Ruimteziek // In dienst van de farao

Tekst:
Leestijd: .

In de reeks Ruimteziek verkent Bram Esser in acht verhalen de gebouwde omgeving als een vorm van zelfgemaakte natuur, een plek waar je moet zien te overleven. De hoofdpersonages hebben steevast een problematische verhouding tot de ruimte waarin ze leven.

Beeld: Megan de Vos

Benjamin Borgman verliet ‘s morgens vroeg de bibliotheek Sainte-Geneviève, waar hij de hele nacht had zitten lezen in het dodenboek van de farao Oenas. De bode had hem een briefje overhandigd: Pastor zou hem opwachten bij de ingang van het park Montsouris om over iets belangrijks te spreken.

Op straat voelde de egyptoloog zich wat onwennig. Het snelverkeer raasde aan alle kanten langs hem heen en hij had geen idee hoe hij moest oversteken. In de bibliotheek had hij gelezen over de trucs en listen die farao’s moesten helpen om heelhuids aan de andere kant van het dodenrijk te komen, alwaar ze aan boord konden stappen van het bootje van de zonnegod Ra. Borgman was niet op weg naar Ra, maar hij kreeg de indruk dat alleen een toverspreuk hem zonder kleerscheuren naar de overkant kon helpen.

Ondanks de drukte hield hij van de stad. Hij noemde Parijs zijn minnares. De afgelopen jaren had ze hem, terwijl hij er woonde, regelmatig opnieuw het hof gemaakt met haar doorkijkjes en haar fraaie pleintjes. Hij kon uren op een bankje zitten, waarbij de tijd ongemerkt aan hem voorbijtrok.

Het gescharrel van een straathond kon hem net zo goed bekoren als het geklaag van de slagersvrouw over de hoerige wijze waarop een klant gekleed ging: ‘Niet haar vlees maar mijn vlees moet aandacht krijgen’, hoorde hij haar laatst zeggen. Zulke dingen vervulden hem met het grootste plezier. Het waren de cadeautjes die de stad hem gaf.

Borgman wierp een blik op de sombere koepel van het Panthéon aan de overkant van de drukke straat. Als een gigantische anti-zon blokkeerde het gevaarte de ochtendstralen, het wijkje in de directe nabijheid in diepe schaduwen hullend. Hij ademde diep in, zette een voet op de zojuist natgeregende klinkers en haastte zich naar de overzijde, gebruik makend van een kortstondige verkeersluwte. Via de Rue Clotilde zakte hij af naar het dodenrijk achter de duistere kerk. Hier kon hij wat makkelijker de straat over.

Er was in dit deel van de stad nauwelijks verkeer. Wel lag overal afval. Chiffonniers gingen er routineus doorheen met hun prikstokken, op zoek naar waardevolle spullen. Het scheen Borgman toe dat hun aantal met de dag toenam. Spullen hadden een snellere omloop gekregen, mensen kochten meer en gooiden dus ook meer weg. De collecteurs van flessen en afgedankte kleding – die zich hoger in de afvalpikorde bevonden – zochten oogcontact met de huisbazinnen die elkaar op de bovenste verdiepingen luchtige boodschappen toe riepen. Te luchtig om voor Borgman verstaanbaar te zijn.

Toen hij aankwam in de Rue des Postes walmde een vreemde, rottende lucht hem tegemoet. Een aantal mannen groef een gat, misschien kwamen er organische gassen vrij die reageerden met de lucht. Hij had eens gelezen hoe archeologen in Egypte onwel waren geworden na het openen van een tombe – volgens sommigen een straf voor het verbreken van het heilige zegel. Anderen zagen slechts de sporen van een giftige paddenstoel aan het werk. Misschien was hier ook zoiets aan de hand? Zou de stad zijn eigen afweermechanismen in werking hebben gesteld?

Voor de zekerheid sloeg hij linksaf. Je wist nooit hoe machtig dat soort mechanismen was. In de Rue Amyot werd ook al gegraven, alsof het nieuwe, grandioze Parijs dat de machthebbers zich wensten onder de grond zat en alleen maar opgediept hoefde te worden.

