Longread

We rijden het landschap én onszelf voorbij

Een pleidooi voor het heruitvinden van plattelandswegen

Tekst:
Beeld:
Leestijd: .

De wegen in Noord-Groningen, ontworpen als snelste route van A naar B, zorgen in veel dorpen voor overlast. Wat als we niet alleen die hinder kunnen wegnemen, vraagt Daniël Craanen zich af, maar er zelfs voor kunnen zorgen dat de wegen bijdragen aan het verbeteren van de leefbaarheid?

Het begint met een dof gerommel in de verte. Snel komt het dichterbij. Mijn Groninger meeuwen zetten zich schrap, de kopjes rinkelen in de kast. De vloer maakt van schrik een sprongetje. Is het een aardbeving? Dat zou hier natuurlijk zomaar kunnen. Nee, het is ‘slechts’ een flinke tractor. Dagelijkse kost hier, in het kleine Schouwerzijl.

Het dorp heeft er de mond vol van: het landbouwverkeer. Ze rijden te hard, te asociaal. Regelmatig zitten de bestuurders op hun telefoon te kijken. Maar met het overige verkeer is niet veel beter. Wanneer de zon zich laat zien, verschijnen er lawaaierige motoren op de dijk. ‘s Nachts vliegen de auto’s zowat over de brug bij het sluisje. Op straat spelen, zoals in de autoluwe jaren-negentig-woonwijk waar ik opgroeide, is er voor de kinderen van de buren niet bij. En vorig jaar is hun kat overreden.

Er wordt dan ook volop gediscussieerd over een oplossing. 'Drempels!', roept de één. 'Nee, flitspalen!', roept de ander. Niet alleen zijn dat ronduit ontsierende ingrepen, ze zijn ook nog eens reactionair. Ze pakken alleen het gevolg aan en niet het probleem zelf: de wegen.

Op het platteland zijn wegen, net als elders, vooral ontworpen als de snelste route van A naar B. Maar misschien is het tijd om ons af te vragen of dat nog wel de prioriteit moet hebben, specifiek hier in Noord-Groningen. Wat als we niet alleen de hinder kunnen wegnemen, maar er zelfs voor kunnen zorgen dat de wegen – die we dagelijks gebruiken – bijdragen aan het opkrikken van de alsmaar afnemende leefbaarheid?

DE WILDE WEG NAAR WINSUM

Licht geërgerd en flink opgeschud sta ik op: het is tijd om richting Winsum te gaan voor boodschappen. Ik start de motor van mijn auto en na amper honderd meter ben ik Schouwerzijl al uit. Zo klein – het dorp heeft nog geen honderd inwoners – heb je maar weinig dorpjes hier. Toch zijn bijvoorbeeld Hornhuizen, Stitswerd en Niehove vergelijkbaar. Vaak lopen ze tegen hetzelfde probleem aan.

Voor me strekt de kronkelige dijkweg zich uit. De zon staat achter me, waardoor ik de molens en het kerktorentje van Winsum al goed kan zien. Aan de horizon ontwaar ik zelfs een aantal flatgebouwen in de stad, ongeveer 15 kilometer verderop.

Die weidsheid wordt vaak aangehaald als de kracht van dit landschap, maar het zorgt er ook voor dat je verkeer al van ver kan zien aankomen. Als je hier een beetje bekend bent, weet je precies waar de bochten liggen en hoe (snel) je er het beste doorheen kunt. Dat betekent voor velen: ongehinderd gas geven. Niet iedereen kan het even goed inschatten: regelmatig vliegen er auto’s in de sloot. Een paar weken terug nog lagen er bij de kruising die nu voor me ligt twee in de kreukels.

Maar nu rijd ik stapvoets. Er wordt aan de weg gewerkt. Toepasselijk, denk ik, net nu ik dit artikel schrijf. Een moeder wurmt zich met haar bakfiets ongemakkelijk langs een graafmachine. Ze zwaait vriendelijk naar de werkmannen. Het bord in de berm, dat automobilisten sommeert maximaal 60 kilometer per uur te rijden, had er onder normale omstandigheden net zo goed niet kunnen staan. Weggetjes als deze zijn namelijk niet alleen geliefd om hun landelijke charme, maar ook omdat ze uitstekende sluiproutes bieden. Voertuigen komen zo met een flinke vaart bij de dorpjes aan.

