24 maart 2022 Leestijd: 3 minuten

Het is kwart over acht als ik de gebruikelijke 4 kilometer naar mijn werk fiets. Vandaag zijn de knieën wat meer gebogen dan anders, want ik rijd op de fiets van onze middelste zoon: een cargobike met framemaatje 49. Niels wilde heel graag een keer op de elektrische fiets die ik van de fietsenmaker leen. Prima, dacht ik, want eerlijk gezegd schaam ik me kapot op dat ding. Die trapondersteuning werkt trouwens ook niet bij de kruissnelheid die ik hanteer.

Ik ben net vertrokken als een buurtgenoot dezelfde hoofdroute opdraait. Hij komt me niet bekend voor. Het is een wat zonderling type met een baardje, een kind achterop in een zitje, een waterdichte fietstas en een bijzonder Spartaanse fiets. Even rijdt hij naast me, maar dan geeft hij gas.

De man komt als eerste aan bij de Gerrit Krolbrug, waar een rij fietsers te voet het Van Starkenborghkanaal oversteekt, via de loopbrug. Klunen noem ik dat. We doen dat al maanden, omdat een onoplettende kapitein de brug eruit ramde.

Net als in een wielerkoers stropt het aan de voet van de klim wat op. Kleine kinderen overbruggen het hoogteverschil van 6 meter nu eenmaal minder snel. De man dringt voor en dwingt een meisje tot het kiezen van een ander spoor. Hij heeft blijkbaar haast.

Vanaf nu heeft hij mijn aandacht. Ik duik achter hem aan. Op de brug volg ik zijn gluiperige slingermethode om ook daar net twee plekjes te winnen.

Al snel vervolgen we onze weg over de Korreweg. Snel peddelend haal ik hem bij, ik kruip lekker in zijn slipstream. Kort daarop zie ik hem achterom kijken. Hij heeft me gespot. Tien seconden later kijkt hij weer. En even later opnieuw. Dan houdt hij zijn benen stil. Hij wil afslaan, maar vergeet zijn hand uit te steken, zo lijkt het. Ik haal hem in.

Maar tot mijn verbazing slaat de man niet af. In tegendeel, hij kruipt in mijn wiel. Bijzondere vent. Met een hoog beentempo rij ik verder, terwijl ik in mezelf lach. Zou hij werkelijk de benen stilgehouden hebben om mij uit zijn wiel te krijgen?

Een paar minuten later naderen we de binnenstad. Bij de kruising moet ik linksaf. Ik hou even in om een dame op de kruisende voorrangsweg voor te laten, maar meneer grijpt zijn kans duikt links om me heen. Ook hij slaat linksaf!

Nu komt de klier in mij naar boven. Kort daarop zit ik weer in zijn wiel. Ik geniet en ben benieuwd hoe het nu verder gaat. Blijkbaar houdt hij me in de gaten, want de blik over zijn schouder is er weer. Tweemaal kijkt hij vanuit zijn ooghoek waar ik ben, gaat dan op de pedalen staan en sprint weg.

Het meisje achterop schudt heen en weer. Gelukkig houdt ze haar rugtas stevig op haar buik geklemd.

Dit laat ik me natuurlijk niet gebeuren en ook ik zet aan. Ik moet even stevig trappen, want door het kratje voorop vang ik meer wind dan ik gewend ben. Opnieuw die blik. Ik hoor hem denken: shit, weer die vent!

Dan verrast hij me. Hij maakt gebruik van de wind die van linksvoor komt, gaat helemaal rechts rijden en zet mij op de kant. Ik lach nu hardop, hij is bloedserieus!

Bij het stoplicht passeer ik de wachtende auto’s buitenom. Mijn rivaal wurmt zich binnendoor een weg naar voren. Daar staan we dan. Naast elkaar wachtend voor het stoplicht - achter een groepje fietsers die zich van deze koers niet bewust zijn.

Ik kijk naar de man en lach. Hij kijkt strak voor zich uit. Zie ik nou woede in zijn ogen? De grapjes die door mijn hoofd gaan spreek ik niet uit, dat lijkt me beter. Blijkbaar hebben we de koers verschillend ervaren.

***

Onze reeks Stadsflarden bestaat uit korte stukken, steeds geïnspireerd of geïllustreerd door een foto van Peter de Kan. De rubriek legt de dynamiek van de stad bloot aan de hand van ontmoetingen, observaties of gedachtenkronkels. Niet altijd met een overduidelijke ruimtelijke link, maar wel onlosmakelijk verbonden met Groningen.