14 juli 2022 Leestijd: 11 minuten

Gedeelde woonvormen brengen betaalbaar wonen en duurzaam bouwen dichterbij en het gaan eenzaamheid tegen. Ze hebben zich, vooral in andere Europese landen, al ruimschoots bewezen. Maar willen we wel delen? Hoe pakt het in de praktijk uit? En wat moet je ervoor over hebben om op deze manier te kunnen leven? Stadssocioloog en stedenbouwkundig ontwerper Karin Peeters onderzocht het aan de hand van drie gedeelde woonvormen in Groningen.

Het heeft lang geduurd voordat het begrip gemeengoed werd, maar inmiddels is het algemeen aanvaard: we hebben een wooncrisis. De koopwoningenmarkt is – mede door de lage rentestanden – meer en meer een beleggersmarkt geworden. In de stad Groningen gaan woningen van de hand tegen een vierkantemeterprijs van 6000 euro. En wanneer beleidsmakers het over ‘betaalbare’ huizen hebben, dan gaat het over een koopprijs van 350.000 euro. Niet te betalen voor alleenstaanden of deeltijdwerkers.

De situatie noopt tot andersoortige bouwoplossingen, iets waarnaar door velen naarstig gezocht wordt. De gemeente Groningen wijdt er zelfs een manifestatie aan: Bouw Anders.

Tegelijkertijd is door beleidskeuzes, bijvoorbeeld om uitkeringen van voordeurdelers te korten, een van de oplossingen voor het probleem steeds onaantrekkelijker gemaakt: samenwonen. De groei van de woonvraag wordt dan ook vooral veroorzaakt door een sterke toename van het aantal eenpersoonshuishoudens. Dit heeft het wonen, net als ons leven, individualistischer gemaakt. Maar ook eenzamer.

Met name onder ouderen zijn dat toenemende individualisme en die eenzaamheid een serieus probleem. Als een gevolg daarvan zijn de cursussen coaching en therapie niet aan te slepen. Zo’n cursus is geen luxe, maar haast een noodzaak om in een ontwortelde, eenzame, verslavende moderne wereld te overleven.

Willen we wel delen?

Met deze wetenschap word ik cynisch over de zogenaamde woningbouwopgave. Wat we nu missen zijn geen woningen, maar de mogelijkheid om het samenwonen in een nieuwe vorm uit te vinden. In de ontwerpwereld is dat besef doorgedrongen. Iedere zichzelf respecterende stedenbouwer of architect maakt daarom plannen met gedeelde tuinen en erven. Met veel flair en prachtige visuals worden deze gepresenteerd als oplossing tegen eenzaamheid en voor verduurzaming.

Maar werkt zo’n opzet in de praktijk? Willen mensen wel dingen delen? Wat zien delers als meerwaarde? En wat moet je ervoor over hebben om op deze manier te kunnen leven?

Illustratie: Jaime Jacob voor GRAS

Woldwijk, Ten Boer

Om die vragen te kunnen antwoorden ging ik op bezoek bij enkele actieve woongroepen in en om Groningen. Ik toog eind 2021 allereerst naar Woldwijk, in Ten Boer, waar ik een rondleiding kreeg over het terrein.

Terwijl we in het weids aangelegde gebied over de gezamenlijk aangelegde en gebruikte paden lopen, word ik bijgepraat over het reilen en zeilen binnen de drie woongemeenschappen die een plek hebben op het terrein: Stichting Staatjevrij, Coöperatie Tiny House Noord-Nederland en Stichting Landjegoed. Ik hoor dat het pionieren is in het zorgen voor je eigen onderkomen, maar ook dat er binnen de drie groepen cultuurverschillen zijn. En dat de bewoners van de aangrenzende ‘reguliere’ woonwijken soms wat raar tegen hen aankijken. Daarnaast is het touwtrekken met de gemeente om op langere termijn bestaansrecht te houden.

Al die dingen vergen organisatie, werkgroepen, vergaderingen. En daar wil niet iedereen energie in steken. Het blijken steeds dezelfde bewoners die meepraten, de rest lijkt vooral goedkoop en vrij te willen wonen. Dat wringt.

