20 december 2019 Door Leestijd: 9 minuten

Hoe weerspiegelt de gebouwde omgeving onze samenleving? Rijksbouwmeester Floris Alkemade liet er onlangs zijn licht op schijnen tijdens het Rijksbouwmeesterscongres in Scheveningen. Welke rol kan het ontwerp spelen in het ombuigen van problemen naar oplossingen? En wat kunnen we er in Groningen mee?

Het gebied rond de Scheveningse pier is een bijzondere plek. De pier zelf is, ondanks een opknappoging, nooit volledig in zijn oorspronkelijke glorie hersteld. De zuilen waarop hij rust zijn in bonte kleuren geverfd. De vergelijking met een doos kleurpotloden is makkelijk gemaakt.

Even verderop zit het monumentale Kurhaus ingeklemd tussen afzichtelijke appartementenblokken en een winkelcentrum. Groninger stadsbouwmeester Jeroen de Willigen vroeg zich terecht hardop af of het een bewuste keuze was om bouwmeesters uit heel Nederland af te laten reizen naar een plek die schreeuwt om kwaliteit en ruimtelijke regie.

Via een route langs een groot aantal eettentjes en winkeltjes kom je aan het einde van de pier uit bij restaurant Zilt. De betonnen wanden, marmeren vensterbanken en houten dakbalken lijken er nog te wachten op een interieurstylist. De kleuren van de ruimte zouden door diezelfde stylist meteen overgeschilderd worden. Mintgroen en donkerblauw – het ziet er niet uit, maar heeft daardoor ook wel weer charme.

Vanuit de ontvangstruimte van het restaurant kijk je uit over de Noordzee. De lucht is grauw en het regent, het strand is zo goed als leeg. Binnen bevinden zich zo’n beetje alle bouwmeesters van Nederland en een hoop andere mensen met ruimtelijk inzicht. Ze eten kleine cakejes.

Groningen, De Hoogte

De Hoogte, Groningen // Foto: Peter de Kan

Veel te dik

Met de eerste slide uit zijn lezing krijgt Rijksbouwmeester Floris Alkemade direct de lachers op zijn hand. We zien Mr. Creosote, de op ontploffen staande man uit de beroemde sketch van Monty Python. Hij illustreert het ietwat bombastisch klinkende thema van het congres: The meaning of life

Om de lach blijkt het de Rijksbouwmeester in elk geval niet te doen. De veel te dikke man is volgens hem de perfecte metafoor voor onze westerse maatschappij: 'We hebben van alles te veel, en we willen nog meer.'

‘De steden die we bouwen zijn een voortzetting van ons gedrag'

Alkemades lezing zit bomvol grote, soms existentiële vragen. Wat willen we zijn? Begrijpen we de door technologie gedomineerde wereld nog? Wat vinden we eigenlijk belangrijk? En hoe kan het dat we met de wereld omgaan zoals we nu doen? 

Één rij hoort er niet bij

Alkemade trekt zijn vragen door naar de gebouwde omgeving. De boodschap die Aldo van Eyck in de jaren 60 en 70 bracht, geldt volgens hem nog altijd: 'De steden die we bouwen zijn een voortzetting van ons gedrag. Wat we maken is wat we zijn.' Het verbrokkelde en geïndividualiseerde karakter van de maatschappij zien we driedemensionaal terug.

De Rijksbouwmeester maakt de vergelijking tussen het open karakter en de verbondenheid van het antieke Rome en de gescheiden, gesloten opzet van onze steden. Overal om ons heen zijn filters aanwezig die mensen toegang geven en tegenhouden. 'Wat zijn we aan het doen met onze openbare domeinen?', vraagt hij zich af.

En voor wie is de stad eigenlijk?

'We denken zo makkelijk dat we het goede doen, dat we bezig zijn het land en de steden voor iederéén in te richten. Maar we zijn blind voor wat er werkelijk aan de hand is in wijken waar we nooit komen, met mensen waar we nooit contact mee hebben. Maar die wel afhankelijk zijn van de beslissingen die wij nemen. Die blindheid moet uit het verhaal verdwijnen, anders werkt het niet', waarschuwt Alkemade.

