Vakgenoten // Aflevering 1

In gesprek met de jongste generatie Groningse architecten

Tekst:
Beeld:
Leestijd: .

Bij GRAS zetten we regelmatig architecten in de spotlights. Vaak gaat het om de gevestigde orde, om ontwerpers die hun sporen intussen verdiend hebben. Maar hoe gaat het eigenlijk met de talentvolle jongste generatie ontwerpers? Wat is hun blik op het vak, op wat er in Groningen gebeurt en op de rol van architecten in de grote opgaven van nu? In een reeks van vier gesprekken, steeds met drie jonge architecten, zetten we hen op het podium. Dit is de eerste aflevering.

Het waait stevig op het dakterras dat op de vijfde verdieping van het Groot Handelshuis ligt. Je kijkt vanaf hier uit op de Grote Markt en op de daken van de binnenstad.

Dit gebouw kennen de meeste Groningers als de oude V&D. Ontwikkelaar MWPO laat het prominente wederopbouwpand ombouwen tot multifunctionele werkplek, naar een ontwerp van De Zwarte Hond. Over een paar maanden moet het klaar zijn. En hoewel het er nu nog leeg en kaal is, zie je dat het goed wordt.

Samen met drie jonge architecten ben ik hier zojuist beland, via een van de twee bouwliften. Bouwbedrijf Kooi, dat de verbouwing doet en beneden zijn uitvalsbasis heeft, gaf ons vier stoelen mee. Met het oog op de wind zetten we ze strategisch in een hoek van het terras. Josien Gankema (De Unie Architecten), Lamia Towalski (Onix NL) en Marwin van Duinen (bN+JD architecten) nemen plaats.

‘Dit is een niveau van de stad waar we nooit komen’, zegt Gankema, terwijl we om ons heen kijken. ‘Je vindt er mooie, rustige plekken, waar de beleving heel anders is dan wanneer je beneden op een terras zit.’ Zij was degene die het thema aandroeg voor de locatie van dit gesprek. Vooral omdat we volgens haar veel te weinig gebruik maken van de potentie van daken, specifiek in het centrum. Niet voor plekken met verblijfskwaliteit, of voor natuur, in elk geval. ‘Bij nieuwbouwprojecten komen de installaties vaak op het dak, maar daar blijft het bij. Terwijl er zoveel ruimte is. Daar zouden we meer mee moeten doen.’

v.l.n.r.: Marwin van Duinen, Lamia Towalski, Josien Gankema // Foto: David Vroom 

In het stramien van de opleiding 

Het carillon van de Martinitoren, dat op deze hoogte dichtbij is, begint te luiden. Tijdens ons gesprek zal het vaker gebeuren. Voor we dieper in het vak duiken, vraag ik de jonge architecten hoe ze terugkijken op hun opleiding. Ik ben vooral benieuwd naar de verschillen tussen Delft en Groningen.

Lamia Towalski, afkomstig uit Duitsland, deed haar bacheloropleiding in Aachen. ‘Die was heel uiteenlopend’, blikt ze terug. ‘En concreet, maar toch speels.’ Toen ze naar Groningen trok om aan de Academie van Bouwkunst verder te studeren, belandde ze in een andere wereld. ‘Je moest hier op alles reflecteren, dat was ik niet gewend. Op vrijdag lag ik soms totaal uitgeput en huilend op bed.’ Na dat eerste jaar vond ze desondanks haar draai. En hoewel ze positief terugkijkt op haar tijd aan de Academie, had de opleiding ook een keerzijde. ‘Ik had moeite met het schoolse karakter. Iedereen die niet in het stramien paste, viel af. Om me heen zag ik mensen met talent en interessante ideeën die daarom niet door konden of wilden.’

‘Aan de TU Delft mocht je zelf de regels opnieuw bedenken. En wat je bedacht hoefde niet realistisch te zijn, maar vooral zo vernieuwend mogelijk’

‘Dat is onwijs zonde’, zegt Gankema. Zij koos ervoor om in Delft te gaan studeren. Vooral om fulltime student te kunnen zijn en niet daarnaast te hoeven werken, zoals voor Academie-studenten gebruikelijk is. Maar ook vanwege de vrijheid die je aan een universiteit krijgt. ‘In Delft mocht je zelf de regels opnieuw bedenken. En wat je bedacht hoefde niet realistisch te zijn, maar vooral anders en zo vernieuwend mogelijk. Je mocht een visie ontwikkelen en kon zelfs afstuderen zonder ooit een gebouw te ontwerpen.’