De oorspronkelijke trekkers en initiatiefnemers van Staatjevrij hebben volop ideeën en ambities. Ze hebben ook als enige groep geïnvesteerd in een gezamenlijke ontmoetingsruimte. En ze zien kansen om hun bestaan hier duurzaam te verankeren.

Die energie, investeringsbereidheid, aanpakkersmentaliteit en wil tot samenwerking lijkt bij de tiny house-groep geen vorm te hebben gekregen. En dat wreekt zich nu, want de kans dat zoiets uit zichzelf ontstaat is erg klein.

Hoelang houden ze dit vol, vraag ik me af als ik het terrein verlaat

Gemeenschapsvorming vraagt toewijding, en dat maakt de organisatie van de Coöperatieve Vereniging Woldwijk er niet makkelijker op. Mede hierom is door deze vereniging een externe voorzitter en een onafhankelijke penningmeester aangesteld. Daarnaast is bij het zoeken van leden voor het recent gelande initiatief expliciet gekozen om de gemeenschap voorop te zetten.

Als ik een vergadering bijwoon worden die ingewikkeldheid en de tijdsinvestering die het de groep kost om zich op een juiste manier te organiseren en zaken onderling af te stemmen, bevestigd. Maar ook het belang van het bepalen van een gezamenlijke strategie richting de gemeente. Want die ziet enerzijds de kracht van deze kiem, maar wil tegelijkertijd de pacht geïnd zien. Dat, en het gezamenlijk runnen van een coöperatie, vraagt om een professionele organisatie.

Binnen Woldwijk zijn verschillende werkgroepen die zaken per thema oppakken. Ook dat vergt een flinke tijdsinvestering. Het levert wisselend succes op, vaak behaald door dezelfde voortrekkers.

Hoelang houden ze dit vol, vraag ik me af als ik het terrein verlaat. En op welke termijn verdient de coöperatie zelf voldoende geld om de benodigde ondersteuning, zonder hulp van subsidies, te kunnen inhuren? Maar ook: hoe duurzaam is een initiatief dat zo veel ruimte inneemt?

Illustratie: Jaime Jacob voor GRAS

Centraal Wonen De Heerd, Beijum

Een bezoek aan Centraal Wonen De Heerd in de stadswijk Beijum leert me weer andere zaken. Deze woongroep functioneert al meer dan veertig jaar. Het uit twee gebouwdelen bestaande complex is rond 1980 ontworpen door architect Jan Giezen, samen met de initiatiefnemers. Het omvat dertig gezinswoningen en negentien woonheden voor alleenstaanden of tweepersoonshuishoudens.

De individuele woningen zijn kleiner, maar daar staat tegenover dat in het complex een centrale ontmoetingsruimte, een logeerkamer en een werkplaats zijn. Ook is er per cluster van zeven eenheden rondom het trappenhuis naar de bovenwoningen een gezamenlijke woonkamer.

Met zijn opzet en filosofie was dit complex een voorloper van wat nu Centraal Wonen is. Ook op het vlak van duurzaamheid was het initiatief zijn tijd vooruit: de woningen zijn extra zwaar geïsoleerd en hadden een collectief energiesysteem. De warmtepomp is intussen vervangen voor individuele cv-ketels.

Centraal Wonen De Heerd is in eigendom van Woningstichting Patrimonium. Hoewel deze christelijke corporatie bij de start van de woongroep min of meer door de overheid gedwongen werd het initiatief te faciliteren, zijn ze er wijs mee. Patrimonium ziet een grote betrokkenheid bij de huurders – die zien het complex als hun vastgoed. Ook constateert de corporatie veel zelfredzaamheid onder de bewoners. Mensen kijken naar elkaar om, merken ze.