Enkele minuten later slinger ik langs het Winsumerdiep. Langs de weg groeien verweesde meidoorns. Hun takken reiken alle kanten op, op zoek naar hun verdwenen kameraden. Vroeger waren de struiken deel van een stevige, oeroude heg. Van die heggen waren er heel veel, maar stukje bij beetje zijn ze allemaal omgehakt en uitgegraven: ze waren hun nut als afrastering of grensmarkering kwijtgeraakt.

Ter hoogte van de Batenborg komt een tractor me tegemoet. Hij remt niet af, en ik ook niet, onze rechterbanden ratelen over de stroken grasbeton aan weerszijden van het asfalt. We passeren elkaar rakelings. Kom je een auto tegen, in plaats van een landbouwvoertuig, dan is het vaak een game of chicken: het recht van de sterkste bepaalt wie van de weg af gaat. In geen geval is het een prettige ervaring en elke keer verlies je er weer een beetje waardering voor je medemens door.

Omdat de machines steeds groter worden, worden veel wegen verbreed. Dat gaat boven alles, ook bij het zo pittoreske nabijgelegen Aduarderzijl. Het herstel van deze bijzondere plek is op veel manieren goed gegaan – zo ben ik erg te spreken over de schaapjes op de dijk. Maar de iconische kronkelweg over de sluizen heeft tot mijn verdriet wel aardig wat van zijn speelse oorspronkelijke karakter moeten inleveren.

In Winsum mag ik 30, maar de nieuwe wegindeling fluistert: 'Je kan hier écht wel 50'

Vlak voor Winsum slalom ik tussen de Pieterpad-wandelaars door. Dat ze over de weg moeten is bij deze etappe eerder regel dan uitzondering: er zijn vrijwel geen onverharde stukken. Over boerenland lopen mag vaak niet. Ik kan me niet voorstellen dat de wandel-ervaring veiliger of leuker wordt door het verbreden van de wegen. De organisatie achter de route lijkt dat sentiment te delen: ze overwoog een paar jaar geleden de wierde van Oostum te passeren vanwege de herinrichting van de weg.

In Winsum aangekomen word ik door een bord gedwongen langzamer te rijden. Hier mag ik 30, maar de nieuwe wegindeling fluistert: 'Je kan hier écht wel 50.' De vuilnisbakken van de woonbootbewoners zijn volgeplakt met stickers die je smeken dat niet te proberen. Aan de andere kant van de weg heet een weinig subtiele uitbreiding van het industrieterrein je welkom.

Lelijk is de route zeker niet. Dat zou ik nooit zeggen over deze plek: er is een reden waarom ik hier woon en me er thuis voel. Maar om te zeggen dat ik overspoeld door enthousiasme bij de Albert Heijn parkeer, dat niet. De samenhang en balans voelen zoek. En toch doen we steeds maar weer hetzelfde.

INSPIRATIE DICHT BIJ HUIS

Om inspiratie op te doen, te zien hoe het anders kan, hoef je niet ver te rijden. Een half uurtje naar het zuiden is al genoeg. In Noordlaren woont David van der Kellen, bestuurslid van de Stichting Landelijk Gebied Haren. Zijn huis staat langs een oude zandweg die geflankeerd wordt door hoge bomen waar de wind zachtjes doorheen ruist. Het vormt een passende omlijsting voor deze charmante, landelijke plek.

'Ja, mensen vinden het hier mooi!', bevestigt Jan Wittenberg, collega-bestuurslid van Van der Kellen. 'Dat zit ‘m in het idee dat dingen met elkaar samenhangen. Dat de bomen één logisch geheel vormen met de weg en de sloten erlangs. En met de bosjes, de boerderijen die er nog staan en de open uitzichten. Die schoonheid en de mogelijkheid dat te beleven, dat doet iets met mensen.'