Ook Marwin van Duinen studeerde aan de Academie van Bouwkunst. Tijdens zijn opleiding nam hij met twee vrienden een architectenbureau over. De combinatie tussen ondernemen en studeren bleek niet te werken, waarna hij in 2019 uit de onderneming stapte. ‘Wat me tegenstond is dat er een vast programma was dat niet altijd paste bij de behoefte die je op dat moment had. In de praktijk liep ik tegen bepaalde vragen aan die ik graag in de studie wilde beantwoorden. Maar de koppeling miste soms. Op dat vlak ligt er een grote kans voor de Academie.’

Architectuurbijeenkomsten als toneelstukken

De overgang van studeren naar werken verliep voor deze jonge architecten soepel. Wel missen ze soms het contact met generatiegenoten, zoals ze dat tijdens hun studie hadden. Gankema vertelt hoe ze onlangs met oud-collega Maaike van der Veer op zoek ging naar een clubje om zich bij aan te sluiten – zonder succes. ‘Dus hebben we zelf wat mensen benaderd en gewoon een keer in een kroeg afgesproken. Intussen zijn we met een stuk of twintig jonge architecten, van allerlei bureaus. We hebben een appgroepje en gaan samen naar een lezing of kijken een film. Waar het op uitdraait, weten we nog niet, maar dit is een begin. Samen weet je nu eenmaal meer dan alleen. Toch komen wij drieën elkaar tijdens ons werk nooit tegen. Dat is best gek.’

‘Ik heb die behoefte aan contact met jonge ontwerpers ook wel’, erkent Towalski. Bij architectuurbijeenkomsten ziet ze vaak dezelfde hoofden. ‘Wat nieuwe, jonge hoofden, mensen die ik nog niet goed ken – dat lijkt me heel tof.’

Lamia Towalski // Foto: David Vroom

Tijdens zo’n architectuurbijeenkomst, waar architecten van verschillende bureaus elkaar tegenkomen, komt de Groninger architectuurcultuur naar de oppervlakte. Hoe is het om je daar als onervaren architect in te bewegen?

‘Ik denk dat veel jonge architecten op zo’n plek niet zo snel hun mond opendoen’, zegt Towalski. ‘Je denkt: wat heb ik nou te melden? Misschien zou het goed zijn als in zo’n setting een keer specifiek gevraagd werd hoe de jonge generatie ergens naar kijkt.’
‘Wat gebeurt er precies dan?’, vraagt Gankema, die sinds twee jaar in Groningen werkt en door corona nog weinig bijeenkomsten meemaakte. ‘Zijn het altijd dezelfde mensen die aan het woord zijn?’
Towalski: ‘Je kunt het inderdaad van tevoren wel zo’n beetje uittekenen. Persoon A zeikt categorisch alles af. Dan komt persoon B, daarvan weet je dat hij of zij altijd rake dingen zegt. En tot slot persoon C, die schetst een droomwolk. Dan hebben we iedereen weer gehad en kunnen we samen een biertje gaan drinken.’ Ze lacht. ‘Het is soms bijna een toneelstuk.’

Van Duinen herkent het geschetste plaatje wel, hoewel hij niet het gevoel heeft dat het onmogelijk is om je als jonge architect te mengen in het gesprek. ‘Maar het wordt wel normaal gevonden dat bepaalde mensen aan het woord zijn.’ Vaak zijn dat personen waar je als architect in opleiding naar opkeek, voegt hij toe, dat kan voor een drempel zorgen. ‘Maar inmiddels zijn we zelf ook architect. En zouden we toch best met zo iemand in gesprek kunnen gaan. Uiteindelijk zijn het ook maar mensen met ideeën, net als wij.’

Concurrenten

Vandaag hebben deze drie ontwerpers hoe dan ook de kans om van zich te laten horen. Als ze nu de spreekwoordelijke microfoon voor hun neus zouden krijgen, waarover zouden ze dan vanuit hun vak iets zeggen?

Van Duinen hoeft niet lang na te denken. ‘Voor mij is dat de manier waarop we omgaan met de openbare ruimte, en specifiek de vergroening daarvan. Ik ben net vanuit Delfzijl hierheen gereden en kan mijn auto zo’n beetje op de Grote Markt parkeren. Dat is eigenlijk absurd. Alles is verhard en waar nog een beetje ruimte over is, staat een boompje.’ Groen zou het uitgangspunt moeten zijn, vindt hij, in plaats van een bijkomstigheid. ‘Maar als architect is het soms lastig om dat soort dingen in een ontwerp mee te krijgen. Het zou mooi zijn als je opdrachtgevers zou kunnen verplichten om een stukje openbaar gebied mee te laten ontwerpen bij de ontwikkeling van een gebouw.’

