarentegen had een hoop zelfrelativering. Hij vertelde bijvoorbeeld dat hij een goede verkoper was omdat mensen ervan uitgingen dat dikke mensen meer dan gemiddeld last hebben van de warmte – dus zou hij wel verstand hebben van airco’s. Als hij dat zei, viel ik zowat op de vloer van het lachen.

Misschien lachte ik wel wat te hard en te snel. Maar dat kwam ook omdat ik het gevoel had te moeten compenseren voor zijn vrouw en kinderen, die volstrekt niet geïnteresseerd leken in wat hij allemaal vertelde.

Ooit had meneer Finn op een cursus het belang van de glimlach uitgelegd gekregen. Een zachte uitdrukking om de mond en vrolijke koontjes boven de krulsnor zijn belangrijk om de klant op zijn gemak te stellen en een voet tussen de deur te krijgen. De cursus was interessant, maar bevestigde alleen maar wat hij diep vanbinnen al wist.

Meneer Finn was Jehova’s Getuige geweest. Destijds lachte hij ook veel, terwijl hij van deur tot deur ging. ‘Ik lachte terwijl de randen van mijn zwartlederen schoenen in mijn enkels sneden’, zei hij met gevoel voor dramatiek. Zijn baas had hem om die reden zelfs aangenomen. ‘Dergelijke volharding hebben we nodig in dit bedrijf’, had hij gezegd.

In de loop der jaren had meneer Finn de God van de Jehova’s Getuigen verruild voor de God van de Comfortlucht. In beide gevallen verkocht hij een idee en propageerde hij klaarheid van geest. Met dat verschil dat de airco minder aan de verbeelding overliet. Je had meer aan de God van de Comfortlucht dan aan die van de Jehova’s Getuigen, als het je om gekoelde lucht te doen was tenminste.

Meneer Finn was een lachende vertegenwoordiger geworden en kon zijn glimlach al naar gelang de situatie goed sturen. Hij beschikte over begrijpende, ironische en ingehouden lachjes. Collega’s stopten doorgaans met lachen zodra de potentiële klant de deur in hun gezicht had dichtgeslagen. Meneer Finn niet, hij hield zijn gezicht altijd in de plooi. Ook als er niemand keek, ook als er niets te lachen viel. Zoals sommigen hun werk mee naar huis namen, zo had meneer Finn de glimlach mee naar huis genomen.

Zijn brede mond, onder die vrolijke snor, had een opmerkelijke elasticiteit. Als de tweeling met teleurstellende rapportcijfers van school kwam trok hij zijn mond tot een meewarige glimlach. Had zijn vrouw niet gekookt omdat ze depressief in bed was blijven liggen, dan lachte hij uitbundig en bestelde hij Thais.

Ik was in die tijd de enige die naar hem luisterde, de enige – zo verbeeldde ik mezelf – die hem zag voor wie hij was en hem bleef betrekken bij deze wereld. Ook toen hij ontslagen werd en hij, ondanks zijn glimlach, een verslagen indruk maakte, kwam ik naar hem toe om naar hem te luisteren. Juist toen. Hij diepte talloze anekdotes op uit zijn arbeidsrijke verleden. Ik merkte dat hij ervan genoot deze verhalen aan mij te vertellen.

Ooit was meneer Finn in Japan geweest om daar comfortlucht aan de man te brengen. In verschillende graden van geknaktheid deed hij me de buiginkjes voor die binnen de hiërarchie van de Japanse bedrijfscultuur gebruikelijk waren. ‘Wat de glimlach is in dit deel van de wereld, is de buiging in Japan. Het stelt mensen op hun gemak. Als dat eenmaal op orde is kan het verkopen beginnen.’

