31 oktober 2019 Door Leestijd: 4 minuten

Als magazine dat over ruimtelijke thematiek in Groningen publiceert, kun je natuurlijk niet om je eigen stadsbouwmeester heen. We zijn dan ook blij te mogen aankondigen dat Jeroen de Willigen in zijn rol als stadsbouwmeester (en creatief directeur van De Zwarte Hond) vanaf nu op deze plek via een column met enige regelmaat van zich zal laten horen. Als voorproefje kun je hier vast een stuk lezen dat hij onlangs schreef voor het Festival van de architectuur, georganiseerd door het Vlaams Architectuurinstituut.

Foto: Harry Cock

De straat als een verlengstuk van onze huiselijke activiteit. De hof als een intieme vorm van buitenwereld. De kruising als een brandpunt van uitwisseling. De stadstuin of het park als een vlucht voor de stedelijke dynamiek en het plein als een podium voor ons collectieve verlangen. We zien de openbare ruimte graag als de basis voor het stedelijk leven.

In zekere zin is die ruimte dat ook altijd geweest. Het kruispunt is tenslotte het oerprincipe van alle vormen van nederzetting en vestiging. Maar zijn we als gemeenschap nog voldoende eigenaar van deze ruimte? Behoort de ruimte die we nu gemakkelijk zien als ‘tussenruimte’, als ruimte om ons te verplaatsen, nog wel tot het centrum van ons ruimtelijk denken en doen? Of wordt het tijd dat we de publieke sfeer weer tot de grondslag van ons stedelijk handelen uitroepen, tot een plek waar stedelijke opgaven bij elkaar komen?

Veel ontwikkelaars, stadsbestuurders en gebouwbeheerders hebben het idee dat ze ‘openbare ruimte’, ruimte voor ontmoetingen en face-to-face contacten, gebouwd moeten aanbieden. Dat geklimatiseerde en gecontroleerde milieus de beste plaats zijn om te verbinden. Naar hun mening zijn beurscomplexen, luchthavens, cultuurcentra, ziekenhuizen, universiteitscampussen en winkelcentra de milieus waar interactie plaats zou moeten vinden.

Als metafoor voor deze complexen wordt door architecten vaak het evidente ‘gebouw als stad’ gebruikt, waarbij de verkeersruimte straat, de hal plein, en de lobby markt genoemd wordt. De vraag is echter of deze complexen wel open genoeg zijn om inclusieve interactie te bewerkstelligen.

Mensen die zich verzamelen in complexen zijn immers vaak van eenzelfde soort. Ze hebben allemaal een pasje, hebben dezelfde studie gedaan of houden van dezelfde muziek, en hebben dezelfde plannen. En van iemand die hetzelfde weet, doet en denkt als jij kan je niet veel leren, van iemand die hetzelfde heeft kan je niets kopen, en met iemand die hetzelfde zegt, kan je niet goed praten.

Diversiteit is één van de belangrijkste fundamenten voor kennisontwikkeling, economie en sociale inclusie. Ik pleit daarom voor een stedenbouw met echte openbare ruimte, een ruimte waar iedereen mag, wil en moet zijn.

De openbare ruimte is nooit het resultaat van een ontwikkeling, maar altijd de voorwaarde ervoor

De openbare ruimte vormt het wezen van het stedenbouwkundig ontwerp. Zoals architectuur niet zonder ruimtelijke relatie met de omgeving functioneert, zo functioneert de stedenbouw evenmin zonder relatie tussen bebouwing en openbare ruimte. De openbare ruimte is nooit het resultaat van een ontwikkeling, maar altijd de voorwaarde ervoor.

Met de openbare ruimte creëren we plek voor het stedelijk leven, mobiliseren we het stadsleven. Er is plaats voor interactie: mensen, goederen, kapitaal, kennis en cultuur komen in de openbare ruimte letterlijk bijeen. De openbare ruimte bedient kortom het stedelijk leven en moet iedereen een plek kunnen geven, aangezien menselijke interactie tot de kern van de publieke sfeer behoort.

In Groningen is rondom een belangrijk kruispunt hotel Miss Blanche ontwikkeld. Hier wordt nu eens niet de inkomhal als plein gezien, maar de straat als hotelreceptie. Aan de gracht vinden we een hotelbar en een eetzaal die ook als café/restaurant van het hotel functioneert, iets verderop in een winkelpand tref je de hotelreceptie.

Als we langs de terrassen van het café lopen en de straat oversteken, komen we bij een bakkerij annex ontbijtzaal. De kamers van dit hotel – er is flink wat keuze uit een aantal kamertypes – bevinden zich boven deze verschillende hotelfuncties en in diverse andere panden boven winkels. De stadsstraten verbinden al deze functies en kamers. Het is voor hotelgasten, zowel de zakelijke reiziger als toerist, een bijzondere ervaring. Je mengt je heel gemakkelijk tussen de Groningers, die een brood komen halen in de bakkerij, of lunchen in het restaurant; je voelt je echt een tijdelijke Groninger en bewoner van de stad.

Willen we verantwoordelijkheid dragen voor de kwaliteit en leefbaarheid van onze stad, dan zullen we de openbare ruimte weer als vertrekpunt moeten nemen voor onze ruimtelijke verbeelding. De openbare ruimte is als een ode aan de stad: deze ruimte vormt de fysieke voorwaarde van steden, en zorgt ervoor dat steden staan voor nabijheid, dichtheid en contact.

***

Dit stuk verscheen eerder op de website van Festival van de architectuur. De komende tijd zal Jeroen de Willigen op deze plek regelmatig een column voor GRAS schrijven.