'Wie zijn precies die mensen waar we te weinig oog voor hebben?', vraagt dagvoorzitter Hasna El Maroudi. 'En wie zijn de mensen die wél gezien worden?'

Een wrange glimlach verschijnt op het gezicht van de Rijksbouwmeester. 'Die tweede groep zit hier in de zaal. Met uitzondering van één rij.' Hij doelt op de mensen van de Rainbow Soulclub, een Amsterdams initiatief dat ontmoeting en samenwerking tussen kunstenaars, kunstacademie-studenten en dak- en thuislozen tot stand brengt.

Eerder deze middag werd een video van de groep getoond. Het was voor meerdere congresbezoekers het signaal om hun telefoon tevoorschijn te halen en hun hoofd 90 graden omlaag te kantelen. Hoewel Alkemade dit niet meekreeg, bekrachtigt het zijn boodschap.

De Hoogte, Groningen

De Hoogte, Groningen // Foto: Peter de Kan

Verbeeldingskracht

Het beeld dat Alkemade schetst van de manier waarop we onze samenleving organiseren, is niet per se vrolijkmakend. Hij drukt zijn publiek met de neus op de feiten. Naïef optimistisch doen heeft een averechts effect, stelt hij.

Als het aan de Rijksbouwmeester ligt, is er een belanrijke rol weggelegd voor ontwerpers. Ze moeten hun verbeeldingskracht gebruiken, op zoek naar betere oplossingen. Sociale vragen kunnen als ontwerpvraag worden beetgepakt. ‘Ik zeg niet dat een architect alles kan oplossen, maar met verbeeldingskracht kun je breder nadenken.'

Met die verbeeldingskracht als hulpmiddel kunnen we grote problemen misschien wel omzetten in grote kwaliteiten, hoopt hij. 'We moeten het verlangen inzetten als motor. Als mensen verlangen naar verandering, wordt verandering mogelijk.'

Wat bouwen we eigenlijk?

Een van de grootste opgaven voor de komende tijd is het creëren van genoeg woonruimte. De Rijksbouwmeester stelt vol overtuiging dat het bouwen van voldoende woningen in elk geval niet het probleem is. Die woningen hoeven volgens Alkemade niet buiten de stadsgrenzen gebouwd te worden.

‘We kunnen onze steden eenvoudig verdichten zonder dat dit ten koste gaat van de openbare ruimte. Je kunt wijken vernieuwen zonder de bewoners eruit te drukken. Mensen worden dan onderdeel van een wijk die een opwaartse lijn inzet, in plaats van dat we zeggen: zoek het maar uit.'

De weg naar boven vind je natuurlijk niet alleen door maar zo veel mogelijk huizen te bouwen. Minstens zo belangrijk is de typlogie van die woningen. Hoe willen we eigenlijk wonen?

‘We kunnen onze steden eenvoudig verdichten zonder dat dit ten koste gaat van de openbare ruimte’

Nog meer gezinswoningen hoeven er in elk geval niet te komen, stelt geograaf en onderzoeker Josse de Voogd, die ook op het congres aanwezig is. Door andere woningtypen te realiseren, krijgen mensen die nu nog tegen wil en dank in een gezinswoning wonen een alternatief. Op die manier groeit tegelijkertijd voor gezinnen, voor starters én voor eenpersoonshuishoudens de kans op het vinden van een passend onderkomen.

Het klinkt logisch. Toch wordt het nog weinig in praktijk gebracht. Ook in een stad als Groningen, waar een enorme bouwopgave ligt, zou de beschikbare ruimte beter benut kunnen worden. Niet alleen met gezinswoningen dus, maar juist ook met andere woningtypen. Welke precies? Dat is de moeite van het onderzoeken waard.