Mijn vader had eens tegen meneer Finn gezegd dat hij bij hoge temperaturen op school meestal gewoon het raam openzette en dus helemaal geen behoefte had aan airconditioning. De handelaar in comfortlucht had toen alleen zijn superieure glimlach getoond. Alsof hij wilde zeggen dat je natuurlijk ook gewoon in een grot kon gaan wonen in plaats van in een huis. Subliem, hoe hij dat deed, en ik zag mijn vader rood worden van woede en onmacht.

Mijn vinger gaat over een deukje in het Edwardiaanse behang. Daar had meneer Finn ooit zijn mobiele telefoon tegenaan gegooid uit woede om zijn ontslag. Meneer Finn was verantwoordelijk voor hotels in Azië – met name Japan – en daar ging het niet goed met de economie. Er werden steeds minder hotels gebouwd.

Na het ontslag vertrokken de Finnen uit onze stad. Ze vertrokken om hun geluk in het zuiden te beproeven. Meneer Finn kwam afscheid nemen, terwijl mevrouw Finn met de tweeling achterin de camper bleef zitten. Hij droeg een korte broek en een Hawaii-shirt ter grootte van een tafellaken.

‘We gaan naar het zuiden, naar Phoenix, Arizona’, zei hij. Volgens de glimlachende verkoper zou in Arizona vanwege de klimatologische omstandigheden altijd behoefte zijn aan airco’s. ‘Zonder comfortlucht kun je daar niet leven. No puedes vivir’, zei hij erbij om te laten zien dat hij een woordje Spaans sprak. Geen overbodige luxe in Phoenix.

Bij het afscheid duwde meneer Finn mij de oude Nintendo-spelcomputer in mijn armen, met The Legend of Zelda erbij. Het was een curieus apparaat dat in mijn eigen huis helemaal niet meer de aantrekkingskracht had die er ooit vanuit was gegaan. Nu de Finnen weg waren was de magie van het betoverde koninkrijk verbroken. Of ik was te oud geworden, dat kon ook. Ik vond er gewoonweg niks meer aan. Meneer Finn was weg. Game over.

De console bleef op mijn kamer liggen als een relict uit de tijd van de Finnen. Ik ging filosofie studeren en verliet het ouderlijk huis om op kamers te gaan. Mijn vader had me die studie nog afgeraden, het was volgens hem beter om iets te studeren met baangarantie. Maar baangarantie kan geen drijfveer in het leven zijn, omdat het een valse zekerheid is.

Inmiddels is mijn vader zelf ook ontslagen na een fusie met een andere school. De meeste van zijn collega’s konden vertrekken, alleen de gymleraar vond elders emplooi.

Ik verlaat het huis van de Finnen en keer terug naar mijn moeder. We drinken thee in de woonkamer. Ze houdt me ook een trommel voor met suikervrije koekjes. Aarzelend pak ik er een. Maar als ik erin bijt, breek ik bijna mijn tanden.

‘Suikervrij oké, maar waarom moeten die dingen altijd zo hard zijn?’
‘Doop ’m dan in je thee’, zegt mijn moeder geërgerd.
Ik laat de keiharde en smakeloze hostie op mijn schoteltje liggen. Eigenlijk vind ik dat je geen concessie moet doen op lekkernijen, lekkernijen zonder suiker zijn eigenlijk geen lekkernijen meer. Dat zei meneer Finn altijd.

‘Waar blijft vader toch?’, vraag ik. Ook in mijn stem klinkt ergernis door. Er hangt spanning in de lucht.

Mijn moeder wil maar niet vertellen wat mijn vader aan het doen is op zijn vroegere werkkamer. Als ik aandring, zucht ze: ‘Hij is gegrepen door een of andere videogame die hij tussen jouw oude spullen heeft gevonden.’
The Legend of Zelda?’, vraag ik ongelovig.
‘Hij speelt er hele dagen mee. Ik ben allang blij dat hij niet meer zo neerslachtig is.’

Ik knik. Houten speelgoed en bijenwas zijn geen partij voor prinses Zelda, dat weet ik maar al te goed en het woord console doet niet voor niets denken aan consolar, het Spaanse woord voor troosten.

