Vooruit: nog één keer over dat wonen

21 oktober 2021 Leestijd: 7 minuten

Half september werd in het kader van de Groninger Architectuurmaand een flink aantal prijzen uitgereikt. Hoewel de publieksjury twee woningbouwprojecten tot de winnaars rekende, waren de vakjury en de online stemmers minder woningbouwgezind. Ook tijdens voorgaande edities behoorde woningbouw slechts incidenteel tot de winnaars van de Groninger Architectuurprijs. Zelfs in het Hoge Noorden zitten we nu, als het om de woningbouwopgave gaat, toch echt in de problemen.

Natuurlijk voert de huidige wooncrisis verder dan de kwaliteit van projecten en de prijzen die ontwerpers, opdrachtgevers of bouwers ermee kunnen verdienen. Maar alleen al het feit dat we nog voornamelijk in kwantitatieve zin over woonruimte nadenken, doet vermoeden dat we het maar beter over de aard en het niveau van onze oplossingen kunnen hebben: juist daarom moeten we ons richten op ambities, samenhangend beleid en een hoogwaardige, duurzame aanvliegroute voor de woningbouwopgave.

Gelukkig komt er steeds meer informatie vrij over het karakter en de omvang van de crisis, informatie die een relevant perspectief op het vraagstuk afdwingt. Durven we eindelijk eens de juiste vragen te stellen?

De hoeveelheid woonruimte lijkt bijvoorbeeld eigenlijk helemaal geen kwestie te zijn. Er is weliswaar behoefte aan woningen, maar we weten ook dat Nederland tot de koplopers behoort als het gaat om de hoeveel beschikbare woonruimte per hoofd van de bevolking, zeker als we die vergelijken met landen om ons heen. Als we vanuit die bril de beschikbare ruimte eens naast de opgave leggen, blijkt er in de bestaande voorraad nog ruimte om drie miljoen mensen te huisvesten.

Precies. Drie miljoen! Woningen hebben we dus wellicht nodig, maar woonruimte blijkt er voldoende te zijn.

In het verlengde daarvan hoeven we ook nauwelijks debat te voeren over het type woonruimte dat we in alle drukte aan de woningmarkt blijven toevoegen: de eengezinswoning. We weten immers dat er binnen afzienbare tijd een behoorlijke hoeveelheid eengezinswoningen zal vrijkomen, terwijl de generaties die na ons komen minder van dat soort woningen nodig zullen hebben.

We hebben zo’n belachelijke hoeveelheid woonruimte gecreëerd dat we van gekkigheid niet meer weten hoe we die moeten verdelen

Op dit moment houdt een gepensioneerde lichting een ontstellende hoeveelheid woonruimte ‘bezet’. Dat is op zich, binnen onze democratische orde, niet erg – het is iedereen van harte gegund, maar erg praktisch is het inmiddels in ruimtelijke zin niet meer. En, hoe morbide het ook klinkt, die ruimte komt binnen afzienbare tijd vrij. We kunnen niet anders dan constateren dat we voldoende gezinswoningen hebben, zeker voor zover we de lange termijn nu kunnen inschatten.

Die grote hoeveelheden eensgezinde woonruimte zorgen er overigens ook voor dat wonen duur is. In het debat over de wooncrisis gaat het vaak over gestegen woonlasten en het feit dat bouwen op dit moment zo ontzettend duur is. Maar als we deze kwestie ook eens in de context van de vierkante meters plaatsen, kunnen we er niet omheen dat wonen in de afgelopen eeuw voortdurend goedkoper is geworden.

De lonen zijn structureel veel harder gestegen dan de huren, maar we hebben deze lastenverlaging in omgekeerd evenredige zin gecompenseerd door onszelf steeds meer meters toe te eigenen, waardoor we ons ‘woonvoordeel’ per saldo hebben veranderd in een nadeel. Een beetje dat verhaal van die zuinige douchekop…

Als we deze informatie, die gelukkig steeds meer weerklank vindt, op een rij zetten, krijgt de situatie licht gênante trekken. Het is toch eigenlijk blasé, zeker ten opzichte van minder bedeelde regio’s in de wereld, in Europa zelfs, om van een crisis te spreken? We hebben zo’n belachelijke hoeveelheid woonruimte gecreëerd, dat we van gekkigheid niet meer weten hoe we die moeten verdelen, of wat we ermee moeten doen. ‘Oplossingen’ blijven zich echter richten op de aandrang van de bouwlobby: geld en ruimte erbij, snel! Ze weerhouden ons er waarschijnlijk van om de juiste vragen te stellen.