Wittenberg en Van der Kellen zitten al tijden in het bestuur van de stichting, respectievelijk als secretaris en penningmeester. Met verve zetten ze zich in voor het behoud en de promotie van zandwegen zoals deze in het gebied van de voormalige gemeente Haren – waar ook Noordlaren toe behoort. Ze worden daarin bijgestaan door een groep inhoudelijk sterke adviseurs en ondersteund door vele betrokken inwoners.

Wittenberg vertelt over de oude karrensporen die nog herinneren aan hoe mensen zich hier verplaatsten – van noord naar zuid – en de karakteristieke ladderstructuur van de wegen in de dorpen. Ze herinneren aan hoe mensen hier vroeger samenleefden. Buiten komt ondertussen een gestage stroom wandelaars voorbij – ook hier Pieterpad-lopers. Zij hoeven hier niet constant over hun schouder te kijken. De weg is van hondenbezitters, hardlopers en ruiters. De weinige auto’s die er rijden, toeteren niet en drukken mensen niet de berm in. Bestuurders wachten simpelweg even of blijven stapvoets rijden. 'Totdat die ene hardloper met z’n koptelefoon op voelt dat er iets achter ‘m zit en zich plat schrikt', grinnikt Van der Kellen.

Zelf kom ik hier ook vaak om te wandelen, net als in het nabijgelegen Glimmen. Wanneer ik daar na een rondje kuieren eindig bij dorpsbakkerij Stoet, en de vele stoffige wandelschoenen en ontspannen gezichten zie, besef ik dat deze wegen iets bijzonders hebben: je kardemombroodje en kruidencacao haal je hier om na te genieten van een fijne middag, niet om bij te komen van een bijna-doodervaring. Zo zorgt deze omgeving, naast een prettig gevoel, ook voor brood op de plank bij lokale ondernemers.

ROMMELIG MAAR DOELTREFFEND

Die recreatieve en economische voordelen van dit soort landwegen zijn wat je opvalt als bezoeker. Het zijn leuke bijkomstigheden, maar geen redenen om asfaltwegen helemaal over de kop te gooien. Tenminste, zo zou je kunnen redeneren als je hier niet woont, of de situatie alleen oppervlakkig beoordeelt.

Maar de impact van dit soort wegen gaat veel verder. Hoe simpel ook, ze zijn enorm veelzijdig. Het sleutelwoord daarbij: verbinding. Niet tussen de ene en de andere plek, maar alles onderling; mensen, natuur en de leefomgeving. En dat heeft alles te maken met het karakter van een zandweg. Zandwegen dwingen je om te vertragen en brengen daardoor de leefomgeving dichterbij, maken deze letterlijk tastbaar.

De inrichting van de weg zorgt er bijvoorbeeld voor dat mensen vanzelf met elkaar in gesprek raken. 'Het schelpenpad ernaast is erg smal', wijst Van der Kellen. 'Sommige mensen willen graag dat het verhard en verbreed wordt. Maar nu stappen oudere mensen af om elkaar erlangs te laten. Ze raken dan vaak aan de praat. Dat is toch prachtig?'
Wittenberg ziet datzelfde ook vaak gebeuren als er een span met paarden langs komt: 'Dat zien ze in de stad niet. En omdat ze dan toch stilstaan, maken ze een praatje met elkaar.'

Door het geleefde karakter van zo'n weg worden mensen bovendien gedwongen om (samen) zorg te dragen voor de toegankelijkheid ervan. Wittenberg en Van der Kellen moeten regelmatig in gesprek met hun buren, vertellen ze. Over kleine werkzaamheden zoals het snoeien van een heg, maar ook grotere opgaven worden samen opgepakt. Zo verving Wittenberg met zijn buren de duikers langs de weg waar hij woont. 'En als een gat écht te diep wordt, vul je dat zelf.' Hij haalt z’n schouders op. 'Want je weet dat het dé manier is om de boel hier met elkaar allemaal een beetje begaanbaar te houden.'