Mijn moeder vertelt tot mijn stomme verbazing dat ze laatst mevrouw Finn tegen het lijf was gelopen. ‘Ik herkende haar eerst niet, ze is graatmager geworden.’
‘Is ze ziek?’
‘Dat niet. Ze heeft kennelijk een baan bij de gemeente.’
‘En meneer Finn?’, vraag ik nieuwsgierig.
‘Die zit nog steeds werkeloos in het Zuiden. Alle aircoverkopers van het land bleken op het idee te zijn gekomen om naar Phoenix te gaan. Maar meneer Finn weigert terug te keren, dat is zijn eer te na.’
Dat verbaast me niet, het neemt me direct weer voor hem in.

Meneer Finn blijft liever dik en werkloos dan dat hij een baan bij de gemeente accepteert, mocht die er zijn. Ik stel me hem voor in zijn camper, zittend op zijn opklapbed tegenover de spiegel die op een kastdeurtje geplakt zit. Hij oefent zijn eindeloze repertoire aan glimlachjes.

‘Ik moet erheen’, zeg ik bijna fluisterend. Mijn moeder kijkt me met grote ogen aan en ik ben zelf ook verbaasd. Het is net alsof niet ikzelf, maar iets in mij dit heeft gezegd.

‘Het is niet aan jou hem te redden,’ zegt mijn moeder met bevende stem. We hebben hier in het verleden veel discussie over gehad, daarna heeft ze erover gezwegen in de hoop dat mijn obsessie vanzelf voorbij zou gaan. Maar die ging niet voorbij, die was hooguit een tijdje in slaap gesust.

Meneer Finn heeft me nodig, dat weet ik ineens heel zeker. Zelf weet hij het misschien nog niet, maar hij zal er snel genoeg van doordrongen raken. Ik sta op. Mijn moeder schiet overeind en drukt haar smalle, blauwdooraderde vogelhandje op mijn onderarm. Ze kijkt me aan als een bedelares.

Ik kalmeer haar en zeg dat het heel normaal is voor een kind om zijn eigen pad te gaan.
‘Je moet je toch ergens verantwoordelijk voor voelen, ma.’ Ik til het koude pootje van mijn arm en laat het vallen. Er lijkt geen kracht meer in te zitten, haar armen hangen slap, bijna verslagen, langs haar lijf.
‘Wij zijn er toch ook nog?’, fluistert ze met hese stem.

Ik zeg niets meer, er is niets meer te zeggen. Langzaam, behoedzaam mijn voeten plaatsend, loop ik achterwaarts naar de voordeur. Onderwijl probeer ik geruststellend te glimlachen. Het is een van de lachjes die ik heb afgekeken van meneer Finn.

Pas als ik weer de weg op ben in mijn sedan, bedenk ik me dat ik mijn vader helemaal niet meer heb gezien en dus ook geen gedag heb kunnen zeggen. Terugkeren heeft echter geen zin, besluit ik. Afscheid nemen kan ook onnodig wreed zijn. Soms is het beter om gewoon te verdwijnen.

Op de highway schakel ik naar een hogere versnelling en mijn gedachten worden als vanzelf lichter en vol hoop. Even vraag ik me af hoe dat komt. En of het te maken heeft met het feit dat ik onderweg ben en snelheid maak. Dan besef ik dat het natuurlijk komt doordat ik met het starten van de motor ook de airco heb aangezet. Ik bevind me in een capsule van comfortlucht en rijd zo de toekomst tegemoet.

***

Ruimteziek // In acht verhalen onderzoekt Bram Esser de gebouwde omgeving als een vorm van zelfgemaakte natuur, een plek waar je moet zien te overleven. De hoofdpersonages van deze verhalen hebben steevast een problematische verhouding tot de ruimte waarin ze leven.