‘Als architectenbureaus moeten we tegen elkaar opboksen, maar we zouden het ook samen kunnen doen’ 

Gankema heeft een andere frustratie, meer gericht op de proceskant van haar werk. ‘Als ik iets zou mogen veranderen, is dat de manier waarop aanbestedingen werken. Die monden uit in een gekke concurrentiestrijd waarbij je als deelnemende bureaus niet met elkaar mag praten en vooral geen contact mag hebben met de mensen waarvoor je een ontwerp maakt. Terwijl je hun juist alles zou willen vragen. Je krijgt een programma van eisen waar je met de nodige moeite uit kunt halen wat de opdrachtgever wil – en wie dat het beste kan, krijgt de klus. Alle andere plannen gaan vervolgens de prullenbak in.’ 

‘En als je geluk hebt krijg je nog een kleine vergoeding’ vult Van Duinen aan. ‘Het zou veel beter zijn om dat geld voor die verschillende vergoedingen bij elkaar te schuiven, vijf architecten uit te nodigen die anders die wedstrijd met elkaar waren aangegaan en met hen in gesprek te gaan. De cultuur is dat we tegen elkaar moeten opboksen, maar we zouden het ook samen kunnen doen.’

Gankema: ‘Het vreemde is dat het bij die selecties ook direct om geld gaat. Liever zou ik eerst willen onderzoeken, aftasten wat iemand nu echt bedoelt en wat voor manieren je zou kunnen verzinnen om in die behoefte te voorzien. In aanbestedingen moet je die fase vaak overslaan. En als er eenmaal een schetsontwerp ligt, doe je ook niet meer die stap terug.’

Marwin van Duinen // Foto: David Vroom

Fantasieloze woningbouw als verdienmodel 

Ontwerpers spelen een belangrijke rol in de diverse grote, urgente vraagstukken waarvoor we op dit moment als maatschappij staan. De woningbouwopgave is er zo eentje. Architecten hebben daarin een duidelijke en vanzelfsprekende taak, maar moeten desondanks vaak vanaf de bank toekijken. Dat moet frustrerend zijn.

‘Ik vind dat de woningbouw, en in het bijzonder de sociale woningbouw, veel beter kan’, zegt Van Duinen. ‘We zitten hier vandaag in een pand waar heel veel geld in zit en dat ontzettend mooi gedetailleerd is. Maar veel woningbouw moet vooral goedkoop, klein en sober zijn. Waarom zit daar zoveel verschil in?’ De meeste woningen hebben een fantasieloze standaardplattegrond, daar zou hij graag verandering in brengen. ‘Het zou mooi zijn als je als architect de lucht en ruimte hebt om iets anders te bedenken, zoals je dat vaak wel hebt als je voor particulieren werkt. Dat je sociale huurders ook kunt verrassen als ze achter hun voordeur kijken.’

Gankema: ‘Woningen zijn gestandaardiseerde producten geworden, een soort verdienmodel. Uit fabrieken rollen prefab-huizen die weinig te maken hebben met de plek waar ze komen te staan. Misschien mag een architect af en toe eens de gevel bedenken. Ik zou veel liever al een stap daarvoor meedenken, over wat er überhaupt op een plek moet komen.’

Terwijl we op het vlak van woningbouw aanmodderen, raakt de bouwwereld langzaam doordrongen van een andere urgente opgave: die om duurzaam en circulair te bouwen. Gankema ziet in de praktijk dat daar verandering plaatsvindt. ‘Grote bouwbedrijven zeggen steeds vaker: we bestellen nu vast het materiaal, dan komt daarna het ontwerp wel. Dat is een hele omslag. Met natuurlijke bouwmaterialen als vlas en hennep kun je heel moderne gebouwen maken. Kwaliteit, maar dan veel duurzamer. Voor mijn gevoel is duurzaam bouwen niet langer een fantasie, het is echt gaande.’

‘Ook architecten doen aan greenwashing. We hebben vaak een mooi verhaal, maar uiteindelijk komt er toch weer een gebouw met een stalen skelet’

Towalski kijkt bedenkelijk. Gaat het echt zo voortvarend? ‘Ik heb het idee dat er toch vooral nog greenwashing wordt bedreven, ook door ons als architecten. We hebben vaak een mooi verhaal, maar uiteindelijk komt er toch weer een gebouw met een stalen skelet. Daar kan ik echt een beetje boos om worden. De urgentie komt van alle kanten op ons af, maar ondertussen blijven we op dezelfde manier doorgaan.’ Het helpt niet dat in de huidige regelgeving alles gericht is op nieuw: dat belemmert de ontwikkeling van duurzaam bouwen. En, voegt ze toe: als er nog weinig voorbeelden zijn, durven veel mensen niet. ‘Als opdrachtgever moet je moedig zijn om het anders te doen.’