In deze straat bevond zich een antiquair die beweerde dat in het werk van Victor Hugo een verwijzing naar zijn adres zat. Hugo schreef dat er in de Middeleeuwen een Job-achtige figuur was geweest die op de bodem van een meststortbak dertig jaar lang de zeven psalmen van zondigheid zong. De antiquair had tegen Borgman gezegd dat hij regelmatig ‘s nachts de stem van die man kon horen, in zijn bed boven de winkel. Via de muur zou hij naar zijn slaapkamerraam omhoog kruipen om hem daar te bezoeken.

Borgman stak door naar Rue des Postes, een lange weg waar hij flink kon doorlopen. Terwijl hij meeging in de stroom van wandelaars verzonk hij in de stroom van zijn gedachten. Hij dacht aan Ophelia, zijn mooie Ophelia. In tegenstelling tot het beminnen van de stad, waar je wat voor moest doen, waar je hard voor moest werken, kwam de liefde van Ophelia hem aanwaaien. Maar misschien waaide ze ook zo weer weg? Hij nam haar liefde als een geschenk, als een herfstblad dat in zijn schoot was gedwarreld. Maar was dat wel eerlijk naar Ophelia en haar gevoelens? Wat voelde ze eigenlijk? Zou hij niet met haar moeten praten, zou hij haar niet eens moeten uitleggen hoe hij het leven zag?

Wolken jakkerden langs het firmament. De zon toonde de stad in haar witte en donkere gewaad. Een huizenblok in de verte lichtte op als een enkel brood. Van één kant had iemand er een enorme hap uit genomen. Een wolk trok voorbij, een schaduw verschoof.

De zon toonde de gehavende binnenkant van een slaapkamer. Het buizenframe van een bed, een vergeten stoel op zijn rug, afgebladderd bloemetjesbehang. Al die herinneringen die werden vermalen tot stof en gruis. Borgman had het gevoel dat hij dit niet hoorde te zien. Toch bleef hij kijken. Een vaag gevoel van spijt overweldigde hem.

Een wolk gooide discreet een schaduw over het slaapkamertafereel. De wispelturige zon verplaatste haar aandacht naar een keuken, daarna volgden een woonkamer en het opengescheurde trappenhuis waarin, als een werkloze dikke darm, de wenteltrap aan passanten werd geëxposeerd. 

Beeld: Megan de Vos

Onder het mom van hygiëne en vooruitgang werd de halve stad gesloopt. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden, schreven de kranten. Bredere wegen zijn goed voor de doorstroom van het verkeer. Maar wat wisten de kranten ervan? Waren die niet op hand van de machthebbers? Hoeveel doorstroom kan een stad verdragen? 

Borgman rook aan de binnenkant van zijn mouw. Een snufje patchoeli waaide hem tegemoet. De oude Egyptenaren waren de eersten die parfum gebruikten.

‘Op jouw leeftijd, je zou je moeten je schamen’, siste een kruier die een handkar met stoeptegels achter zich aan trok. Borgman schrok op uit zijn gemijmer en voelde zich terechtgewezen. Wat bedoelde de man eigenlijk? Hij was een bezorgde minnaar die de toestand van zijn minnares bestudeerde. Wat was daar mis mee? En wat had zijn leeftijd ermee te maken?

Zijn laatste gesprek met Ophelia was niet bepaald soepel verlopen. Hij vertelde haar over de stad en hoe die hem telkens opnieuw wist te verleiden. Over hoe hij keek naar deurkloppers. Leeuwenkoppen die in een ring bijten, een koningshand met gouden bal, allerlei demonen met een ring door de neus.

‘De grote huizen doen net alsof zich achter hun voordeur een mythische wereld bevindt, maar het zijn allemaal dezelfde burgerinterieurs’, had hij gezegd. ‘Dat is toch grappig?’
‘Overdrijf je niet een beetje, Benjamin?’ had ze geantwoord.

Hij beminde haar zolang het duurde. De rest van de tijd begroef hij zich in oude Egyptische teksten. Hij had trucs en listen om haar vragen te omzeilen en niet aan de toekomst te denken. Hij moest altijd studeren, altijd naar de bibliotheek Sainte-Geneviève. Alsof zijn ware liefde niet een mens van vlees en bloed betrof maar een wereld vol oude mummies.