Waar een goed onderhouden asfaltweg voor zowel mens als dier het einde van de leefomgeving is, is een rommelige zandweg juist een verlengstuk ervan

Zandwegen bieden levendigheid, maar trekken ook leven aan: voor dieren en planten zijn ze erg belangrijk. 'Bijen maken er nesten, zeker in de middenbermen, waar die nog bestaan', schetst Wittenberg. 'Adders en reptielen zitten er graag, omdat het zand als eerste opwarmt. En die worden hier niet platgereden.' Ook zijn er allerlei bijzondere planten, zoals kardinaalsmuts, die hij op de Onneresch vond: 'De zaadjes daarvan, die komen gewoon aanwaaien.' Maar, stelt hij: 'Die zaadjes, die verscheidenheid, die moet wel een kans krijgen.'

Daar heeft hij een punt: bijna alle voordelen van zandwegen zijn gekoppeld aan het feit dat ze een beetje rommelig zijn. Slecht onderhouden, zou je zeggen, als je er louter door die bril naar kijkt. Wittenberg: 'Dat er kuilen in de weg zitten, is niet zo erg, dan rijden de auto’s minder hard.'
'De NRC-bezorger, die komt niet meer, want die is zijn bumper kwijtgeraakt', vult Van der Kellen grinnikend aan. 'Maar sluipverkeer schrikt het in elk geval af.'

Sommige aanwonenden vinden het onaangeharkte karakter van hun zandweg maar onhandig. Maar die zijn in de minderheid. Van der Kellen: 'Er zijn hier ongeveer 25 huizen, drie of vier daarvan willen graag asfalt.'

Waar een goed onderhouden asfaltweg voor zowel mens als dier het einde van de leefomgeving is, is een rommelige zandweg die met rust gelaten wordt juist een verlengstuk ervan. En dat brengt veel voordelen met zich mee. Het stelt niet alleen bezoekers, maar bovenal ook bewoners in staat een persoonlijke band met hun gebied en gemeenschap op te bouwen. Niet zo gek dus dat veel mensen, al dan niet per ongeluk, een diepgewortelde interesse ontwikkelen in de aspecten daarvan – of het nou om het landschap, de flora en fauna of de geschiedenis gaat.

VERZAND IN BUREAUCRATIE

Hoewel het rommelige, bijna anarchistische karakter van zandwegen iets lijkt dat bevorderd zou moeten worden, blijkt het behoud van dit soort wegen lastig. Laat staan dat er meer van aangelegd worden. Ooit was het netwerk van zandwegen veel fijnmaziger, weet Wittenberg. 'Eigenlijk is nog maar 20 kilometer écht zandweg in de gemeente Groningen.' Net over de grens maakt ook Natuur- en Milieufederatie Drenthe zich daar zorgen om.

Dat zandwegen onder druk staan, komt deels doordat individuele landeigenaren er niet om geven. Die trekken ze bij hun land, of verstevigen ze, bijvoorbeeld met puin. Maar bovenal heeft de lokale overheid er een belangrijke rol in.

Allereerst ontbreekt het aan gedetailleerde kennis, het soort dat je alleen kan verwerven als je jarenlange ervaring hebt op een specifieke plek. Volgens Wittenberg en Van der Kellen is het in hun gebied grotendeels verloren gegaan bij de gemeentelijke herindeling en de bijbehorende schaalvergroting.

Daarnaast is er veel controledrift: onder het mom van achterstallig onderhoud ‘repareerde’ de nieuwe gemeente een aantal zandwegen. Dat deden ze met grote grijpers en tientallen kiepwagens vol nieuw zand. Ánder zand. Het resultaat: je kon er niet meer goed overheen fietsen of wandelen en ook de landschappelijke inbedding leed eronder. Door het herstel van de wegen – en het daarmee toenemende recreatieverkeer, dat in een vicieuze cirkel weer meer onderhoud oplevert – verdwijnen bijvoorbeeld de ecologisch zo waardevolle middenbermen.

Ook vinden overheden het vaak lastig om integraal te werken, en om de samenhang en de complexiteit die zandwegen zo succesvol maken, te waarderen. Dat betekent dat de kennis die er is, versnipperd raakt over verschillende afdelingen – die niet goed met elkaar communiceren.