Je kunt hier gebruik maken van de grote tuin, ook als je zelf een bloedhekel aan tuinieren hebt

De huurders van De Heerd zijn vertegenwoordigd in een vereniging. Dit vraagt zowel bij de corporatie als binnen de huurdersvereniging om flexibiliteit en de nodige tijdsinvestering; eens per kwartaal zitten de partijen om tafel. Eventuele huurverhogingen, beleidswijzigingen of soortgelijke zaken moeten door de vereniging worden goedgekeurd. Daardoor zitten de bewoners op een gelijkwaardiger manier aan tafel dan reguliere huurders.

Aan de kant van Patrimonium wordt de grote hoeveelheid overleg weleens als oneerlijk richting andere huurders ervaren. Want het continue maatwerk dat hier geleverd moet worden, druist in tegen de trend van standaardisering die binnen de sector heerst. Gedreven door efficiëntie kijkt de corporatie ook kritisch naar de gezamenlijke ruimten: worden deze wel voldoende gebruikt? Met de toenemende complexiteit van wet- en regelgeving op de achtergrond rijst bij Patrimonium de vraag of de huidige vorm van beheer vol te houden is.

De huurdersvereniging houdt bewust de verantwoordelijkheid met betrekking tot beheer of huurinning af. Het actief houden van de vereniging zelf vraagt al voldoende aandacht. Wat daarbij meespeelt is dat steeds minder huurders bestuurlijke taken willen oppakken. Dat wekt intern wrevel en het verzwakt de positie in de onderhandelingen met Patrimonium. Ook de grootte van de woongroep, zo’n zeventig personen, en het feit dat de gezamenlijke tuin is opgedeeld in twee delen wreken zich. Niet iedereen kent elkaar, waardoor iemand aanspreken lastiger wordt en de druk steeds meer op de actieve groep ligt.

Als het over elkaar aanspreken en kennen gaat: dat werkte in de beginjaren van de woongroep goed. Per cluster gebruikten bewoners een gezamenlijke woonkamer. Maar ook hier is het leven intussen individualistischer geworden; samen eten doen bewoners niet meer. Dat maakt dat de vereniging zich ook aan het herbezinnen is over haar eigen organisatievorm.

Het bestuur overweegt meer te gaan sturen op het proces van woningtoewijzing. De vereniging kent haar eigen lijst van geïnteresseerden. In plaats van huurders via Woningnet te laten reageren, nodigt de vereniging zelf kandidaten uit om te hospiteren. De persoonlijke klik tussen bestaande bewoners en nieuwkomers is daarbij leidend.

Bij toekomstige toewijzingen gaat de bewonersvereniging meer kijken naar wat een huurder kan bijdragen in de organisatie. Ook wil het bestuur de doorstroming van zittende huurders stimuleren, zodat woningen beter passen bij de levensfase of gezinsgrootte van bewoners.

Zo’n wijziging doorvoeren gaat vanwege de verenigingsvorm niet gemakkelijk en kent strijdige belangen. Daaruit voortkomende conflicten kunnen in de eigen woonsfeer terechtkomen, wat het wonen er niet gezelliger op maakt. Bewoners gaan de gezamenlijke ruimtes mijden of zoeken zelfs, na jaren hier gewoond te hebben, een andere woonplek.

Maar ondanks de ongemakken voelen de bewoners van De Heerd zich senang in hun woonomgeving. De meeste samenwoners voelen zich prettig bij elkaar en voelen zich door elkaars nabijheid gesteund. Eenzaamheid is hier veel minder aan de orde.

Daarnaast zijn de bewoners zich bewust van de fysieke voordelen van deze woonvorm. Je kunt hier gebruik maken van de grote tuin, ook als je zelf een bloedhekel aan tuinieren hebt. En je kunt binnen het complex verhuizen als je gezinssamenstelling verandert. Er is een werkplaats waar je alle gereedschappen voorhanden hebt, en een logeerkamer waar je gasten kunt ontvangen.

Voor kinderen die hier opgroeien zijn vriendschappen snel gemaakt en speelmaatjes zo gevonden. Dat verlicht ook het ouderschap en geeft gezinnen ruimte. Een woongroep, kortom, die in transitie is, maar zijn bestaansrecht dubbel en dwars verdiend heeft.