In een portiek wachtte hij af tot het wat rustiger werd. Marktvrouwen met gedroogde vis en groenten kwamen voorbij, evenals een groepje opgestijfde kantoorklerken die als zenuwachtige kippen achter elkaar aan trippelden. Schoenpoetsertjes uit een naburig weeshuis drongen daar weer brutaal tussendoor. Zij waren op weg naar het station, waar ze hun klandizie vonden onder de wachtende reizigers. Hij zag nu ook waterdragers naderen. Aan weerszijden van een tuig hingen klotsende emmers. Het was een uitstervend beroep, nu overal waterleidingen werden aangelegd. Ze schreeuwden tegen de stratenmakers dat ze aan de kant moesten. In hun boosheid klonk wanhoop door.

De stratenmakers negeerden de waterdragers als een passerend natuurfenomeen. Ze stopten hun werkzaamheden alleen zo nu en dan om hun rug te rechten en het vuur in hun stenen pijpjes aan te jagen. Ze wisten dat de tijd aan hun kant stond, dit was hun moment in de geschiedenis. Zij behoorden tot de grondtroepen van het hervormingsleger dat door de stad raasde.

Borgman had al eens gezien hoe ze met hun pikhouwelen over de schouders onder politiebescherming triomfantelijk een wijk waren binnengemarcheerd om de huizen daar neer te halen. Hij vroeg zich af of dat wellicht de reden was dat de slopers werden gerekruteerd op het platteland. Deze boerenjongens waren gespecialiseerd in grondverzet en hadden geen enkele relatie met de stad. Het waren niet hun eigen huizen die ze sloopten en ook niet die van hun buren. Wanneer de klus was geklaard en het geld geïncasseerd, keerden ze weer terug naar hun dorpjes in de Provence, waar de tijd zou hebben stilgestaan.

Beeld: Megan de Vos

De Egyptoloog keek op zijn horloge en schrok. Hij was al een halfuur te laat voor zijn afspraak. Zoals wel vaker gebeurde als hij door de stad liep, had hij zich ook nu weer overgegeven aan gepeins. Gehaast hervatte hij zijn wandeling. Hij passeerde het Sainte-Anne-sanatorium in aanbouw, een chique naam voor een gekkenhuis.  De hygiënebeweging nam niet alleen de stad, maar ook de menselijke geest op de schop. Hugo's Job zou vandaag de dag geen schijn van kans maken, die zou onherroepelijk uit zijn stortbak zijn getrokken en opgesloten in het sanatorium.

Bij de ingang van het Parc Montsouris, op de hoek bij de Avenue Reille, zag hij een verkeersopstopping. Een kakafonie van ratelende karren was er samengekomen. Cabrioletten, citadines en fiacres. Omnibussen keerden hier, om aan de andere kant van de weg terug te rijden. Het leken net rijdende amfitheaters, met werkelijk overal zitplaatsen en uitstulpende bagagerekken.

Er waren verschillende vervoersbedrijven actief, die zich van elkaar probeerden te onderscheiden door hun koetsiers uit te dossen in opvallende uniformen. Sommigen leken met hun gestreepte en gestippelde jassen afkomstig uit het cabaret. De verschillende kreten en geluiden die ze produceerden om klanten te werven, droeg nog bij aan die sensatie.

Plotseling pikte Borgman een glimp op van iets dat hij kende, een beweging, een lichaam waarvan hij maar een flits hoefde te zien om te weten wie het was. Daar, aan de overkant bij het park, stond Ophelia. En omdat hij er volkomen door werd verrast, moest hij even blijven staan om het tot zich door te laten dringen. 

Toen zag hij ook de lange gestalte. Pastor. Hij had een serieuze blik op zijn gezicht en hield een rijtuig van een particulier bedrijf aan. Eerst liet hij Ophelia instappen, de zorg waarmee hij dat deed, met zijn hand op haar onderarm, zei Borgman genoeg.  

Een menigte van gedachten stoof uiteen in zijn hoofd, ze waren op de vlucht voor de pijnlijke waarheid.

Borgman rukte zich los uit zijn trance en stak de weg over, naar het rijtuig van zijn vrienden. Maar ze zagen hem niet en verdwenen ratelend uit het zicht. Verbluft en besluiteloos keek hij ze na.

Ook Borgman hield een rijtuig aan. Eerst gaf hij de koetsier het adres van zijn huis in de Rue Dauphine, maar enkele minuten later stak hij zijn hoofd alweer uit het raam. ‘Pilote. Ik heb me bedacht. Breng me naar de bibliotheek Sainte-Geneviève. Dat is de plek waar ik thuis hoor, in dienst van de farao.’