Wijkvernieuwing als katalysator

In de ideale stad wonen mensen in een omgeving die bijdraagt aan hun gezondheid, zowel fysiek als mentaal. In wijken waar autoverkeer niet overheerst en de openbare ruimte gebruikt wordt en wezenlijk iets toevoegt. Op plekken waar ‘de ongedeelde stad’ en ‘sociale samenhang’ niet alleen mooie termen zijn, maar door iedereen – of in elk geval door zoveel mogelijk mensen – ervaren worden.

Hoe pak je dat aan? En waar leg je de nadruk?

Doordenkend op wat tijdens het Rijksbouwmeesterscongres naar voren kwam, is een Groninger wijk als De Hoogte een interessante plek. Hij kan aan de hand van de wijkvernieuwing een diverser en gezonder karakter krijgen. Niet toevallig stond De Hoogte samen met De Wijert centraal tijdens het Boumasymposium dat GRAS op 10 december samen met Atelier Stadsbouwmeester organiseerde.

Op dit moment is De Hoogte vrij eenzijdig van samenstelling. De wijk bestaat voor het overgrote deel uit sociale huurwoningen. Een aantal van die woningen is qua onderhoud niet in opperbeste staat, maar vanuit cultuurhistorisch oogpunt erg interessant.

Zou het geen goed idee zijn om de wijkvernieuwing te gebruiken om op zo’n plek, op korte of langere termijn, te werken aan een meer gemengde samenstelling? Er kan perfect ruimte gemaakt worden voor de middengroepen, de mensen die op de woningmarkt al jaren niet aan bod komen. Ik behoor zelf ook tot die groep, en maak met frisse tegenzin elke maand 1000 euro huur over aan een grote investeringsmaatschappij om op een plek te kunnen wonen waar het allesbehalve bruist.

De Hoogte, Groningen // Foto: Peter de Kan

Nieuwe ontwikkelvormen

Een deel van de voorraad sociale huurwoningen in De Hoogte – misschien juist die minder goed onderhouden maar architectonisch bijzondere stukken – zou herontwikkeld kunnen worden voor de middengroepen. Dat zou prima kunnen met een CPO-constructie, een Baugruppe of een woongenootschap.

In de uitgangspuntennotitie voor de nieuwe woonvisie wijdt de gemeente Groningen een paragraaf aan nieuwe ontwikkelvormen. ‘We vinden het belangrijk om dit soort initiatieven een goede plek en kans te bieden’, zegt de gemeente. De wijkvernieuwingswijken zijn bij uitstek de plekken om dit in de praktijk te brengen.

Maar hoe zit het met de huizen die bij zo’n operatie ‘uit de wijk verdwijnen’? Er is bepaald geen overschot aan sociale huurwoningen in de stad. Zijn sociale huurders daarom het haasje bij de wijkvernieuwing?

Hoe paradoxaal het ook mag lijken: het verdwijnen van sociale huurwoningen uit een wijk als De Hoogte kan er juist voor zorgen dat de totale voorraad in de stad groeit.

Wanneer de gemeente corporaties de kans geeft ter vervanging in bijvoorbeeld Meerstad, de Eemskanaalzone en de Reitdiepzone een stevige hoeveelheid hoogwaardige sociale huurwoningen te bouwen, gaat de wooncapaciteit van de stad omhoog. Bovendien ontstaat dan ook op die plekken meer diversiteit. En vinden meer mensen in Groningen een fijne woonplek.

Regenboog

In Scheveningen klaart de lucht zowaar wat op en verdwijnt de ergste grauwheid. Even later breekt de zon alsnog volledig door. Net op tijd, want hij zakt al bijna in de Noordzee. Aan de strandzijde probeert moeder natuur met een regenboog van de troosteloze aanblik nog iets moois te maken.

Met een beetje fantasie schuilt er in de regenboog een treffende metafoor. Goede ontwerpers kunnen van onze steden betere, mooiere leefomgevingen voor iedereen maken. Waar mensen niet weg moeten omdat ze het niet kunnen betalen, en kunnen wonen zoals ze graag willen.

Een stad met wijken waar bovendien de openbare ruimte van hoge kwaliteit én voor iedereen is. En een stad die niet ten koste gaat van de gezondheid, maar er een belangrijke bijdrage aan levert.