'Recentelijk werden, nota bene met overheidssubsidie, bermen ingezaaid', vertelt Wittenberg. 'Niet lang daarna werden die door diezelfde overheid weer platgemaaid. En niet één, maar vijf keer!' Hij is zichtbaar gefrustreerd. Zowel Wittenberg als Van der Kellen zien hierin bevestiging dat er veelal op rigide wijze, volgens vaste processen en vanuit starre rapporten wordt gewerkt aan vanachter een bureau gemaakte plannen.

Tot slot gaat ook de interactie met bewoners moeizaam. Die zijn begaan met de zandwegen en hebben vaak veel kennis. Je zou zeggen: daar moet je mee samenwerken. Maar Van der Kellen en Wittenberg zien dat nauwelijks gebeuren. 'Ze worden daar een beetje bang van, denk ik', peinst Van der Kellen. 'Het is maatwerk', weet hij. 'Je moet doorlopend met mensen in gesprek en telkens weer keuzes maken die niet bij iedereen goed vallen.'

Want ook onder bewoners is er volop discussie over de beste aanpak. Zo wil Wittenberg bijvoorbeeld dat meer wegen afgesloten worden voor gemotoriseerd verkeer, terwijl Van der Kellen dat niet nodig vindt. Wil je zulke gesprekken aangaan, zonder draaiboek of regels om je achter te verschuilen, dan kan dat oncomfortabele situaties opleveren. 

Bij het heruitvinden van de wegen boven de stad Groningen zullen de uitdagingen ongetwijfeld nét anders zijn. Maar uit eigen ervaring weet ik dat de denk- en werkwijzen die zulke problemen veroorzaken hier wel vergelijkbaar zijn. Ook daar zullen we dus moeten oppassen dat goede bedoelingen niet eindigen in precies dezelfde bureaucratische reflexen. 

HOE ZOU HET KUNNEN ZIJN?

Als ik bij de supermarkt in Winsum in de auto stap voor de terugweg, stel ik me voor hoe de route eruit zou zien als die meer het karakter van een zandweg zou hebben, gebruik makend van wat er al is.

De bebouwde kom ben ik al snel uit, maar optrekken is er niet bij. De weg is smal, twee auto’s kunnen elkaar hier niet passeren. Het wegoppervlak bestaat uit niet al te best onderhouden betonplaten. Wanneer zo'n plaat er echt aan toe is, is deze makkelijk en goedkoop te vervangen. Nu groeien plukjes gras tussen de scheuren door. Als ik harder dan 40 rijd, trilt mijn auto praktisch uit elkaar. Dus ik kachel rustig naar huis. Wie haast heeft, pakt de N-weg maar. 

Hier rijden is in ieder geval geen straf, het is een prachtige rit. De wegen volgen de oevers van voormalige prielen en kreken. Die waren hoger en daarmee droger dan het omliggende land. De daarmee ontstane kronkeligheid wordt geaccentueerd door het smalle profiel van de weg. Zo zijn de wegen in dit eeuwenoude cultuurlandschap een belangrijke herinnering aan de roemruchte ontstaansgeschiedenis ervan: aan het komen van het getij, van het wad tot aan de stad, het samenwerken met én strijden tegen het water om dit eens ruige gebied bewoonbaar en welvarend te maken. Ook de mooie, volle heggen die aan weerszijden groeien, dragen daaraan bij.

Alles bij elkaar is de weg nét breed genoeg om een landbouwvoertuig de kans te geven zich er tussendoor te wurmen. Vanuit de begroeiing klinkt het gekwetter van allerlei soorten vogels die zich tegoed doen aan de rode besjes.

Aan de andere kant van de haag loopt een halfverhard pad. Het verkeer rijdt al niet erg hard, maar zo voelen wandelaars zich nog eens extra veilig. Twee mensen komen me tegemoet, ze zwaaien naar me over de heg. Met een kleine omweg lopen ze naar de Batenborg, die ze in alle rust kunnen bewonderen.

Het is dan misschien nog steeds geen onverhard pad, maar de Pieterpad-ervaring is door het aantrekkelijke landschap en het feit dat je niet bang hoeft te zijn om overreden te worden toch beduidend beter. De enige plekken waar wandelaars nog voorzichtig moeten zijn, is ter hoogte van passeerplaatsen. Die zitten vooral bij de ingangen van weilanden en akkers – plekken waar de heg van nature toch al onderbroken wordt.

