De enquêteur: gedeelde ruimte

21 mei 2019 Door Leestijd: 5 minuten

De enquêteur doet winkelcentrum Paddepoel aan. Hij heeft aardbeien bij zich. Een aardbei in ruil voor een verhaal, dat is zijn strategie.

Foto: Peter de Kan

‘Vroeger was hier muzak,’ zegt een vrouw uit Beijum, ‘daar werd je wel een beetje weeïg van op den duur.’ De enquêteur vindt het ook een vooruitgang. Zonder achtergrondmuziek krijgt het winkelcentrum een veel natuurlijker, markthal-achtige, sfeer.

‘In mijn eigen wijk vind ik de mensen niks aan’, vertelt de vrouw. ‘Ik kom veel liever hier, het is hier echt gezellig. En de Kruidvat is een heerlijke winkel. Er gaan hier wel veel leuke winkeltjes weg, trouwens. Je had hier vroeger een breiwinkel, daar kwam ik graag. Ik ga nu even naar de ABN om mijn spaargeld op te halen. Ja, ik voel me heel veilig hier.’

De vrouw loopt achter een rollator. Ze werd in 1942 geboren op de Nieuwstad, maar werd bij haar ouders weggehaald omdat die niet in staat werden geacht voor haar te zorgen. Vervolgens ging ze van pleeggezin naar pleeggezin, heel Nederland door.
‘Zaten ze in de prostitutie?’, wil de enquêteur weten (dit soort vragen staan niet in zijn enquête, maar hij is van nature een nieuwsgierig wezen).
‘Wie?’
‘Jouw ouders? Zaten die in de prostitutie?’
‘Ach man, je kan een boek over me schrijven.’

Een man zonder gebit duwt een winkelwagentje voort. Hij leunt er een beetje op. De enquêteur vraagt wat voor burger hij is. ‘Ik ben een slaburger, kijk maar, heb ik net gekocht.’ Hij gebaart naar een plastic bakje in zijn winkelwagen, met een stuk vlees dat eruitziet als een kruising tussen een slavink en een hamburger. ‘Ik weet niet wat het is, ik dacht: laat ik het maar een keer proberen.’ De enquêteur noteert dat er een 35-procent-korting-sticker op het stuk vlees zit.
‘Wat zit er nog meer in uw winkelwagen?’
‘Spekjes, cola en bananen. Die spekjes zijn voor mijn vrouw. Houdt ze van, ik ben meer een lollyman. Net kojak.’ Misschien is het omdat hij geen tanden heeft: hij kan wel zuigen, maar niet kauwen.

Dit loopje naar de supermarkt is belangrijk voor hem. Hij moet blijven bewegen van de dokter. Hij kan ook niet zitten, zegt hij, vanwege z’n rug. Hij ligt veel op bed en kijkt dan tv. De man is blij met Netflix. ‘Ik woon in een vijftigplusflat aan de Algollaan. Lopen doe ik omdat het moet. Ik wandel meestal via de Mercuriusstraat langs de Saturnusstraat en Morgensterstraat naar het winkelcentrum. Tegen de tijd dat ik er ben heb ik de hele Melkweg overgestoken, althans, zo voelt het wel.’ Hij is blij met zijn wijk, al zijn er ook slechte stukken, aan de randen van de wijk. ‘De Voermanstraat bijvoorbeeld, daar kom ik nooit, ik heb op tv gezien hoe het er daar aan toe gaat.’

Wat voor de een de dichtstbijzijnde supermarkt is, is voor de ander een vaste ontmoetingsplek. Sommige mensen komen er maandelijks, andere dagelijks. De enquêteur signaleert studenten. Families. Bruine, zwarte en witte mensen.

De enquêteur spreekt een vrouw die hier speciaal, een keer per maand, naartoe gaat voor de tweedehands boeken. Ze woont in de Korrewegwijk en is op de fiets gekomen. Ze is een groente- of kaasburger, zegt ze. Dat hoort hij vandaag vaker. Iedereen heeft van de dokter te horen gekregen dat ze minder vlees moeten eten.

Een stel uit Bangladesh is op de scooter gekomen (niet uit Bangladesh) voor wat brood, margarine en honing. De man is 59, zijn vrouw 44. De man vertelt: ‘Je hebt hier speciale winkels, zoals Takko Fashion en de Scapino, die je nergens anders hebt. In het centrum heb je geen Scapino meer.’ Ze gaan ook vaak naar winkelcentrum Selwerd, omdat daar een halal slager zit. Dat wist de enquêteur niet. Op de vraag wat voor burger hij is, trekt de man zijn wenkbrauwen hoog op. ‘Wat is dat voor rare vraag?’ Hij kan er niks mee, en dat geeft ook niet.

Een Koerdisch gezinnetje komt gezellig aardbeitjes eten. De vrouw is net terug uit Malmö, waar familie woont. Het gezin woont in de Oranjebuurt en komt vaak in Paddepoel. Ze gaan vandaag schoenen kopen voor hun zoontje van acht, make-up voor zijn moeder en verder wat reguliere boodschappen. ‘We laten ons dan altijd inspireren door wat we tegenkomen’, vertelt de moeder. ‘We gaan ook naar Bakker Bart, daar werkt een vriendin van me.’

Vandaag kwamen ze met de auto, maar meestal komen ze op de fiets of lopend. De enquêteur knikt goedkeurend. Hij probeert neutraal te zijn en het maakt hem zogenaamd niet uit of je met de fiets of auto komt. Stiekem vindt hij het beter als mensen hun eigen spierkracht gebruiken om vooruit te komen. 

Over het algemeen is de enquêteur blij verrast door dit winkelcentrum, en vooral door de diversiteit van het publiek. Hij heeft het gevoel dat deze plek beter functioneert dan het centrum van Groningen. Neem de Herestraat – zie je daar mensen met elkaar kletsen? Nauwelijks, daar is de sfeer veel te gejaagd voor. De mensen hebben hier het gevoel dat dit hun plek is, en dat komt misschien wel door het glazen puntdak. Dat geeft het winkelcentrum een huiselijke sfeer.

In de afgelopen jaren zijn er in Groningen veel studentenflats bijgekomen, waarvan een aantal in Paddepoel. Het heeft ervoor gezorgd dat de wijk flink is verjongd. Paddepoel is net als Selwerd gespecialiseerd in bejaardenflats en jongerenflats, lijkt het. Daartussen heb je eengezinswoningen die voor een deel eigendom zijn van een pensioenfonds.

Hoewel de omgeving uit stedenbouwkundig oogpunt niet echt geslaagd genoemd kan worden – het is binnen de ring maar voelt aan als een buitenwijk – hebben de mensen het winkelcentrum omarmd. Ze hebben zich deze plek eigen gemaakt op een manier waarop dat in de Herestraat nooit zou lukken.

De ene openbare ruimte is de andere niet, en of iets werkt hangt af van de manier waarop mensen zich de plek toe-eigenen. Dat mechanisme blijft moeilijk voorspelbaar.