Illustratie: Jaime Jacob voor GRAS

Oosterkade, binnenstad

De meerwaarde van samenwonen zie ik ook tijdens mijn bezoek aan een co-housingproject aan de Oosterkade. Hier wonen zes oudere stellen, ieder met een eigen voordeur, maar met gezamenlijke voorzieningen zoals een wasruimte, bibliotheek, houtwerkplaats, sauna en logeerkamer. Voorzieningen die ze anders niet zouden kunnen betalen, of simpelweg zaken die ze liever niet in huis willen hebben.

Ondanks hun financiële draagkracht hebben de bewoners van dit gebouw bewust voor deze woonvorm gekozen. Vooral om zo gezelschap en op sociaal vlak steun aan elkaar te hebben. Het initiatief gaat daarmee veel verder dan een regulier project dat in collectief particulier opdrachtgeverschap ontwikkeld wordt.

Het hebben van een eigen voordeur geeft bewoners zelf de regie over wie wanneer in hun persoonlijke levenssfeer binnenkomt

De gezamenlijke voorzieningen en de warmtepomp worden aan de Oosterkade via een vereniging van eigenaren beheerd en in koopcontracten vastgelegd. Een keer per maand is er een huisvergadering, waarbij de bewoners het beheer van de gezamenlijke ruimten met elkaar afstemmen. Al het overige overleg over wie wat wanneer gebruikt gaat via de whatsappgroep. Dat is ook de plek waar je van de buurman of buurvrouw gereedschap leent, iemand uitnodigt voor een gezamenlijke activiteit of andere praktische dingen regelt.

Ook op deze gezamenlijke woonplek is af en toe gedoe. Maar door de maat en schaal van de groep en door het feit dat de bewoners gelijkgestemden zijn, is vooralsnog zelden sprake van conflicten. Of de synergie binnen de groep die het concept heeft ontwikkeld blijft bestaan wanneer hier meer ‘vreemden’ komen wonen, is de vraag.

Het gedoe omarmen

Mijn bezoek aan de drie verschillende woongroepen maakt me een aantal dingen duidelijk. Ten eerste dat door het delen van voorzieningen de onderlinge lotsverbondenheid wel degelijk versterkt wordt. Maar ook dat delen om een beheersing van omgangsvormen vraagt – en dat dit het best gaat wanneer je tussen gelijkgestemden woont. Daarmee sluit de woonvorm automatisch anderen uit.

Zelfs al woon je tussen mensen waar je uitstekend mee door een deur kunt, dan nog zal er gedoe zijn. En is met regelmaat een vergadering nodig. Samenwonen is per definitie gedoe. Wie wil delen, zal er tijd aan kwijt zijn en zal zich moeten ontwikkelen in het overleggen en afstemmen. Daar horen soms teleurstelling en pijn bij, wanneer zaken ondanks de inspanning die je levert mislukken.

De ruimtelijke context speelt hierin een belangrijke rol. Enerzijds vanwege het belang van het hebben van een eigen voordeur. Die geeft bewoners zelf de regie over wie wanneer in hun persoonlijke levenssfeer binnenkomt. De deur kunnen dichttrekken is daarbij belangrijker dan de grootte van de eigen ruimte.

Anderzijds is voor samenwonen – naast alle denkbare te delen zaken – een centrale, gezamenlijke ruimte nodig die een logische plek vormt voor toevallige ontmoetingen. De positionering en de routing spelen daarin een cruciale rol – eigenlijk net als in een gewoon stukje stad. Maar dan zonder dat laagje overheid waar je op kunt foeteren.

Als het lukt om over die gezamenlijke plekken in harmonie samen regie te voeren, dan maakt samenwonen je leven ‘lichter’. Het vermindert angst en daagt je uit om over je eigen grenzen te durven gaan. Het nodigt uit tot samenwerking. En laten we dat met het oog op de toekomst nou net nodig hebben.

***

Met dank aan Jan Giezen, Kees van den Berg, Jan Borkent, Annemarieke Aarts, Claire Keizer, Joop Lops, Henk Boldewijn en alle anderen die ik in de wandelgangen en op vergaderingen heb mogen spreken.