Even later moet ik zelf van zo'n uitwijkmogelijkheid gebruik maken: een andere auto komt me tegemoet. Dat gebeurt al een stuk minder vaak dan eerder, aangezien de weg nu veel minder interessant is als sluiproute. De passeerplaats zit aan mijn kant van de weg, hij wordt duidelijk aangegeven met een bordje – een ingreep die wél nodig was. Dat betekent: het is aan mij om opzij te gaan. Soms kan het zijn dat in zo'n situatie één van de twee auto's een stukje achteruit moet rijden, maar dat hoort bij het platteland.

Zodra ik me tussen de heggen genesteld heb, sein ik met mijn koplampen naar de andere bestuurder. Wanneer hij me passeert, zwaait hij vriendelijk. Het is maar een kort moment, maar het draagt toch bij aan een gevoel van saamhorigheid: samen zorgen we er wel voor dat het goed komt.

Ik tuf verder, langs de kruising. Een mooi vormgegeven wegwijzer wijst me richting de dijkweg – het laatste stukje voor ik thuis ben. Maar voordat ik daar kom, moet ik nog twee keer wachten. Eerst kom ik 'vast te zitten' achter een fietser. Daarvan zijn er nu veel meer, sinds de weg z’n nieuwe inrichting heeft gekregen. Eigenlijk een heel fijne ontwikkeling, bedenk ik me – en wat kost het me nou écht aan tijd?

De weg is niet langer een noodzakelijk litteken in het landschap, maar juist een inspirerende plek waar alles samenkomt

Zodra het kan, gaat de vrouw op de fiets opzij, en kan ik weer door. Maar even verderop komen we elkaar alweer tegen: een rijtje koeien steekt loom de weg over. Pas op, er kan nog een koe komen, verwittigt het bordje bij het veerooster me. Tegenwoordig zijn dit soort oversteekplaatsen een onderscheidend onderdeel van het landschap. Ik knik naar de fietser die naast me staat, zij glimlacht terug. Dat in echte shared spaces veel minder ongelukken gebeuren, zoals onderzoek uitwijst, geloof ik op basis van deze ervaring meteen.

Terug in Schouwerzijl heeft de rit me misschien vijf minuten meer gekost dan vroeger. Afremmen hoefde nauwelijks, echt veel vaart had ik toch al niet. Ook hier rammel ik weer over een veerooster, voorzien van een bordje dat me waarschuwt voor schapen op de weg. Ik parkeer mijn auto op de parkeerplaats bij de ingang van het dorp en kuier ontspannen naar huis.

De schaapskudde komt net over de brug bij het sluisje. Een tractor pruttelt er langzaam achteraan en stopt even als het dochtertje van de buurvrouw oversteekt om een van de dieren te aaien. Ik zwaai naar de boer. Erg praktisch is het voor hem niet, maar ook hij houdt van dit landschap. Bovendien gunt hij anderen ook wat, daarom koestert ook hij deze smalle weggetjes. Wel heeft hij – heel praktisch – een simpel landweggetje aangelegd van zijn boerderij naar die van zijn broer, even verderop. Dorpelingen mogen het ook gebruiken om een ommetje te maken.

Om te voorkomen dat de schapen de voortuinen leegknabbelen, staat voor elk huis een houten hekje of een dikke meidoornhaag. Die versmallen de weg ook nog eens optisch, wat nóg weer een reden is om langzamer te rijden. Ze zijn geplaatst met subsidie van de gemeente: die bespaart nu immers op het onderhoud van de weg, én het is enorm goed voor de biodiversiteit. Onder mijn heg woont sinds kort een egelfamilie.

En: het pittoreske tafereel trekt bezoekers aan. Een groep toeristen stapt van hun fiets om foto’s te maken van het schouwspel bij de brug. De buren hebben hier slim op ingespeeld: ze doen met hun theetuin, die een perfect uitzicht biedt, goede zaken. Zo is er weer een bepaalde mate van levendigheid in het dorp ontstaan. Gelukkig niet te veel: tourbussen komen hier niet, want die mogen geen gebruik maken van de smalle, kronkelige weggetjes. Zij moeten parkeren in Winsum, waar huurfietsen, kano’s en fluisterbootjes te vinden zijn bij andere lokale ondernemers.