Duurzaam willen bouwen moet vooral uit opdrachtgevers zelf komen, denkt Van Duinen. Maar vaak is het aan architecten om hen te overtuigen. ‘Circulair bouwen is onbekend – en een tikje duurder. Dat zijn obstakels. Het is overigens gek dat er subsidies voor zonnepanelen zijn, maar niet voor het gebruik van duurzame bouwmaterialen. Zoiets zou de keuze van opdrachtgevers kunnen beïnvloeden. Dan hoef je als architect mensen niet te overtuigen van de noodzaak.’ 

‘Ook op dit vlak zouden we meer kunnen samenwerken’, vindt Towalski. ‘Want elke architect loopt tegen dezelfde dingen aan.’ Het liefst zou ze soms de telefoon pakken en een collega van een ander bureau om advies vragen, geeft ze toe. ‘Bij zo’n architectuurtoneelstuk zou ik ook graag op bepaalde mensen willen afstappen en zeggen: “Vertel me hoe het moet, ik wil het ook zo doen!” Maar ik voel een drempel als het om kennis delen gaat. Architecten willen elkaar op de een of andere manier niet te dichtbij laten komen.’

Josien Gankema // Foto: David Vroom

Cultuurveranderaars

Als iemand iets zou kunnen veranderen aan het architectuurklimaat, zijn het wel de vertegenwoordigers van deze nieuwe generatie. Over een tijdje zijn zij de ervaren architecten. Blijft alles zoals het is of kan er een cultuuromslag komen? ‘Ik zou het heel mooi vinden als we meer zouden samenwerken, ook binnen projecten’, zegt Van Duinen. ‘We willen als architecten in Groningen toch allemaal mooie dingen doen?’

Gankema knikt. ‘Het liefst zou ik een cultuur zien waarin je elkaar gewoon kunt bellen. Zeker als het om zoiets als duurzaamheid gaat, om een hoger doel. Samen kun je daarin veel sneller iets bereiken.’ Ze denkt even na. ‘Maar misschien hebben wij wel een andere houding doordat we niet verantwoordelijk zijn voor een bedrijf dat geld moet verdienen.’

Als rolmodellen voor weer een volgende generatie architecten hebben Towalski, Gankema en Van Duinen een belangrijke functie. Binnenkort zijn zij misschien wel de personen waar architecten in opleiding naar opkijken. Wat zouden ze die mensen willen meegeven, gebaseerd op de ervaring die ze tot nu toe zelf opdeden?

‘Ik besef steeds meer hoe we de neiging hebben om vanachter onze computer van alles te bedenken’, zegt Gankema. ‘Maar we maken echte plekken. Steeds als ik op een bouwplaats loop, realiseer ik me dat. We maken onze ontwerpen bovendien niet voor onszelf, en ook niet voor ons bureau of voor de projectorganisatie, maar voor de mensen die zo’n gebouw straks jarenlang gaan gebruiken. Het is goed om dat te beseffen.’

Van Duinen: ‘Je moet je ontwerpen ook niet te persoonlijk maken, ze loskoppelen van jezelf en je ego. Voel je vrij en laat je niet weerhouden door reacties of kritiek. Als je dat doet wordt het makkelijker om iets te laten zien, mensen erop te laten reageren en je kwetsbaar op te stellen. En wat betreft de opleiding: luister goed en zoek mensen op die je kunnen helpen. Maar durf vooral eigenwijs te zijn. Volg je ideeën en wees niet bang ze te laten zien.’

Over deze interviewserie

De betiteling ‘jonge architect’ hou je minstens tot je veertigste, zei een inmiddels ervaren architect laatst tegen me. Wat ze bedoelde was dat het jaren duurt voor je jezelf als ontwerper bewezen hebt, voor je een noemenswaardig portfolio opgebouwd hebt. Met dat gegeven in ogenschouw kwamen veel mensen in aanmerking voor deze interviewserie. Toch wilde ik me specifiek richten op de jongste generatie: architecten die afstudeerden tussen 2021 en 2016. Juist hen horen we te weinig.

Elk gesprek in deze serie vindt plaats op een andere, specifiek gekozen locatie: een plek die gelinkt is aan een (nog) niet benutte kans. Bij elk interview droegen de architecten daarvoor zelf een thema aan.

De twaalf mensen die in deze reeks aan het woord komen, werken elk bij een ander bureau. Bij de samenstelling van de vier groepjes was het uitgangspunt dat de aan elkaar gekoppelde architecten elkaar niet of nauwelijks kennen. Zo was elk gesprek een kans om nieuwe verbindingen tot stand te laten komen, en slaan we met deze serie twee vliegen in een klap.