Dat de noodzaak tot ‘meters maken’ ons belet om de juiste vragen op het niveau van de opgave te stellen, bleek onlangs maar weer eens bij de Algemene Politieke Beschouwingen – die, net als andere jaren trouwens, weer opvallend weinig beschouwend waren. Het is frappant om te zien hoe eenzijdig de opgave wordt benaderd, hoe we onze koppen het liefst nog net iets verder het zand in steken, zodat we de brede samenhang van het vraagstuk niet in ogenschouw hoeven te nemen. Miljardje erbij, een minister van Wonen, bouwen zonder vergunning; op onderdelen zijn het vast allemaal zinvolle initiatieven, maar we gaan wat we nu een ‘crisis’ noemen er niet mee oplossen. Dat we onze steden er (onherstelbaar) mee beschadigen, ligt meer voor de hand.

Misschien is deze gang van zaken minder opmerkelijk dan we denken. Na een dik decennium waarin we de ruimtelijke ordening samen met een groot deel van de culturele infrastructuur tot op de grond toe afbraken, is het vrij logisch dat we grote maatschappelijke opgaven niet meer als zodanig herkennen en vervolgens blijven denken in deeloplossingen voor deelopgaven. We kunnen de grote complexe vraagstukken moeilijk aan, omdat het geheel van antwoorden nooit zomaar meer wordt dan een optelsom.

Als in een soort geheime missie van een intelligence-organisatie hebben we ons vakgebied gecompartimenteerd; we hebben het opgehakt in kleine, behapbare brokjes opgave, waarvoor we onafhankelijk van elkaar eenvoudige oplossingen kunnen zoeken. Lekker overzichtelijk, voor de deelopgaven vast ook een fijn vertrekpunt. Afvinklijstjes.

Maar, zoals ik al eerder naar Theo Maassen verwees: ‘oplossingen zijn het probleem niet.’ Vaak wordt het pas opletten als de samenhang met andere vraagstukken aan de orde komt, de relatie met andere ruimtelijke opgaven, of als er een visie nodig is op overstijgende ruimtelijke opgaven, die alle deelbelangen en betrokkenheid overtreft.

Alleen al het feit dat iedereen het over een wooncrisis heeft, geeft aan dat er nog een lange weg te gaan is. Er is geen wooncrisis, er is een crisis in de ruimtelijke ordening

Ik weet het, iets met een visie en een olifant. Het is aan dit kabinet klaarblijkelijk niet besteed, zelfs niet nu al lang en breed duidelijk is dat dit probleem zich niet tot de ruimtelijke ordening beperkt. Maar ik zal u een opsomming van meer saillante voorbeelden besparen. Die hebben we, zelfs zonder corona, ondertussen genoeg over ons heen gekregen.

Dat de visie-olifant ons nu keihard (en met een glimlach vermoed ik) in het gezicht toetert, wordt uiteraard op de juiste niveaus nauwelijks ervaren; daarvoor zit de kop te diep in het zand en is het ruimtelijk veld in te enge stukjes opgedeeld.

Intussen is inherent aan de opgave dat deze niet wordt herkend. Een minister van Wonen, ja! Laten we de woningbouwopgave afzonderen van alle andere ruimtelijke vraagstukken, dat heeft ons in het afgelopen decennium veel opgeleverd! Hier wreekt zich de ontmantelde ruimtelijke ordening, de intelligence agency waarvan we de directeur naar huis hebben gestuurd. Ruimtelijk ontwerpen is onderzoek doen – in de kern heeft ontwerpen althans een onderzoekend karakter. Het is veelzeggend dat we in ons vakgebied het opdoen en uitwisselen van kennis en informatie lijken te zijn kwijtgeraakt, juist in een periode dat we over kenniseconomie zijn gaan spreken.

Alleen al het feit dat iedereen over de wooncrisis blijft praten en schrijven, geeft aan dat er nog een lange weg te gaan is. Er is geen wooncrisis, er is een crisis in de ruimtelijke ordening.

Bij de aftrap van de manifestatie Bouw Anders, afgelopen september in Forum Groningen, waren de initiatiefnemers en curatoren er glashelder over: alles moet anders. Wat een verademing, dat het woord ‘alles’ werd gebruikt. Natuurlijk schoten er in verschillende hoeken van de zaal mensen in de kramp, vanwege het gevaar dat we opeens alles tegelijk moeten oplossen. Een teken des tijds, zullen we maar zeggen.

Het is juist andersom. Om een echt zinvolle bijdrage te leveren aan de woonmilieus van de toekomst, zullen we onze vakoverstijgende en integrale brillen weer moeten afstoffen, en snel ook! Wat inspirerend dat Groningen het weer aandurft om de kont tegen de krib te gooien, als het om de woonopgave gaat. Met de woontraditie zoals die in de anderhalve eeuw in Nederland gestalte heeft gekregen, zou dat eigenlijk overal zo moeten zijn.

Ik kijk enorm uit naar de resultaten van de manifestatie. En als dan werkelijk alles anders moet… zullen we dan misschien op zoek naar een net iets andere titel, om die aardappelzweem er een beetje af te krijgen?

***

Foto: Silvio Zangarini