Ik loop door mijn poortje, gooi wat korrels naar mijn kippen, ga met een kop thee op de bank zitten en kijk tevreden terug op mijn reis naar huis. Alles versterkt elkaar op deze alledaagse route. De weg is niet langer een noodzakelijk litteken in het landschap, maar juist een inspirerende plek waar alles samenkomt.

DE TRAGE WEG NAAR VERBETERING

'Je moet het niet romantiseren', waarschuwde Jan Wittenberg nog, bij ons afscheid in Noordlaren. Hij bedoelde daarmee te zeggen dat er ook nadelen aan zandwegen kleven, zoals de eerder genoemde begaanbaarheid en het comfort voor automobilisten.

En ook aan mijn scenario zitten allerlei haken en ogen. Heggen kunnen slecht zijn voor weidevogels, zo legde een boer in Dorkwerd me uit: roofdieren vinden er een goede schuilplek. En ambulances hebben veilige aanrijroutes nodig.

Niet alles hoeft te zijn zoals het ooit was. Als iets van toen nu niet meer past, moeten we er niet in blijven hangen. Zeker niet in Noord-Groningen, waar ‘verbetering’ de afgelopen jaren juist de leefbaarheid en welvaart van kleine dorpjes heeft beperkt. Maar: we kunnen wel leren van en inspiratie putten uit het verleden. Behoud wat goed is, pas aan waar nodig en voeg nieuwe ontwikkelingen of ideeën toe als die het beter maken.

Als het ervoor zorgt dat mensen met elkaar in gesprek raken, de kinderen van de buren veilig kunnen spelen, de hazen onbezorgd kunnen oversteken, het landschap er mooier en toegankelijker van wordt, het gevoel van eigenwaarde en trots onder inwoners groeit en het ook nog eens kansen biedt voor lokale ondernemers, dan is een vleugje romantiek misschien juist precies wat we nodig hebben. Ja, het zorgt ervoor dat je iets moeilijker van A naar B komt, en de supermarkt komt een paar minuten verder weg te liggen. Maar het brengt een gezonde gemeenschap en leefomgeving voor mens en natuur een stuk dichterbij.

Daarin hebben we nog wel een weg te gaan. Het betekent allereerst dat de lokale overheid anders moet gaan denken en handelen. Korte lijntjes tussen afdelingen zijn noodzakelijk, net als deskundigheid die geworteld is in het hebben van kennis van, ervaring met én hart voor een zaak. Mensen met die talenten moet je zelf in huis weten te krijgen en vervolgens koesteren, benadrukte Wittenberg tijdens mijn bezoek aan Noordlaren.

Dat vraagt om bestuurlijke moed en om een cultuurverandering: om een veilige omgeving waar mensen in mogelijkheden mogen durven denken en elkaar zowel binnen als buiten kunnen opzoeken. Waarin je vragen kan stellen, interesse kan tonen, fouten kan maken. En waarin ambtenaren zich niet meer verschuilen achter veiligheidseisen, standaardprocedures en onderhoudsboekjes.

Omarm daarbij het ongemak en het onvoorspelbare proces. Wees pragmatisch en wendbaar en zoek niet steeds naar controle. Benut de diepgaande kennis en het enthousiasme van bewoners, en geef ze het vertrouwen om zelf bezig te gaan. En bied ook de natuur de ruimte. Want: een ‘nette’ weg is doods, een ‘rommelige’ biedt kans tot (samen)leven.

En moet je als overheid toch ingrijpen? Neem mensen dan écht mee in de plannen. Geen plichtmatige participatieprocessen of zoethoudertjes, maar oprechte interesse in gevoelens, in zorgen en dromen. Andersom geldt dat natuurlijk ook: bij inwoners ligt een verantwoordelijkheid om zich constructief op te stellen. 'Het valt of staat met onderlinge relaties', vatte Jan Wittenberg het samen. Negeer je dat, dan eindigt de rit beslist in de sloot.